Kieuw

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De kieuwen van een tonijn, van achteren gezien.
Kamsalamanderlarve met uitwendige kieuwen.
De ademhaling van een kreeftachtige.

Kieuwen stellen een organisme in staat om zuurstof uit het water op te nemen en koolzuurgas af te staan. Het betreft voornamelijk vissen en amfibieën. Ook kreeftachtigen en sommige insectenlarven hebben ademhalingsorganen die kieuwen worden genoemd, maar deze zijn wezenlijk anders van structuur.

Vissen[bewerken]

Bouw en functie[bewerken]

De kieuwen steken uit de zogenaamde kieuwspleten en worden als het ware gedragen door de kieuwbogen, beenspangen die in de wand tussen de kieuwspleten liggen. Elke kieuwboog draagt een aantal (soms wel een paar honderd) op elkaar gestapelde kieuwplaatjes, en elk kieuwplaatje op zich draagt weer een groot aantal secundaire kieuwplaatjes.

Water dat vanuit de kieuwholte door de kieuwspleten geperst wordt, stroomt zodoende door tussen de secundaire kieuwplaatjes gelegen kanaaltjes, zodat het zuurstofhoudende water in nauw contact staat met het zuurstofarme bloed.

Aan de binnenzijde van de kieuwen bevinden zich de kieuwzeven die zorgen dat de kieuw niet beschadigd wordt door vuil en voedseldeeltjes. Bij plankton-etende vissen is de kieuwzeef zeer fijn gebouwd en dient om voedsel te vergaren.

Ademhaling[bewerken]

De ademhaling bij beenvissen gaat als volgt: de bek gaat open en de vis zuigt zijn bek vol met water, de bek sluit zich en het water wordt door verkleining van de mondholte langs de kieuwen naar de kieuwholten geperst. De kieuwdeksels (het operculum) gaan hierdoor open en het water kan weer ontsnappen. De kieuwdeksels sluiten zich waardoor het water uit de kieuwholten wordt geperst. Daardoor ontstaat een constante waterstroom langs de kieuwen. De gasuitwisseling tussen het water en de bloedcapillairen gaat volgens het principe van tegenstroomuitwisseling.

Er zijn ook vissen die met geopende bek zwemmen, waardoor een constante waterstroom langs de kieuwen vloeit, dit noemt men ramventilatie. Kraakbeenvissen zoals Haaien en roggen hebben geen kieuwdeksels maar een aantal afzonderlijke spleten (kieuwspleten). Hierdoor kunnen haaien niet zoals beenvissen het water langs hun kieuwen pompen, en moeten ze altijd blijven zwemmen om te kunnen ademhalen.

Amfibieën[bewerken]

De kieuwen van amfibieën lijken op die van vissen, er wordt zuurstof afgegeven aan het bloed met behulp van de zuurstofbindende stof hemoglobine. Een groot verschil echter is dat ze in tegenstelling tot vissen uitwendig zijn, en als veervormige haarstructuren aan de zijkant van de kop geplaatst zijn. De meeste amfibieën hebben alleen kieuwen in het larvale stadium, maar een aantal salamanders behoudt deze ook in het volwassen stadium.

Geleedpotigen[bewerken]

Kreeftachtigen hebben allemaal kieuwen, zelfs soorten die op het land leven zoals pissebedden, waardoor ze gevoelig zijn voor uitdroging. Insecten hebben net als amfibieën alleen kieuwen als larve, en alleen als deze in het water leeft. Het betreft maar een zeer klein deel van de insecten, die vrijwel allemaal op het land leven zowel de larve als de imago.
Een groot verschil met de kieuwen van vissen en amfibieën en die van geleedpotigen is dat deze laatste groep geen hemoglobine kent, maar zuurstof opneemt door zeer fijne, haar-achtige structuren die snel heen- en weer worden bewogen. De meeste soorten kreeftachtigen zijn klein en (half)doorzichtig en de ademhaling is te zien als een trillende beweging van vele vaak behaarde, poot-achtige delen.

Insecten die ook als imago in het water leven, hebben geen kieuwen maar net zoals alle insecten tracheeën: adembuizen die direct naar de organen lopen. Ze hebben vaak wel aanpassingen als een lange, angel-achtige adembuis (staafwants) of een fluweelachtige beharing om de lucht een tijdje vast te houden (spinnende watertor).