Kleine hersenen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kleine hersenen
Cerebellum
De hersenen met het cerebellum in het paars gekleurd.
De hersenen met het cerebellum in het paars gekleurd.
Synoniemen
Latijn Cerebrum parvum[1]

Encephalion[2][3][4]
Encephalium[5]
Encranion[6][7]
Encranium[2][5]
Encranis[2][5]
Cerebrum posterius[1]
Pars posterior cerebri[8][9]
Encephalus opisthius[5]
Epencephalon[4]
Appendix ad cerebrum[1]
Puppis cerebri[8]
Parencephalis[6][2][3][7]
Parencephalon[10]
Parencephalum[7]
Parencephalos[2]
Parencephalus[2][3]

Oudgrieks Ἐγκεφάλιον[11]

Ἐγκράνιον[11]
Ἐγκρανίς[11]
Ἐπεγκρανίς[11]
Ὀπίσθιος ἐγκέφαλος[1]
Ὀπίσω μέρος ἐγκέφαλου[8]
Παρεγκεφαλίς[2]

Nederlands Achterhersenen[1]

Achterbrein[1]
Minderbrein[1]
Bijhersenen[1]

Portaal  Portaalicoon   Biologie

De kleine hersenen[12] of het cerebellum[13] zijn een onderdeel van het centrale zenuwstelsel. De eerste functie van de kleine hersenen is de coördinatie van bewegingen om ze vlot en nauwkeurig te maken. Schade aan de kleine hersenen leidt tot schokkerige bewegingen en kan ook evenwichtsproblemen geven. De kleine hersenen zijn een van de eerste structuren die beïnvloed worden door alcohol, wat de bewegingsproblemen bij dronkenschap verklaart. De kleine hersenen zijn ontwikkeld uit de achterhersenen en bestaan uit twee helften die ongeveer de grootte van een perzik hebben. Ze nemen ongeveer tien procent van het totale hersenvolume in. De kleine hersenen zijn onderdeel van de achterhersenen.

Ligging en anatomische indeling[bewerken]

De kleine hersenen liggen in de achterste schedelgroeve. Het tentorium cerebelli, een uitstulping van het harde hersenvlies scheidt de kleine hersenen van de achterhoofdskwab van de grote hersenen. Aan de voorkant van de kleine hersenen bevindt zich de vierde ventrikel. Deze hersenventrikel ligt tussen de pons van de hersenstam en de kleine hersenen in.

De buitenste lagen cellen van de kleine hersenen, ook wel de cortex cerebelli genoemd, is grijze stof. De grijze stof bevat de cellichamen van de zenuwcellen. De cortex cerebelli is van buiten naar binnen in de volgende drie lagen te verdelen: de moleculaire laag ofwel het stratum moleculare, welke nauwelijks cellen bevat, de laag met purkinjecellen ofwel het stratum purkinjense en een laag met korrelcellen ofwel het stratum granulosum. Verder naar de binnenkant is de witte stof te vinden. Hier liggen vooral gliacellen, andere ondersteunende cellen en zenuwbanen. Middenin de witte stof liggen echter een aantal gebieden met grijze stof en dus zenuwcellen. Dit zijn de nucleus dentatus, de nucleus interpositus anterior ofwel nucleus emboliformis, de nucleus interpositus posterior en de nucleus fastigii.

Overzicht van de verschillende lagen van de cortex cerebelli. Korrelcellen zijn aangegeven als 'granule cells'

De kleine hersenen zijn onderverdeeld in drie delen:

  • de lobus cerebelli anterior: de voorkwab
  • de lobus cerebelli posterior: de achterkwab
  • de lobus flocculonodularis

De voorkwab en de achterkwab worden door een diepe groeve gescheiden: de fissura prima. De lobus flocculonodularis wordt van de achterkwab gescheiden door de fissura posterolateralis. Het is niet mogelijk de kwabben vanaf de buitenkant van elkaar te onderscheiden. Hiervoor is het nodig het weefsel door te snijden. De voorkwab wordt onderverdeeld in vijf kwabjes. Deze zijn genummerd van één tot vijf. De achterkwab is onderverdeeld in kwabje zes tot en met negen. De lobus flocculonodularis bestaat geheel uit kwabje nummer tien.

Aan de oppervlakte van de kleine hersenen zijn veel kleine plooien te zien. Deze worden folia genoemd (in het Latijn is een folium een boomblad). Deze folia maken het mogelijk dat de kleine hersenen zeer dicht van structuur zijn. In dit deel van het centrale zenuwstelsel liggen hierdoor de helft van de zenuwcellen. Al die boombladeren worden samen vaak de levensboom, arbor vitae genoemd.

Zenuwbanen[bewerken]

De kleine hersenen hebben de volgende soorten inkomende zenuwbanen:

  • De mosvezels. Deze zenuwbanen komen uit het ruggenmerg en het verlengde merg en gaan naar de korrelcellen in de cortex cerebelli.
  • De klimvezels. Hebben hun oorsprong in de pons en gaan naar de purkinjecellen.

Deze zenuwbanen komen uit de volgende gebieden van het centrale zenuwstelsel. Tussen haakjes staat de soort informatie aangegeven.

De uitgaande zenuwbanen lopen voornamelijk naar de motorische en premotorische schors. De banen lopen via de motorische kernen in de thalamus

Functie[bewerken]

Door deze informatie spelen de kleine hersenen een rol bij de volgende gedragingen:

De kleine hersenen zijn voor de fijne afstelling tussen waarneming en beweging. Ze dienen als schakelcentrum voor de aansturing van spieren. Bewegingsvoorstellingen van nieuw geleerde bewegingen worden vermoedelijk in de kleine hersenen opgeslagen. De kleine hersenen lijken echter ook betrokken te zijn bij het uitvoeren van sterk geautomatiseerde handelingen, waarbij zij mogelijk de bewegingscoördinaten van bewegingen verschaffen, zonder tussenkomst van hogere motorische centra in de premotore schorsgebieden. Men vermoedt verder dat ook een functie als tijdschatting (timing) met het cerebellum verbonden is. Mensen met beschadigingen in de kleine hersenen kunnen bijvoorbeeld niet meer goed de duur schatten van een geluid, of het moment van een toekomstige gebeurtenis voorspellen (zoals een tennisspeler de bewegingen van een tegenstander anticipeert). Ook zijn de kleine hersenen betrokken bij associatieve leerprocessen zoals in klassiek conditioneren. Zo blijken laesies van de kleine hersenen het aanleren, maar ook de retentie van een eenmaal aangeleerde voorwaardelijke oogknipreflex te verstoren. Mogelijk hangt dit laatste ook samen met een stoornis in de timing van gedragsfuncties.(1) Verder zijn er een aantal regelkringen van emotionele en mentale prikkelverwerking, waarbij ook het cerebellum wordt aangedaan.

Overige pathologie[bewerken]

Bij overmatig alcoholgebruik worden de kleine hersenen deels uitgeschakeld, wat leidt tot karakteristieke ongecoördineerde bewegingspatronen (dronkemansgang (ataxie), zwalken).

Een eenvoudige proef om te zien of er sprake zou kunnen zijn van beschadigingen in de kleine hersenen is te vragen of iemand met zijn wijsvinger het puntje van zijn neus kan aanraken met zijn ogen dicht. Indien het puntje van de neus wordt gemist kan dat duiden op een beschadiging of intoxicatie van de kleine hersenen.

Naam[bewerken]

Cerebellum[bewerken]

De naam cerebellum is de verkleiningsvorm[14][15] van cerebrum, hersenen.[14] De naam betekent dus ook letterlijk kleine hersenen.[14] Overeenkomstig komt men ook het begrip cerebrum parvum [1] tegen, van parvum, klein.[14] Het woord cerebrum zou verwant zijn aan de Oudgriekse woorden κάρα kára,[2] hoofd[11] en κέρας kéras,[2] hoorn.[11] Wellicht met verandering van c/k naar h kan de Duitse vorm Hirn (verwant aan Nederlands hersenen [15]) verklaard worden.[2]

In andere talen komen ook afleidingen voor van het Latijnse woord cerebellum, zoals in het Frans het woord cerveau.[16] Cerveau is echter niet het woord voor de kleine hersenen, maar voor de grote hersenen.[17] Voor de kleine hersenen gebruikt men in het Frans het woord cervelet,[17] dat een verkleiningsvorm is van cerveau.[16] Voorheen werd ook petit cerveau gebruikt voor de kleine hersenen.[9] Het Italiaanse woord voor de grote hersenen, cervello [10] is ook afgeleid van het Latijnse woord cerebellum.[15] Het Nederlandse woord cervelaatworst is via het Frans cervelat [18][15] afgeleid van het Italiaans cervellata [15] of cervellato,[16][18] afkomstig van het eerder genoemde Italiaanse woord cervello.[16][18][15] Oorspronkelijk werd cervelaatworst van de hersenen gemaakt.[15]

Als bijvoeglijk naamwoord wordt in het anatomische Latijn cerebellaris [19] gebruikt, met de vernederlandste variant cerebellair.[20] In het klassieke Latijn wordt alleen de vorm cerebellare gebruikt.[19][14] Dit kan men vertalen als hoofdbedekking.[19]

Encephalion[bewerken]

De naam encephalion [2][3][4] of encephalium,[5] is geattesteerd in het Oudgrieks als ἐγκεφάλιον enkephálion.[11] Het is net zoals cerebellum een verkleiningsvorm,[2][4] maar in dit geval van het Oudgriekse woord voor hersenen, ἐγκέφαλος enképhalos.[21] Het woord ἐγκέφαλος kan gezien worden als een substantivering van het bijvoeglijk naamwoord ἐγκέφαλος, in het hoofd bevindend,[21] van het Oudgrieks ἐν en, in[21] en κεφαλή kephalé, hoofd/kop.[21] Daarbij kan ἐγκέφαλος ook gezien worden als verkorting van ἐγκέφαλος μυελός enképhalos muelós,[2] te vertalen als merg in het hoofd.[2]

Encranion[bewerken]

Daarnaast worden ook de begrippen encranion,[6][7] encranium [2][5] en encranis[2][5] gebruikt voor de kleine hersenen, in het Oudgrieks voorkomend als ἐγκράνιον enkránion [11] bij de Griekse arts Galenus[11][8] en ἐγκρανίς enkranís.[11] Deze begrippen kunnen afgeleid worden van het Oudgrieks ἐν en, in[11] en κρανίον kraníon, schedel.[11] Overigens wordt verwarrend genoeg ἐγκράνιον in het Oudgrieks ook gebruikt voor hersenen in het algemeen.[2] In het Oudgrieks komt men bij Griekse anatoom Erasistratos volgens Galenus[8][11] ook nog het begrip ἐπεγκρανίς epenkranís tegen voor de kleine hersenen. Erasistratos erkende als een van de eersten dat de kleine hersenen uit meerdere afzonderlijke delen bestaat.[8]

Cerebrum posterius[bewerken]

De kleine hersenen vormen als het ware het achterste gedeelte van de 'gehele hersenen'. In het Latijn wordt (daarom) ook gesproken over het cerebrum posterius,[1] met posterius voor achterste [22] of mindere.[22] Equivalent hieraan is het begrip pars posterior cerebri[8][9] met pars, deel.[22]

Het begrip cerebrum posterius komt overeen met het Oudgrieks ὀπίσθιος ἐγκέφαλος opísthios enképhalos,[1] van ὀπίσθιος, achterste[11] en ἐγκέφαλος, hersenen.[11] Dit begrip komt voor bij de Griekse arts Galenus.[8] De verlatijnste vorm encephalus opisthius[5] wordt ook gebruikt. Galenus' naam ὀπίσω μέρος ἐγκέφαλου opísō méros enképhalou,[8] met ὀπίσω, achterwaarts[11] en μέρος, deel[11] is de voorloper van de eerder genoemde pars posterior cerebri.

In het Nederlands komen de soortgelijke begrippen zoals de achterhersenen,[1] het achterbrein [1] bij de anatoom Frederik Ruysch of het minderbrein [1] voor. Tegenwoordig[12] wordt ook het begrip achterhersenen, met als synoniem metencephalon,[12] gebruikt in de betekenis van de pons en de kleine hersenen samen. In dezelfde betekenis wordt ook het begrip epencephalon gebruikt, dat kan verwijzen naar de pons en de kleine hersenen gezamenlijk of zuiver en alleen naar de kleine hersenen.[4]

Binnen deze reeks begrippen passen ook de Latijnse termen appendix ad cerebrum [1] en puppis cerebri [8]. Appendix kan men vertalen met aanhangsel[22]. Het woord puppis wordt in het Latijn gebruikt om het achtersteven van een schip aan te duiden,[22], maar kan ook de rug [22] of in de context vewijzen naar het achterste deel.[22]

Parencephalis[bewerken]

Daarnaast komt ook het synonieme begrip parencephalis[6][2][3][7] voor. Dit woord is afgeleid[2] van het Oudgrieks παρεγκεφαλίς parenkephalís met dezelfde betekenis.[2] Het eerste deel παρά para, naast,[11] duidt aan dat het naast het tweede deel, ἐγκέφαλος enképhalos, hersenen,[11] ligt.[2] De uitgang -ις -is kan worden gezien als een verkleiningsuitgang, overeenkomstig de grootte van de kleine hersenen.[2] De naam παρεγκεφαλίς wordt gebruikt door de Griekse wijsgeer Aristoteles in zijn werk Historia animalium.[8][11] Hij was eerste (in de Griekse oudheid) die de kleine hersenen noemde[8][23] en beschreef dat zij achter de grote hersenen lagen.[8]

In het Nieuwgrieks wordt de naam παρεγκεφαλίς nog steeds gebruikt.[24] Van de nevenvormen parencephalon,[10] parencephalum,[7] parencephalos[2] en parencephalus[2][3] zijn ten minste de laatste twee vormen onjuist gevormd.[2][3] In het Nederlands komt men de soortgelijke naam bijhersenen [1] tegen.

Zie ook[bewerken]

Literatuurverwijzingen[bewerken]

  1. a b c d e f g h i j k l m n o p Schreger, C.H.Th.(1805). Synonymia anatomica. Synonymik der anatomischen Nomenclatur. Fürth: im Bureau für Literatur.
  2. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y Kraus, L.A. (1844). Kritisch-etymologisches medicinisches Lexikon (Dritte Auflage). Göttingen: Verlag der Deuerlich- und Dieterichschen Buchhandlung.
  3. a b c d e f g Gabler, E. & Winkler, T.C. (1881). Latijnsch-Hollandsch woordenboek over de geneeskunde en natuurkundige wetenschappen. (Tweede druk). Leiden: A.W. Sijthoff.
  4. a b c d e Haan, H.R.M. de & Dekker, W.A.L. (1955-1957). Groot woordenboek der geneeskunde. Encyclopaedia medica. Leiden: L. Stafleu.
  5. a b c d e f g h Siebenhaar, F.J. (1850). Terminologisches Wörterbuch der medicinischen Wissenschaften. (Zweite Auflage). Leipzig: Arnoldische Buchhandlung.
  6. a b c d Castelli, B. & Ravenstein, A. (1665). Lexicon medicum Graeco-Latinum. Rotterdam: Arnold Leers.
  7. a b c d e f Foster, F.D. (1891-1893). An illustrated medical dictionary. Being a dictionary of the technical terms used by writers on medicine and the collateral sciences, in the Latin, English, French, and German languages. New York: D. Appleton and Company.
  8. a b c d e f g h i j k l m Burdach, K.F. (1822). Vom Baue und Leben des Gehirns. Zweyter Band. Leipzig: Dyk'sche Buchhandlung.
  9. a b c Lizars, J. (1825). A system of anatomica plates: accompanied with descriptions, and physiological, pathological, and surgical observations. Part VII.-The brain, first portion. Edinburgh/London/Dublin: Printed for Daniel Lizars.
  10. a b c Sliosberg, A. (1975). Elsevier’s medical dictionary in five languages. English/American / French / Italian / Spanish and German. (2de uitgave). Amsterdam/Oxford/New York: Elsevier’s Scientific Publishing Company.
  11. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.
  12. a b c Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
  13. Federative Committee on Anatomical Terminology (FCAT) (1998). Terminologia Anatomica. Stuttgart: Thieme
  14. a b c d e Lewis, C.T. & Short, C. (1879). A Latin dictionary founded on Andrews' edition of Freund's Latin dictionary. Oxford: Clarendon Press.
  15. a b c d e f g Veen, P.A.F. van, Sijs, N. van der (1997). ‘’Etymologisch woordenboek. De herkomst van onze woorden.’’ Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie.
  16. a b c d Dauzat, A., Dubois, J., & Mitterand, H. (1964). Nouveau dictionnaire étymologique et historique.’’ Paris: Librairie Larousse.
  17. a b Leflot-Soetemans, C. & Leflot, G. (1975). Standaard Geneeskundig woordboek Frans-Nederlands. Antwerpen-Amsterdam: Standaard Uitgeverij.
  18. a b c Vries, J. de, Tollenaere, F. de & Persijn, A.J. (1993). Etymologisch woordenboek (18de druk). Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum B.V.
  19. a b c Triepel, H. (1910). Die anatomischen Namen. Ihre Ableitung und Aussprache. Mit einem Anhang: Biographische Notizen.(Dritte Auflage). Wiesbaden: Verlag J.F. Bergmann.
  20. Pinkhof, H. (1923). Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemsche geneeskundige termen. Haarlem: De Erven F. Bohn.
  21. a b c d Muller, F. (1932). Grieksch woordenboek. (3de druk). Groningen/Den Haag/Batavia: J.B. Wolters’ Uitgevers-Maatschappij N.V.
  22. a b c d e f g Wageningen, J. van & Muller, F. (1921). Latijnsch woordenboek. (3de druk). Groningen/Den Haag: J.B. Wolters’ Uitgevers-Maatschappij
  23. Marshall, L.H. & Magoun, H.W. (1998). Discoveries in the human brain. Neuroscience prehistory, brain structure, and function. Totowa: Humana Press.
  24. Lindenburg, M.A. (1989). Woordenboek Nieuwgrieks-Nederlands. Delft: Eburon.

Perret, S., Ruiz & Mauk, M. (1993), Cerebellar cortex lesions disrupt learning-dependent timing of conditioned eyelid responses. Journal of Neuroscience, 13, 1708-1718.