Musculus tibialis posterior

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Achterste scheenbeenspier
Musculus tibialis posterior
Spier
Tibialis posterior.png
Gegevens
Origo tibia en fibula
Insertie os naviculare en os cuneiforme mediale
Slagader Arteria tibialis posterior
Zenuw Nervus tibialis
Actie inversie van de voet, plantairflexie van de voet bij de enkel
Antagonist Musculus fibularis brevis
Naslagwerken
Gray's Anatomy 129,484
Dorlands/Elsevier m_22/12551177
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De musculus tibialis posterior[1] of achterste scheenbeenspier[2][3] is de meest centraal gelegen spier van alle onderbeenspieren, en ligt in het achterste (posterior) deel van het onderbeen. De achterste scheenbeenspier speelt een hoofdrol bij handhaven van de stabiliteit van het menselijk been.

De bloedvoorziening verloopt middels de achterste scheenbeenslagader en de bezenuwing door de scheenbeenzenuw. De achterste scheenbeenspier ontspringt aan de binnenste achterzijde van het scheenbeen en kuitbeen. De spier is ook verankerd aan de membranus interossei. De pees loopt naar beneden langs de enkel en eindigt in drieën middels de aanhechting aan de voetwortelbeentjes: os cuneiforme, os cuboides, os naviculare en het oppervlak van het os cuneiforme mediale en als derde het sustentaculum tali van het hielbeen.

Functie[bewerken]

Naast de hoofdrol bij stabilisatie fungeert contractie van de achterste scheenbeenspier ook bij inversie en helpt bij plantairflexie van de voet bij de enkel. De achterste scheenbeenspier speelt ook een grote rol in de ondersteuning van de voetzool. Dysfunctie van de achterste scheenbeenspier, waaronder ook ruptuur van de pees van de tibialis posterior, kan leiden tot platvoeten bij volwassenen alsook tot valgusdeformatie als gevolg van niet tegengewerkte eversie als inversie achterwege blijft.

Externe links[bewerken]

Literatuurverwijzingen[bewerken]

  1. His (1895). Die anatomische Nomenclatur. Nomina Anatomica. Der von der Anatomischen Gesellschaft auf ihrer IX. Versammlung in Basel angenommenen Namen. Leipzig: Verlag von Veit & Comp.
  2. Pinkhof, H. (1923). Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemsche geneeskundige termen. Haarlem: De Erven F. Bohn.
  3. Broek, A.J.P. van den, Boeke, J & Barge, J.A.J (1954). Leerboek der beschrijvende ontleedkunde van de mens. Deel I. Geschiedenis der ontleedkunde, bewegingsorganen, vaatstelsel (8ste druk). Utrecht: N.V. A. Oosthoek’s Uitgeverij Mij.