Motoriek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Motoriek is het vermogen om te bewegen. Dit kan het menselijk lichaam of dat van een dier betreffen. Meestal maakt men voor de mens onderscheid tussen:

  • grove motoriek: bijvoorbeeld lopen, zwemmen, zagen. Vaak maar niet altijd betreft het hier bewegingen die grotendeels automatisch verlopen.
  • fijne motoriek: bijvoorbeeld knippen, schrijven, tekenen. Vaak zijn dat bewegingen waarbij veel aandacht en concentratie nodig is.

In de ontwikkeling van de links-rechtsdominantie komt de grove motoriek voor de fijne motoriek. Stoornissen in de (ontwikkeling) van de motoriek worden behandeld door een fysiotherapeut of kinesitherapeut.

Voortbeweging (zoogdieren)[bewerken]

De hand en voet bestaan uit drie reeksen van beentjes:

Bij de voortbeweging wordt onderscheid gemaakt tussen zoolgangers, teengangers en hoefgangers. Het type wordt bepaald door de mate waarin die beentjes betrokken zijn in de steun op de grond.

Zoolgangers[bewerken]

Alle drie reeksen beentjes zorgen voor de ondersteuning van het contactoppervlak van de hand of voet. Voorbeelden van zoolgangers zijn mensen, beren en olifanten.

Teengangers[bewerken]

Voor teengangers zal de handpalm of hiel geen contact meer maken met de grond, maar zijn het de middenhand-, de middenvoetbeentjes en de vinger- en teenkootjes die contact maken met de grond. Voorbeelden van teengangers zijn de katachtigen.

Hoefgangers[bewerken]

Hoefgangers (ook wel topgangers genoemd) lopen nog meer op hun vingers of tenen, meer specifiek op de tippen van hun vingers of tenen: er wordt contact gemaakt met het laatste vingerkootje (teenkootje) van de vingers (tenen) en de grond. Voorbeelden van hoefgangers zijn paarden en koeien.

Uitzondering op deze categorieën zijn de luiaards: zij hangen aan de takken met hun speciaal gevormde klauwen. Op de grond bewegen ze zich voort op hun knokkels.

Zie ook[bewerken]