Musculus masseter

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Wangkauwspier
Musculus masseter
Spier
Gray378.png
Synoniemen
Oudgrieks Μασητήρ μῦς[1]
Nederlands Kauwspier[2][3][4]
Indeling
Hoort bij Kauwspieren
Functie Sluiten van de mond en opheffen van de mandibula
Gegevens
Origo Arcus zygomaticus
Insertie Tuberositas masseterica bij de angulus mandibulae
Zenuw Nervus massetericus
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De musculus masseter[5] of wangkauwspier[6] is een van de kauwspieren.[7] Zijn taak is het sluiten van de kaak.[8]

De musculus masseter is verdeeld in een oppervlakkig deel (Latijn: pars superficialis musculi masseteris) en een diep deel (Latijn: pars profunda musculi masseteris).[7] De vezels van het oppervlakkige deel verlopen schuin. Het diepe deel ontspringt met loodrechte vezels aan het binnenvlak van de processus zygomaticus van het slaapbeen en ook van de fascia temporalis. De musculus masseter wordt geïnnerveerd door de nervus massetericus en de nervus mandibularis.[8]

Functie[bewerken]

De musculus masseter staat in voor de oprichting van de mandibula, waardoor de onderkaak omhoog gelift wordt. Dit gebeurt tijdens het sluiten van de kaken. De musculus masseter loopt parallel met de musculus pterygoideus medialis, maar is veel sterker.

Klinische relevantie[bewerken]

De spier kan vergroot worden in patiënten die tandenknarsen (bruxisme) of bij mensen die constant kauwen (kauwgum). Deze masseter hypertrofie is meestal asymptomatisch en komt meestal bilateaal voor, maar het kan ook voorkomen aan één kant. Door de toename in spiermassa, kan het gezicht een zekere asymmetrie tonen. Deze toestand kan in de kliniek verward worden met ziekte van de parotisklier, tandinfecties en maxillofaciale neoplasmen.

Zie ook[bewerken]

Literatuurverwijzingen[bewerken]

  1. Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.
  2. Pinkhof, H. (1923). Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemsche geneeskundige termen. Haarlem: De Erven F. Bohn.
  3. Raven, C.P. (1959). Anatomische atlas. Ten gebruike bij het onderwijs aan verplegenden en bij de opleiding voor eerste hulp bij ongelukken. Amsterdam: Scheltema & Holkema N.V.
  4. Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
  5. His (1895). Die anatomische Nomenclatur. Nomina Anatomica. Der von der Anatomischen Gesellschaft auf ihrer IX. Versammlung in Basel angenommenen Namen. Leipzig: Verlag von Veit & Comp.
  6. Broek, A.J.P. van den, Boeke, J & Barge, J.A.J (1954). Leerboek der beschrijvende ontleedkunde van de mens. Deel I. Geschiedenis der ontleedkunde, bewegingsorganen, vaatstelsel (8ste druk). Utrecht: N.V. A. Oosthoek’s Uitgeverij Mij.
  7. a b Federative Committee on Anatomical Terminology (1998). Terminologia Anatomica. Stuttgart: Thieme
  8. a b Putz, R. & Pabst, R. (Red.) (2000). Sobotta. Atlas van de menselijke anatomie. Deel 1. Hoofd, hals, bovenste extremiteit. (2de druk). Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.