Spier (anatomie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Overlangs aangesneden dwarsgestreepte spiercellen
Gladde spiercellen

Een spier (Latijn: musculus, muisje,[1] spier[1]) is een weefselstructuur van cellen die de eigenschap hebben te kunnen samentrekken (contraheren) waardoor beweging mogelijk is. Spierweefsel komt in drie vormen voor: dwarsgestreept spierweefsel, hartspierweefsel en glad spierweefsel.

  • Dwarsgestreept spierweefsel, zo genoemd vanwege het uiterlijk onder de microscoop, is spierweefsel bestaande uit lange, veelkernige spiervezels. Dwarsgestreept spierweefsel wordt voornamelijk gevonden in skeletspieren, die onder willekeurige controle staan en voornamelijk botten met elkaar verbinden. Daarnaast bestaat ook de hartspier uit dwarsgestreept weefsel (zie onder).
  • Glad spierweefsel staat niet onder willekeurige controle en is onder meer te vinden in het maag-darmstelsel, bloedvaten, luchtwegen, voortplantingsorganen.
  • Het hart bestaat uit hartspierweefsel. Dit soort weefsel heeft 1 of 2 kernen en is lang en vertakt. De myosine en actine is net als bij het dwarsgestreept spierweefsel in sarcomeren gerangschikt. Het hart is in zijn geheel een onwillekeurige spier die continu werkt.

Aanhechting[bewerken]

Elke skeletspier is met twee of soms meer bevestigingspunten aan het skelet, de huid of een andere spier vastgehecht. Sommige bevestigingspunten, origo ('oorsprong') genoemd, zijn proximaal gelegen. Andere punten, insertie, liggen distaal.

De origo is het bevestigingspunt van een spier dat bij contractie van de spier niet beweegt. De insertie is het bevestigingspunt dat bij contractie wel beweegt. Daarnaast bestaan er ook nog agonisten en antagonisten, de tegenovergestelde spieren, zoals de biceps en de triceps. De ene spant aan en de ander ontspant. Om ervoor te zorgen dat de spieren elkaar niet telkens tegenwerken door om de beurt aan te spannen (Ziekte van Parkinson) verslapt de antagonist wanneer de agonist aanspant. Dit heet reciproce inhibitie.

Opbouw (skeletspier)[bewerken]

Een spier bestaat, microscopisch gezien, uit meer dan alleen maar vezels. Hij bestaat uit meerdere spierbundels in de spier, die beschermd is door de spierbundelschede. Daarin zitten kleinere spierbundels met zenuwvezels, verbonden door de motorische eindplaatjes van de zenuwen die het bevel van de hersenen om de spier te bewegen overbrengen. De spiervezels zelf bestaan uit spierfibrillen, sarcolemma en sarcoplasma. Het sarcoplasme zit tussen de spierfibrillen en het sarcolemma aan de rand van de spiervezel.

Zie ook[bewerken]

Literatuurverwijzingen[bewerken]

  1. a b Lewis, C.T. & Short, C. (1879). A Latin dictionary founded on Andrews' edition of Freund's Latin dictionary. Oxford: Clarendon Press.