Voortplanting (biologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
In de lucht parende zweefvliegen.

Voortplanting, ook wel reproductie genoemd, is het proces waarbij een organisme (levend wezen) voor het voortbestaan van de populatie en zo van soort zorgt.

De twee belangrijkste vormen van voortplanting zijn:

Sommige soorten, zoals de mens (geslachtsrijp na de puberteit), produceren weinig jongen. Andere soorten planten zich veel sneller voort, maar als de nakomelingen niet met een speciale behandeling worden beschermd sterven de meesten van hen voordat ze volwassen worden. Een konijn (geslachtsrijp na 8 maanden) kan 10-30 jongen per jaar voortbrengen. Een krokodil (geslachtsrijp na 15 jaar) kan 50 jongen per jaar voortbrengen. Een fruitvliegje (geslachtsrijp na 10-14 dagen) kan 900 nakomelingen krijgen.

De drijvende kracht achter de evolutie naar minder nakomelingen is dat deze organismen meer tijd aan de bescherming van het nageslacht kunnen besteden: minder nakomelingen die sterker zijn garanderen meer het voortbestaan van de soort.

Bij vissen en inktvissen is er sprake van een alternatieve voortplantingsstrategie met satellietmannetjes, ze lijken uiterlijk op vrouwtjes en trachten ook in gedrag op vrouwtjes te lijken. Zodoende kunnen ze voorbij een mannetje glippen en met zijn vrouwtje(s) paren.

Gametogonie is een soort voortplanting waarbij versmelting optreedt van twee geslachtscellen (de bevruchting), meestal afkomstig van verschillende individuen. Dit komt voor bij planten, dieren en de mens.

Enkele bijzondere vormen van voortplanting in de natuur zijn maagdelijke voortplanting, waarbij er wel een paring plaatsvindt maar alleen eigen lichaamscellen worden gebruikt door het vrouwtje. Een meer ontwikkelde vorm hiervan is gynandromorfisme, waarbij vrouwtjes op mannetjes lijken en vice versa. Bij veel weekdieren is tweeslachtigheid normaal, zoals bij de slakken.

Zie ook[bewerken]