Axon

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Afbeelding van een neuron. Het axon is voor het grootste deel omgeven door beschermende cellen van Schwann.

Een axon (van het Grieks ἄξων, áxōn= as[1]) is een uitloper van een neuron die elektrische impulsen geleidt. Axonen zijn de primaire elementen van informatieoverdracht in het zenuwstelsel. Ze kunnen soms langer dan één meter worden. Een axon heeft een typische diameter van ongeveer één micrometer. Efferente axonen leiden signalen van het centrale zenuwstelsel naar het perifere zenuwstelsel, afferente axonen leiden een signaal vanuit de periferie naar het centrale zenuwstelsel. De termen afferent en efferent worden ook gebruikt om de relatieve connecties tussen structuren in de hersenen te beschrijven.

In de meeste gewervelde dieren zijn axonen omgeven door myeline; een vettige stof die de axonen beschermt en tegelijk zorgt dat de elektrische impuls sneller kan worden doorgegeven. De myeline wordt gevormd door twee typen gliacellen; in het centraal zenuwstelsel wordt het gevormd door oligodendrocyten, in het perifere zenuwstelsel door cellen van Schwann. Tussen de myelinescheden zitten kleine uitsparingen, waar extracellulaire vloeistof de axon raakt. Deze uitsparingen noemen we knopen van Ranvier (dit zijn tevens de plekken waar ionkanalen voorkomen). Op de plekken waar de knopen van Ranvier zich bevinden gaat de informatieoverdracht bijzonder snel, dit noemen we saltatie (van het Latijnse saltare = springen). De impuls springt hier als het ware over naar het volgende gemyelineerde deel van de axon.

Groei en ontwikkeling[bewerken]

De groeiconus

Voor de groei van een axon is vooral het uiteinde ervan belangrijk. We noemen dit de groeiconus. De groeiconus helpt het axon de juiste weg te vinden. Het is zowel een sensorische als motorische structuur; sensorisch omdat het bepaalde signalen kan ontvangen betreffende de richting die het op moet en motorisch omdat het groeit, iets in beweging zet.

De groeikegel begeleidt het axon door binnenkomende positieve en negatieve signalen om te zetten in signalen die het cytoskelet reguleren en daardoor de route en snelheid van de axonale uitgroei bepalen. Het bestaat uit drie onderdelen:

Histologische kleuring van een groeiconus
  • De centrale kern
  • De filopodia (puntige uitsteeksels)
  • De lamellipodia (ruimte tussen de filopodia)

Met name de filopodia zijn belangrijk voor de routebepaling. In de membraan ervan zitten receptoren voor "wegwijsmoleculen". De filopodia bewegen heen en weer om een zo compleet mogelijk beeld van de omgeving te krijgen.

Zie ook[bewerken]

Literatuurverwijzingen[bewerken]

  1. Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.