Cytoskelet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schema van een dierlijke cel

1. Nucleolus, 2. Celkern, 3. Ribosoom, 4. Vesikel, 5. Ruw endoplasmatisch reticulum, 6. Golgiapparaat, 7. Cytoskelet, 8. Glad endoplasmatisch reticulum, 9. Mitochondrion, 10. Vacuole, 11. Cytoplasma, 12. Lysosoom, 13. Centriool

Het cytoskelet bestaat uit verschillende soorten polymeren van eiwitten in cellen, die samen zorgen voor stevigheid, vorm en beweeglijkheid.

Onderdelen[bewerken]

Het cytoskelet in eukaryote cellen bestaat uit drie typen filamenten:

De eerste twee typen komen in alle typen cellen voor, terwijl de intermediare filamenten celspecifiek zijn.

Microfilamenten[bewerken]

De microfilamenten kunnen onder andere actinefilamenten zijn of myofibrillen. Actinefilamenten zijn opgebouwd uit actine-monomeren en zijn onder de rasterelektronenmicroscoop duidelijk te zien als kleine strengen met een diameter van 7 nanometer. Een microfilament kan als het ware bewegen door verplaatsing van de actine deeltjes, doordat er aan één uiteinden deeltjes afgaan en aan het andere uiteinden er weer bij op komen. Deze filamenten bevinden zich over het algemeen in de buurt van de celmembraan en bedienen de cel van vorm en beweeglijkheid. Microfilamenten dragen de spanning van de cel.

Microtubuli[bewerken]

De microtubuli zijn buisachtige structuren met een dikte van ongeveer 25 nanometer. Microtubuli zijn opgebouwd uit ketens van tubulinedimeren die samen een buis vormen. Microtubili zijn in principe opgebouwd uit ringen. Deze ringen bestaan uit ieder 13 monomeren. Deze filamenten zijn meestal aan 'één kant verbonden aan het centrosoom, van waaruit verschillende tubuli in alle richtingen uitstralen. Microtubuli zijn belangrijk bij de celdeling, waar ze de chromosomen uit elkaar trekken. Ook zijn ze erg belangrijk voor het transport van vesikels door de cel.

Intermediaire filamenten[bewerken]

De intermediare filamenten bestaan uit polymeren van eiwitten die specifiek zijn voor celtypen, met een diameter van 8-12 nanometer. Zo bestaan deze filamenten bij neuronen uit andere eiwitten dan bijvoorbeeld in rode bloedcellen of fibroblasten. Ze verrichten verschillende functies, afhankelijk van het celtype. Evenals de microfilamenten dragen de intermediaire filamenten de spanning van de cel.

Synthese van het cytoskelet[bewerken]

Onderdelen van het cytoskelet hebben een polariteit: alle filamenten hebben een plus- en een minkant, behalve de intermediaire filamenten. Aan de pluskant vindt polymerisatie van de filamenten plaats en dus groei, terwijl aan de minkant depolymerisatie plaatsvindt. De groei van de filamenten wordt dus bepaald door de snelheid van de polymerisatie aan de pluskant en depolymerisatie aan de minkant. Wanneer polymerisatie overheerst zal het filament groeien, anders blijft de lengte stabiel of krimpt het filament.

Functie[bewerken]

Naast de vorm en stevigheid die het verschaft, dient het ook als geleide voor organellen die door de cel vervoerd moeten worden. Zo worden de blaasjes met neurotransmitter vanuit het cellichaam door het axon naar de synaps getransporteerd langs de tubuli. Dit kan doordat de blaasjes gebonden zijn aan speciale eiwitten genaamd kinesines en over de filamenten wandelen.