Genoom

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het genoom[1] of genenbestand[1] van een organisme is het geheel van erfelijke informatie in een cel. De wetenschap die het genoom bestudeert, noemen we genomica.

Bij eukaryoten omvat het genoom één complete set van chromosomen uit de kern en het DNA in organellen. In een somatische cel van een diploïd organisme komen twee sets chromosomen voor. Het genoom beschrijft aldus de combinatie van alle erfelijke factoren, het legt het genotype voor alle eigenschappen vast. Bij eukaryote cellen bestaat het genoom meestal uit enkele duizenden tot tienduizenden genen op de lineaire chromosomen: de mens bijvoorbeeld heeft ongeveer 21.000 genen[2].

De endosymbiontentheorie verklaart hoe in de evolutie plastiden en mitochondriën met hun erfelijk materiaal zijn verkregen door endosymbiose. De chromosomen van deze organellen zijn vaak circulair. Door het proces van endosymbiotische genoverdracht wordt een deel van het erfelijk materiaal van de endosymbiont overgedragen naar de celkern van de gastheer.[3][4]

  • Er komt mtDNA (mitochondriaal DNA) voor in de mitochondriën, die buiten de celkern liggen en die alleen via de eicel overerven. Het gegeven van maternale (moederlijke) overerving van mtDNA bij de mens wordt gebruikt in de genografie om de verspreiding van de voorouders (of eigenlijk de voormoeders) in de prehistorie in kaart te brengen.
  • Ook in plastiden, zoals de chloroplasten (bladgroenkorrels) van planten, komt DNA voor, het zogenoemde plastoom, dat via de vrouwelijke lijn overerft.

Bij prokaryoten en virussen omvat het genoom al het genetisch materiaal. Bij virussen kan het daarbij gaan om DNA of RNA.

Eukaryoten bevatten naast de exons in de genen ook een groot deel DNA dat niet coderend is; zo'n stuk heet junk-DNA. De betekenis van dit junk-DNA is nog niet duidelijk, maar lijkt wel een functie te hebben bij het decoderen. Bij prokaryote cellen liggen de genen op een ringvormig chromosoom en is het meeste DNA wel coderend. Daarnaast hebben prokaryoten vaak plasmiden die genen kunnen bevatten voor additionele eigenschappen.

In een diploïde cel van een eukaryoot komt elk chromosoom twee keer voor. Bij een autoploïde cel zijn de paren chromosomen hetzelfde en bij een alloploïde cel zijn deze verschillend van elkaar. Veel prokaryoten zijn haploid, wat inhoudt dat het chromosoom maar een keer voorkomt.

Tegenover het genotype staat het fenotype: de uiterlijke verschijning van het organisme.

Zie ook[bewerken]

Literatuurverwijzingen[bewerken]

  1. a b Friedbichler, M., Friedbichler, I. & Eerenbeemt, A.M.M. van den (2009). Pinkhof Medisch Engels. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
  2. Vega Genome Browser 41: Homo sapiens
  3. (en) Nowack E.C.M. & M. Melkonian 2010 Review. Endosymbiotic associations within protists. Phil. Trans. R. Soc. Bull. 365, 699-712
  4. (en) Keeling, P.J. 2004 Diversity and Evolutionary History of Plastids and Their Hosts American Journal of Botany 91(10): 1481–1493