Middenhandsbeen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een botbreuk van het derde middenhandsbeentje (Röntgenfoto)

Middenhandsbeenderen[1], middelhandsbeenderen of ossa metacarpii[2] zijn de beenderen die in de handplaat de verbinding verzorgen van de vingers met de handwortel.[3] Samen worden zij de middenhand genoemd.[4]

Vergelijkbaar hiermee zijn de midden-/middelvoetsbeenderen of ossa metatarsii.

De middenhandsbeenderen zijn:

Bij dieren[bewerken]

Bij de overige zoogdieren wordt van een soortgelijke indeling, met soortgelijke nummering, uitgegaan.[5]. Alleen de vleeseters onder de huisdieren bezitten (naast de mens) alle vijf de middenhandsbeenderen.[6] met ossa metacarpii III et IV als langste botten.[6] Bij het varken ontbreekt het os metacarpii I.[6]. De ossa metacarpii I et II zijn volledig afwezig bij de herkauwers,[6] terwijl van het os metacarpii V alleen als klein beenplaatje aanwezig is.[6] Bij het paard zijn de ossa metacarpii I et V volledig afwezig.[6] Het os metacarpii III is vervolgens het hoofdmiddenhandsbeen, met de ossa metacarpii II et IV als griffelbeentje er tegenaan.[6]

Naamgeving[bewerken]

Bij de Griekse arts Galenus komen we voor de middenhand het begrip μετακάρπιον metakárpion tegen.[3][7] De Latijnse vorm metacarpium [8][9][10][3][11][12] en niet metacarpus [13][14] sluit het beste aan bij deze Oudgriekse vorm.[3]

Als bijvoeglijk naamwoord van het metacarpium komt men in het anatomische Latijn zowel metacarpius,[15] metacarpicus,[16] metacarpiaeus,[17] metacarpeus,[18] metacarpianus [19] als metacarpalis [14] tegen. De vorm metacarpius zou het meest overeenkomen[11][15] met de (latere) Griekse vorm μετακάρπιος metakárpios.[15] De vorm metacarpalis, zoals in ossa metacarpalia [14] is een samenstelling uit een Latijn en Grieks deel.[20] Het gebruik ervan wordt door sommigen[11][20] afgeraden.

Literatuurverwijzingen
  1. Kloosterhuis, G. (1965). Praktisch verklarend zakwoordenboek der geneeskunde (9de druk). Den Haag: Van Goor Zonen.
  2. a b c d e f Triepel, H. (1910). Nomina Anatomica. Mit Unterstützung von Fachphilologen. Wiesbaden: Verlag J.F. Bergmann.
  3. a b c d Hyrtl, J. (1880). Onomatologia Anatomica. Geschichte und Kritik der anatomischen Sprache der Gegenwart. Wien: Wilhelm Braumüller. K.K. Hof- und Unversitätsbuchhändler.
  4. Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
  5. International Committees on Veterinary Gross Anatomical Nomenclature, Veterinary Histological Nomenclature, & Veterinary Embryological Nomenclature (1994). Nomina Anatomica Veterinaria together with Nomina Histologica and Nomina Embryologica Veterinaria. Zürich/Ithaca/New York.
  6. a b c d e f g Koch, T., Berg, R., & Heinze, W. (1970). Lehrbuch der Veterinär-Anatomie.Band I. Bewegungsapparat. (2. Auflage). Jena: VEB Gustav Fischer Verlag.
  7. Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.
  8. Castelli, B. & Ravenstein, A. (1665). Lexicon medicum Graeco-Latinum. Rotterdam: Arnold Leers.
  9. Diemerbroeck, I. de (1679). Anatome corporis humani. Leiden: Ioan Ant. Huguetan. & Soc.
  10. Schreger, C.H.Th.(1805). Synonymia anatomica. Synonymik der anatomischen Nomenclatur. Fürth: im Bureau für Literatur.
  11. a b c Triepel, H. (1908). Memorial on the anatomical nomenclature of the anatomical society. In A. Rose (Ed.), Medical Greek. Collection of papers on medical onomatology and a grammatical guide to learn modern Greek (pp. 176-193). New York: Peri Hellados publication office.
  12. Triepel, H. (1910). Nomina Anatomica. Mit Unterstützung von Fachphilologen. Wiesbaden: Verlag J.F. Bergmann.
  13. His, W. (1895). Die anatomische Nomenclatur. Nomina Anatomica. Der von der Anatomischen Gesellschaft auf ihrer IX. Versammlung in Basel angenommenen Namen. Leipzig: Verlag Veit & Comp.
  14. a b c Federative Committee on Anatomical Terminology (FCAT) (1998). Terminologia Anatomica. Stuttgart: Thieme
  15. a b c Triepel, H. (1910). Die anatomischen Namen. Ihre Ableitung und Aussprache. Mit einem Anhang: Biographische Notizen.(Dritte Auflage). Wiesbaden: Verlag J.F. Bergmann.
  16. Triepel, H. & Stieve, H. (1936). Die anatomischen Namen. Ihre Ableitung und Aussprache. Anhang: Eigennamen, die früher in der Anatomie verwendet wurden.(Achtzehnte Auflage). Berlin/Heidelberg:Springer-Verlag.
  17. Siebenhaar, F.J. (1850). Terminologisches Wörterbuch der medicinischen Wissenschaften. (Zweite Auflage). Leipzig: Arnoldische Buchhandlung.
  18. International Anatomical Nomenclature Committee (1966). Nomina Anatomica (Derde uitgave). Amsterdam: Excerpta Medica Foundation.
  19. Foster, F.D. (1891-1893). An illustrated medical dictionary. Being a dictionary of the technical terms used by writers on medicine and the collateral sciences, in the Latin, English, French, and German languages. New York: D. Appleton and Company.
  20. a b Triepel, H. & Stieve, H. (1936). Die anatomischen Namen. Ihre Ableitung und Aussprache. Anhang: Eigennamen, die früher in der Anatomie verwendet wurden.(Achtzehnte Auflage). Berlin/Heidelberg:Springer-Verlag.