Imago (biologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Imago van het Icarusblauwtje

Imago (meerv. imagines[1][2]) is de naam voor een volwassen insect (na metamorfose). Het is in staat zich voort te planten. Bij gevleugelde soorten zijn pas in dit stadium functionele vleugels aanwezig.

De metamorfose (gedaanteverwisseling) kan onvolledig of volledig zijn. Insectensoorten met een volledige metamorfose hebben een larve- en popstadium; bij onvolledige metamorfose spreekt men van een nimfstadium (of -stadia).

Bij veel insecten is het geslacht pas te bepalen bij de imago, zoals vlinders en kevers, waarbij de mannetjes vaak duidelijk van de vrouwtjes zijn te onderscheiden. Vaak krijgen de volwassen wordende dieren allerlei kleuren (vlinders), hoorns (kevers), stekels of haren (hommels), vleugels (libellen), groeven in het lijf om geluid mee te maken (sprinkhanen en cicaden) et cetera.

Bij insecten leven geslachtsrijpe dieren meestal enkele maanden; met uitzondering van soorten die als imago overwinteren. Enkele kevers halen drie jaar. De larven of nimfen vreten zich vol, en na de metamorfose is voedsel zoeken voor veel soorten ondergeschikt aan een partner zoeken. Een voorbeeld is de eendagsvlieg, die als imago slechts een paar dagen leeft. Net zoals sommige mottensoorten en de meeste langpootmuggen komen de dieren uit de pop zonder monddelen; ze kunnen niet eens eten. Omdat de larve van de eendagsvlieg een jaar onder water leeft is het niet het kortst levende insect; met een larvetijd van 4 weken, poptijd van een halve week en een vier weken levende imago is dat waarschijnlijk de (huis)vlieg.

De of het imago?[bewerken]

De Woordenlijst Nederlandse Taal (het Groene Boekje) geeft al tijden[3][4] alleen een onzijdig woordgeslacht aan bij imago, in tegenstelling tot Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal[5] (de Dikke Van Dale), dat naast het onzijdige geslacht ook het vrouwelijk woordgeslacht aangeeft. Dit dubbele woordgeslacht komt ook in andere woordenboeken voor,[1] met sommige specialistische woordenboeken[6] alleen sprekend over de imago in de onderhavige biologische betekenis. Het woord is afkomstig uit het Latijn[7] en draagt ook in deze taal het vrouwelijke woordgeslacht.[8][9] In het Nederlandse taalgebied is het woord imago ook bekend uit de psychoanalyse[10][2] en als begrip voor de reputatie of beeldvorming van een persoon of een organisatie (zie Imago (reputatie)). Het Woordenboek der Nederlandsche Taal.[11] (WNT) geeft expliciet aan dat het bijkomstige lidwoord voor de laatste betekenis het is en voor het woord in de biologische en psychoanalytische betekenis de.

Literatuurverwijzingen
  1. a b Kruyskamp, C. (1977) Kramers’ Woordentolk. Verklarend woordenboek van vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen. Den Haag: Van Goor Zonen.
  2. a b Everdingen, J.J.E. van, Klazinga, N.S., Pols, J. & Eerenbeemt, A.M.M. van den (1998). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (10de druk). Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.
  3. Instituut voor Nederlandse Lexicologie (1992). Herziene Woordenlijst van de Nederlandse Taal. (5de oplage). Den Haag: SDU uitgeverij.
  4. Instituut voor Nederlandse Lexicologie (2005). Woordenlijst Nederlandse Taal. Den Haag: Sdu Uitgevers & Tielt: Lannoo Uitgeverij.
  5. Geerts, G, Heestermans, H. & Kruyskamp, C. (1989). Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal (11de herziene druk). Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie.
  6. Kokke-Smits, M.E., & Osse, J.W.M. (1968). Van der Klaauw en Van Oordt's technische termen ten gebruike bij het zoölogisch en anatomisch onderwijs aan Nederlandsche universiteiten (8ste druk). Leiden: E.J. Brill.
  7. Veen, P.A.F. van, Sijs, N. van der (1997). Etymologisch woordenboek. De herkomst van onze woorden.’’ Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie.
  8. Lewis, C.T. & Short, C. (1879). A Latin dictionary founded on Andrews' edition of Freund's Latin dictionary. Oxford: Clarendon Press.
  9. Wageningen, J. van & Muller, F. (1921). Latijnsch woordenboek. (3de druk). Groningen/Den Haag: J.B. Wolters’ Uitgevers-Maatschappij
  10. Essen, J. van (1938). Beschrijvend en verklarend woordenboek der psychologie (1ste druk). Haarlem: De Erven F. Bohn. N.V.
  11. Vries, M. de, e.a. (1882-1998) Woordenboek der Nederlandsche Taal.