Ribonucleïnezuur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Ribonucleïnezuur, vaak afgekort tot RNA (Engels: Ribonucleic Acid), is een van drie macromoleculen (met DNA en proteïnen) die essentieel zijn voor alle bekende levensvormen. RNA lijkt qua chemische structuur sterk op DNA, en net als DNA is RNA opgebouwd uit een lange keten van nucleotiden. RNA hoort net zoals DNA tot de nucleïnezuren. RNA dient voor het kopiëren van genetische informatie die is opgeslagen in het DNA. Het wordt in organismen geproduceerd tijdens de transcriptie: het proces waarbij DNA wordt gekopieerd naar RNA. De volgorde van de nucleotiden bepaalt de genetische informatie waarvoor het RNA codeert. Alle cellulaire organismen gebruiken messenger RNA, afgekort mRNA, voor het overbrengen van de genetische informatie die de eiwitsynthese regelt. Daarnaast bevindt RNA zich in veel virussen als genetisch materiaal in plaats van DNA .

Verschillen tussen DNA en RNA[bewerken]

Links: Een RNA-streng met uracil als vierde base. Rechts: DNA met thymine als vierde base.

De chemische structuur van RNA is vergelijkbaar met die van DNA, zij het met enkele verschillen

  • Een RNA-nucleotide bevat de suiker ribose in plaats van desoxyribose in DNA.
  • RNA bevat de nucleobase uracil (U) in plaats van thymine (T) bij DNA.
  • In organismen is RNA doorgaans enkelstrengs en kan het zeer complexe driedimensionale structuren aannemen, terwijl DNA dubbelstrengs is. Dubbelstrengs RNA komt wel voor in het genetisch materiaal van sommige RNA-virussen, en speelt in planten een rol bij cellulaire immuniteit.

Vormen van RNA[bewerken]

  • Messenger RNA of mRNA wordt gebruikt als coderend molecuul bij de translatie. Pre-mRNA is het RNA zoals het eruit ziet direct na de transcriptie van een gen dat codeert voor een eiwit. Door middel van RNA-processing wordt het pre-mRNA bewerkt tot mRNA. Pre-mRNA kan zowel introns (niet-coderende delen) als exons (coderende delen) bevatten. Door middel van splicing worden de introns uit het RNA 'gesplitst'.
  • Ribosomaal RNA of rRNA vormt het belangrijkste bestanddeel van ribosomen. Ribosomen zijn in staat tijdens de translatie mRNA af te lezen en de aminozuren van het eiwit aan elkaar te koppelen.
  • Transfer RNA of tRNA speelt tijdens de translatie een rol als drager van aminozuren. tRNA bevat een anticodon waarmee het in het ribosoom tijdelijk kan binden met een bijbehorend codon op het mRNA.
  • Micro-RNA of miRNA dat een rol speelt bij de regulatie van genen.
  • Small interfering RNA = klein interfererend RNA (siRNA) bestaat uit 20 tot 25 nucleotiden lang RNA dat ook de expressie van genen beïnvloedt.
  • Small nuclear RNA of snRNA speelt een rol bij de regulatie van splicing (U1, U2, U4, U5 en U6 RNA), de regulatie van transcriptie elongatie (7SK RNA) of de regulatie van de activiteit van RNA polymerase II (B2 RNA). De meeste snRNA's worden gesynthetiseerd door RNA polymerase II, enkele door RNA polymerase III (7SK, B2, U6).
  • RNA-primers worden gebruikt bij het starten van DNA-polymerase op de volgende streng (lagging strand).
  • snoRNA, small nucleolar RNA's, klein nucleolus-RNA.
  • dsRNA, double stranded RNA, RNA dat net als DNA basenparen kent, maar dan als RNA.
  • ncRNA, non coding RNA, een verzamelnaam voor RNA-moleculen die niet getransleerd worden in eiwitten, waaronder ook long non-coding RNA (lncRNA).
  • scRNA, small cytoplasmatic RNA, klein cytoplasmatisch RNA.
  • gRNA, guide RNA, gids-RNA.
  • piRNA "piwi interacting RNA", RNA die met PIWI-eiwitten interacteren die een rol spelen bij het epigenetische uitschakelen van transposons in de gameten en stamcellen. Deze strengen hebben een lengte van ongeveer 24-35 baseparen. [1]

Virus[bewerken]

Een virus kan zijn erfelijk materiaal in DNA, maar ook in RNA opslaan. Een RNA-virus kan naast zijn RNA ook een reverse transcriptase in de gastheer krijgen om zich te vermenigvuldigen. De benodigde code is in het virale RNA gecodeerd. Naast dit ribosoom en de vermeerdering van dit RNA laat het virus eiwitten van de capsule maken door de gastheercel.

Afweer[bewerken]

RNA speelt ook een rol in de cellulaire afweer, vooral actief in planten. Dubbelstrengs RNA zet processen in de cel aan de gang die expressie van dat RNA (het aanmaken van eiwitten, translatie) specifiek remt. Ook leidt dit veel dubbelstrengs RNA tot geprogrammeerde celdood (apoptose). Omdat dubbelstrengs RNA vaak voorkomt bij virale infecties en ontregelde cellen is dit een goede zaak voor de plant.

Degradatie van RNA[bewerken]

Nucleïnezuren worden ook in de cel gesplitst of afgebroken. Dit gebeurt met behulp van een enzym, een nuclease. Nucleasen zijn een groep van enzymen, die nucleïnezuren gedeeltelijk of helemaal afbreken. De nucleasen katalyseren de hydrolyse van de chemische binding fosfodi-esterbinding zonder uiteindelijk deel te nemen aan de reactie. Daarom behoren de nucleasen tot de groep katalysatoren.

Zie ook[bewerken]

Portal.svg Portaal Genetica

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. M.R. Hassler & G. Egger, "Epigenomics of Cancer", Medical University of Vienna, Elsevier Masson SAS, november 2012, p.3