Antibioticum

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het klassieke begrip antibioticum heeft betrekking op stoffen van organische oorsprong die ziekteverwekkers (met name bacteriën in het lichaam) bestrijden, dit naast chemotherapeutica, stoffen die door de mens langs synthetische weg zijn bereid. Tegenwoordig wordt dit onderscheid niet meer strikt gehandhaafd en spreekt men bij alle stoffen die aan mensen kunnen worden toegediend om bacteriële infecties te bestrijden over antibiotica. Met de term chemotherapeutica worden tegenwoordig meer specifiek anti-kankermiddelen bedoeld. Middelen die ziekteverwekkers doden die zich niet in het lichaam maar op de huid of op bijvoorbeeld werkbladen bevinden worden desinfectantia of antiseptica genoemd. Er zijn twee belangrijke groepen antibiotica: de bactericide of bacteriedodende, en de bacteriostatische of bacterieremmende, die de groei voorkomen. Voor een bactericide werking (bijvoorbeeld bij penicillinen) is groei soms noodzakelijk. Dergelijke middelen kunnen, althans theoretisch gezien, beter niet met een antibioticum uit de bacteriostatische groep (zoals doxycycline) worden gecombineerd.

Geschiedenis[bewerken]

Er zijn aanwijzingen dat reeds in de Egyptische tijd een gorgeldrank op basis van appelschimmel werd toegepast. In de middeleeuwen werd ontdekt dat kwik soms goed werkzaam was tegen syfilis, maar vanwege de bijwerkingen was dit een twijfelachtig waagstuk, dat aan het Oostenrijkse hof in de 18e eeuw om die reden zelfs verboden werd.

Sinds de 16e eeuw werd ook extract van pokhout toegepast, dat minder bijwerkingen had. Aan het einde van de 19e eeuw kwamen er enkele medicamenten beschikbaar die een voor die tijd relatief gunstige verhouding tussen werkzaamheid en bijwerkingen hadden, zoals een serum tegen difterie, en Atoxyl tegen syfilis, later verdrongen door het veel minder giftige Arsfenamine, in 1909 uitgevonden door de Duitse arts Paul Ehrlich.

Het eerste echte antibioticum penicilline werd pas in 1928 door Britse arts-bacterioloog Alexander Fleming[1] geïdentificeerd als de werkzame stof afgescheiden door een bepaalde penseelschimmel, Penicillium chrysogenum. Onder andere doordat Fleming uit idealisme weigerde zijn ontdekking te patenteren, was het voor de farmaceutische industrie niet zakelijk verantwoord het in productie te nemen.

De Duitse patholoog en bacterioloog Gerhard Domagk had in 1932 ontdekt dat sulfonamide een bacteriocide was, en reeds in 1935 werd het op de markt gebracht.

Pas in 1941 verschenen de eerste publicaties van toepassing op mensen, en kwam, geholpen door druk vanuit de oorlogssituatie, de commerciële productie van penicilline op gang. Later kwam daar het streptomycine (het eerste antibioticum tegen o.a. tuberculose) nog bij, en allerlei afgeleide middelen.

De ontdekking en de toepassing van antibiotica als penicilline betekende een doorbraak in de bestrijding van ziekteverwekkende bacteriën, en er werd dan ook over gesproken als 'een wondermiddel', dat een grote effectiviteit paarde aan geringe bijwerkingen.

Antibioticum-klassen[bewerken]

β-lactamantibiotica
β-lactamantibiotica bevatten een bètalactamgroep (een ring bestaande uit drie koolstofatomen en een stikstofatoom) en werken in op de celwand van de bacteriën. Soorten: penicilline, cefalosporine, monobactam en carbapenem. Penicilline kan geassocieerd worden met clavulaanzuur. Deze stof bevat ook een β-lactamgroep, maar wordt in tegenstelling tot de antibiotica niet afgebroken door β-lactamase, een enzym dat sommige resistente bacteriën produceren, maar vormt er een stabiel complex mee, zodat het enzym geen penicilline meer kan afbreken. Een aantal gebruikers worden allergisch voor β-lactam antibiotica.
Aminoglycosiden
Aminoglycosides behoren tot de snel bactericide antibiotica. Ze remmen de eiwitsynthese van bacteriën door zich te binden aan het 30S-ribosoom, en zo de vorming van het initiatiecomplex te inhiberen. Bovendien kunnen deze aminoglycosides ook misreading veroorzaken. Van de aminoglycosides worden thans voornamelijk gentamicine, tobramycine en de semisynthetische derivaten netilmicine en amikacine gebruikt.
Tetracyclines
Tetracyclines zijn een groep bacteriostatica gebaseerd op tetracycline. De belangrijkste tetracyclines zijn tetracycline, chloortetracycline, oxytetracycline, doxycycline en methacycline. Het zijn de eerste keus middelen in de behandeling van chlamydia en rickettsia.
Macroliden
Macroliden inhiberen de translocatie-reactie ter hoogte van het 50S-ribosoom. Ze werken bacteriostatisch aan de in vivo bereikbare concentraties. Ze zijn bacteriocide tegenover de meest gevoelige bacteriën aan hogere concentraties. De belangrijkste macroliden zijn erythromycine, clarithromycine en azithromycine.
Chlooramfenicol/Thiamfenicol
Chlooramfenicol en Thiamfenicol remmen de eiwitsynthese bij de ribosomen.
(Fluor)chinolonen
De fluorchinolonen remmen het bacterieel DNA-gyrase (topoisomerase II en topoisomerase IV). Hierdoor wordt de DNA-of RNA synthese rechtstreeks geremd, wat hun bactericide werking verklaart.
Vancomycine
Vancomycine destabiliseert de celwand van de bacteriën.
Rifamycine/Rifampicine
Rifamycine/Rifampicine inhibeert het DNA-afhankelijke RNA-polymerase van de bacteriën.
Nitro-imidazoolderivaten
Nitro-imidazoolderivaten produceren superoxideradicalen die DNA van bacteriën vernietigen. vb: metronidazol. Is zeer actief tegen anaerobe bacteriën.
Sulfonamiden/Trimethoprim
Foliumzuurantagonisten leggen de foliumzuurproductie van de bacteriën lam, wat leidt tot celdood. Sulfonamiden worden niet veel meer alleen gegeven, tegenwoordig is het vooral een combinatie van sulfamiden en trimethoprim, bijvoorbeeld sulfamethoxazol + trimethoprim (co-trimoxazol). sulfamethoxazol is een analogon voor para-aminobenzoëzuur, waarvan het in de plaats met pteridine reageert en een nutteloos molecuul vormt voor de foliumzuursynthese. Trimethoprim inhibeert dan weer de omzetting van 2-dihydrofoliumzuur naar 4-tetrahydrofoliumzuur. Naast sulfamethoxazol worden de sulfonamiden sulfadiazine, sulfametrol en sulfametizol in Nederland nog wel (zelden, en afnemend) gebruikt. Bij deze middelen zijn zowel het snel optreden van resistentie als een vrij grote kans op allergische reacties een probleem.

Antibioticumgebruik[bewerken]

Het gebruik van antibiotica kan leiden tot resistenties, dat wil zeggen dat de bacteriën minder gevoelig worden voor het middel. Resistenties treden vooral op wanneer veel bacteriën met het middel in aanraking komen en met name wanneer het middel niet hoog genoeg gedoseerd is c.q. wanneer het antibioticum onvoldoende op de plek van de infectie aankomt.

Enkele micro-organismen zijn in staat om resistent te worden ondanks blootstelling aan effectieve concentraties van een geschikt antibioticum (bijvoorbeeld Mycobacterium tuberculosis), namelijk bij een te korte behandelingsduur. De meeste infecties zijn met een kortdurende behandeling goed te bestrijden; naar de kortst mogelijke behandeling is nog onvoldoende onderzoek gedaan.[2]

De moderne geneeskunde is in de loop der jaren steeds terughoudender geworden met het voorschrijven van antibiotica zonder dwingende noodzaak, om zodoende de kans op ontstaan van resistenties te verkleinen. In het bijzonder bij bijvoorbeeld verkoudheid, die meestal primair door een virus wordt veroorzaakt, hebben antibiotica geen zin.

Vanuit de alternatieve geneeskunde wordt de hypothese geopperd, dat door de antibiotica het immuunsysteem van met name kinderen geen kans heeft zich te ontwikkelen. Het zou daarom beter zijn, het kind met andere middelen te behandelen. Bij ernstige infecties zoals tetanus en tuberculose geldt het niet geven van antibiotica in de klassieke geneeskunde als grove kunstfout.

Antibioticumgebruik in de tandheelkunde[bewerken]

Voor het gebruik van antibiotica in de tandheelkunde zijn eigenlijk maar een zeer beperkt aantal indicaties. Het probleem is dat problemen met tanden / wortelresten niet goed door antibiotica te bereiken zijn.

Een aantal indicaties zijn:

  • Profylactisch bij patiënten met risico op endocarditis, of kunstheup.
  • Ter behandeling van een groot abces
  • Tegen bepaalde bacteriën die ernstige vormen van parodontitis veroorzaken, vaak voorafgegaan door een kweek om de bacteriën in kwestie te identificeren en te classificeren welke antibiotica effectief ingezet kunnen worden.

Bij kinderen die op jonge leeftijd behandeld worden met sommige soorten antibiotica (o.a. tetracyclines) kan het antibioticum zich hechten aan de tanden in ontwikkeling. Afhankelijk van het type antibioticum en de duur van de kuur kan dit zich in het blijvende gebit uiten door lelijke verkleuringen van de tanden. Kleuren kunnen variëren van groen tot donkerblauw.

Antibioticumgebruik in de veehouderij[bewerken]

Tonnage en percentage van veterinair antibioticumgebruik in Nederland in 2002[3]

De voornaamste antibiotica in de veterinaire farmacotherapie zijn de tetracyclines, sulfonamiden, aminoglycosiden, β-lactamantibiotica en de macroliden. De marktaandelen van deze stoffen verschillen per land[4], maar over het algemeen worden de tetracyclines en de sulfonamiden het meest intensief gebruikt. In Europa was in 1997 het totale gebruik 5093 ton, waarvan 1494 ton therapeutisch werd gebruikt en de rest als groeipromotors.[5] In 2011 was Nederland het land dat het meest preventieve antibiotica toediende aan het vee in Europa.[6] Gebruik van preventieve antibiotica kan tot resistentie leiden. Voorbeelden van resistente bacteriën zijn: MRSA (Methicilline Resistente Staphylococcus Aureus) en ESBL (Extended Spectrum Bèta-Lactamase).

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. http://205.188.238.181/time/time100/scientist/profile/fleming.html
  2. http://www.ntvg.nl/publicatie/39kuur-afmaken39-om-infectie-te-bestrijden-niet-om-resistentie-te-voorkomen/volledig
  3. VANTURES, MARAN-2002 - Monitoring of antimicrobial resistance and antibiotic usage in animals in The Netherlands in 2002, VANTURES, The Hague.
  4. S. Thiele-Bruhn, Journal of Plant Nutrition and Soil Sciences (2003), 166:145-167.
  5. European Agency for the Evaluation of Medicinal Products (1999). Antibiotic resistance in the European Union associated with the therapeutic use of veterinary medicines. Report No. EMEA/CVMP/342/99-Final, The European Agency of Medicinal Products (EMEA), London.
  6. Nationaal Kompas Volksgezondheid