Kleurenblindheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Kleurenblindheid
Coderingen
ICD-10 H53.5
ICD-9 368.5
DiseasesDB 2999
MeSH D003117
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde
linksonder: hoe een 'rood-kleurenblinde' de foto boven ziet, rechtsonder: hoe een 'groen-kleurenblinde' die ziet

Gehele of gedeeltelijke kleurenblindheid of daltonisme is het niet volledig normaal waarnemen van kleuren.

'Kleurenzwakte', minder goed kleuren kunnen onderscheiden, komt meer voor dan 'echte' kleurenblindheid waarbij een van de drie kleurwaarnemingssystemen helemaal is uitgevallen. Meestal treedt kleurenblindheid op als een of meer van de drie typen kegeltjes, die naast de staafjes een van de twee soorten lichtgevoelige cellen in het netvlies zijn, niet goed of helemaal niet werken. Kleurenblindheid is meestal een geslachtsgebonden erfelijke aandoening, hoewel er ook verworven vormen bestaan, meestal als gevolg van vergiftigingen zoals door gebruik van bepaalde geneesmiddelen.

1rightarrow blue.svg Zie ook kleuren zien

Achromatopsie[bewerken]

Achromatopsie is een zeldzame aandoening waarbij geen van de drie soorten kegeltjes functioneert. Mensen met deze gesteldheid zien de wereld in grijstinten, precies zoals de term kleurenblindheid suggereert. Deze aandoening gaat echter ook nog gepaard met verminderde beeldscherpte en moeilijkheden met het richten van de blik.

Kleurenzien en mogelijke afwijkingen[bewerken]

Spectrale gevoeligheid van de drie soorten kegeltjes.

De drie soorten kegeltjes hebben normaal gesproken hun grootste gevoeligheid in respectievelijk het gele, het groene en het blauwe golflengtegebied. Om verwarring met kleurindrukken te vermijden worden deze aangeduid met de letters L (long), M (medium) en S (short). De eerste twee soorten kegeltjes liggen ten opzichte van de blauw-gevoelige kegeltjes met hun gevoeligheidsmaximum niet ver uit elkaar.

Het kleurenzien is in de praktijk het vaakst gestoord door minder goed werkende L- of M-kegeltjes (protanomalie en deuteranomalie, vooral de laatste). Beide vormen leiden tot moeilijkheden bij het waarnemen van verschillen tussen rood en groen en worden samengevat onder de term rood-groen kleurenblindheid. Bij protanopie en deuteranopie is de functie van de L- respectievelijk de M-kegeltjes zelfs helemaal afwezig. De S-kegeltjes zijn veel minder vaak aangedaan (tritanomalie of tritanopie). Er zijn binnen de verschillende afwijkingen weer verschillende oorzaken mogelijk, zoals ontbreken van bepaalde soorten kegeltjes, minder voorkomen, of gevuld zijn met een niet goed werkend pigment. Behalve met de kegeltjes kan er ook iets mis zijn met de oogzenuw of kunnen de lichtdoorlatende onderdelen van het oog (vooral de ooglens) een kleurzweem veroorzaken, vooral bij sommige soorten staar. Al met al is 'kleurenblindheid' dus eigenlijk een verzamelnaam voor een heel scala aan verschillende afwijkingen.

Meest voorkomende vormen[bewerken]

Bij de meest voorkomende vorm, rood-groen kleurenblindheid, kan de aangedane persoon niet of niet goed onderscheid maken tussen rood- en groentinten. Dit is niet zeldzaam: ongeveer een op de twintig mannen heeft het. De meest voorkomende stoornis is hier deuteranomalie (kleurenzwakte voor groen). Onvermogen om rood te zien (1% van de mannen) of verminderd vermogen om rood te zien (nog eens 1% van de mannen) komt minder voor.

Tests[bewerken]

  • De ishiharatest: hiermee wordt de kleurenblindheid nagegaan aan de hand van een schijf met gekleurde bolletjes. De patiënt moet zeggen welke cijfers er in het bolletjespatroon verborgen zitten. Hiermee worden alleen Rood/Groen (Protan/Deutan) stoornissen getest.
  • De "Standard Pseudoisochromatic Plates" (SPP): hiermee wordt kleurenblindheid nagegaan aan de hand van een vierkant vlak met gekleurde bolletjes. De patiënt moet zeggen welke cijfers er in het bolletjespatroon verborgen zitten. Hiermee worden alleen rood/groen (Protan/Deutan) stoornissen getest.
    SPP Test: zoek het getal dat tussen de gekleurde stippen zit.
  • De "The City University" (TCU): hiermee wordt kleurenblindheid nagegaan aan de hand van 5 cirkels. Men moet zeggen welke van de 4 buitenste cirkels het meest overeenkomt met de middelste cirkel. Hiermee worden alle kleurstoornissen getest: rood (Protan), groen (Deutan) en blauw (Tritan).

Erfelijkheid[bewerken]

Rood-groenkleurenblindheid komt het meest bij mannen voor. In totaal zijn 1 op de 12 mannen kleurenblind, tegenover 1 op de 250 vrouwen.[1] Mannen zijn vaker kleurenblind omdat de betrokken genen op het X-chromosoom liggen. In tegenstelling tot mannen, hebben vrouwen twee X-chromosomen, zodat de recessieve afwijking kleurenblindheid bij vrouwen alléén voorkomt als beide X-chromosomen het afwijkende gen bezitten. De goede werking van de 'blauwe' kegeltjes wordt echter bepaald door een gen op chromosoom 7, waarvan mannen en vrouwen er even veel hebben, zodat geel-blauw-kleurenblindheid bij mannen en vrouwen even veel (dat wil zeggen weinig) voorkomt.

Geschiedenis van het onderzoek[bewerken]

De Engelse scheikundige John Dalton publiceerde in 1794 het eerste wetenschappelijke artikel over kleurenblindheid, "Extraordinary facts relating to the vision of colours" (Buitengewone feiten over het zien van kleuren) nadat hij zich gerealiseerd had dat hij zelf kleurenblind was. Naar hem wordt kleurenblindheid nog wel eens daltonisme genoemd.

Zijn hypothese over de oorzaak van kleurenblindheid was dat het te wijten was aan het verkleuren van de ooglens; daarom liet hij in zijn testament schrijven dat men na zijn dood zijn ogen moest verwijderen en dat zijn ooglenzen tegen het licht gehouden moesten worden. (De hypothese bleek niet correct.)

Maatschappelijke bezwaren[bewerken]

De zeldzame volledige kleurenblindheid gaat gepaard met een slechte gezichtsscherpte. De vaker voorkomende gedeeltelijke kleurenblindheid heeft weinig maatschappelijke gevolgen, maar er zijn beroepen waarvoor een goede kleurenzin nodig is, zoals beroepsmilitair, schilder, fotograaf, modeontwerper, kleuterleider, binnenhuisarchitect, industrieel ontwerper, piloot, treindienstleider, treinmachinist en politieagent.

Dit betekent echter niet dat een kleurenblinde per definitie uitgesloten is. Vaak wordt de gradatie bepaald waarin het voorkomt afgezet tegen de vereisten voor de functie. Zo kan een kleurenblind persoon die de ishiharatest niet haalt, een PPL halen met restrictie voor alleen overdag vliegen.

Elektricien[bewerken]

Een elektricien, die verschillend gekleurde draadjes moet kunnen onderscheiden kan ook in moeilijkheden komen. De oude kleurcodering voor lichtnetbedrading gebruikte groen en rood voor fase en nul, waardoor een kleurenblinde elektricien ze heel makkelijk verwisselt, vandaar dat tegenwoordig bruin en blauw gebruikt worden. De aarddraad is tegenwoordig tweekleurig (geel en groen) en andere tweekleurige draden zijn niet toegestaan, waardoor deze belangrijke draad voor iedereen duidelijk herkenbaar is.

Verkeerslichten[bewerken]

Voor gevaarstekens en verkeerslichten is het onderscheiden van de kleur rood belangrijk. Jaren geleden heeft men bij Belgische verkeerslichten het rood iets naar het violet verschoven en het groen iets naar het blauw. Daardoor zijn ze voor mensen met kleurenblindheid wat makkelijker te onderscheiden. Deze mensen kunnen dan echter verrast worden wanneer ze buiten België voor een rood licht staan. Natuurlijk helpt ook de vaste positie (rood bovenaan) bij het waarnemen.

Kleurenblinden kunnen geen treinmachinist worden. Toch hebben de rode seinen in Frankrijk een duidelijk paarse tint.

Evolutie[bewerken]

Gezien de hoge frequentie in onze populatie dient aangenomen dat deze erfelijke afwijking kennelijk evolutionair gezien niet leidt tot een geringere voortplantingskans. We mogen zelfs aannemen dat ze onder zekere omstandigheden zelfs leidt tot een hogere overlevingskans, anders was de afwijking allang nagenoeg uit de populatie verdwenen. Wellicht hebben kleurenzwakke en kleurenblinde personen een compenserend voordeel, bijvoorbeeld het meer letten op patronen dan kleuren wat dikwijls nuttig kan zijn; maar dit blijven speculaties. In de Tweede Wereldoorlog vlogen kleurenblinden mee in verkenningsvliegtuigen om door de (voor hen juist niet) misleidend gekleurde camouflagenetten heen te kijken en op de vorm van verborgen tanks en kanonnen te letten. Veel zoogdieren (bijvoorbeeld honden) hebben ook een duidelijk minder gedifferentieerde kleurwaarneming dan mensen, omdat ze van nature maar twee in plaats van drie soorten kegeltjes hebben. Veel vogels hebben er daarentegen zelfs vier.

Insecten hebben heel andere ogen. Van honingbijen is bekend dat ze rood niet, maar ultraviolet weer wel waarnemen.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Beluister

(info)