Octrooi

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Octrooibewijs

Een octrooi of patent is een exclusief (uitsluitend) recht tot het industrieel maken of verkopen van een product of anderszins het exploiteren van een uitvinding. Een octrooi kan door de rechthebbende worden gebruikt als een monopolie op een bepaald stuk techniek.

Een octrooi geeft de octrooihouder het recht om anderen te verbieden de uitvinding bedrijfsmatig toe te passen (bijvoorbeeld te vervaardigen, in te voeren, te gebruiken, in voorraad te hebben enzovoorts). Het is echter geen actieve bescherming: de octrooihouder dient zelf stappen te ondernemen als hij vermoedt dat zijn rechten worden aangetast.

Een octrooihouder heeft niet automatisch op basis van het verleende octrooi het recht om de uitvinding toe te passen. In veel gevallen zijn daarvoor nadere vergunningen nodig, bijvoorbeeld op grond van de warenwet of op grond van de milieuwetgeving. Het is ook mogelijk dat octrooirechten van anderen toepassing van de uitvinding in de weg staan.

Definitie[bewerken]

Een octrooi is het exclusieve recht om anderen te verbieden een uitvinding toe te passen. Als iemand een octrooi heeft, wil dat nog niet zeggen, dat hij/zij de uitvinding ook mag toepassen. Dat kan in strijd zijn met wetgeving of inbreuk maken op andermans rechten. Een octrooi is het recht om anderen te verbieden te doen wat in het octrooi in de conclusies (claims) staat beschreven.

Een uitvinder krijgt daarmee voor een beperkte tijd (in de meeste landen maximaal twintig jaar, te rekenen van de indieningsdatum van de octrooiaanvraag) het exclusieve recht op het uitbaten van zijn uitvinding. Voor het geldig blijven van het octrooi dient in de meeste landen jaarlijks een taks te worden betaald. Wordt dit niet (meer) gedaan of zijn de twintig jaar voorbij, dan kan iedereen de uitvinding toepassen of kapitaliseren.

Doel[bewerken]

Octrooien hebben verschillende doeleinden.

Het octrooisysteem is bedoeld om de technische ontwikkeling vooruit te helpen. In ruil voor de openbaarmaking van de uitvinding krijgt de aanmelder octrooi. Voor de aanmelder kan dat interessant zijn om investeringen in onderzoek en ontwikkeling te beschermen. Het idee is dat zonder octrooibescherming een concurrent een product zou kunnen namaken zonder mee te betalen aan onderzoek en ontwikkeling, waardoor hij de uitvinder uit de markt zou kunnen concurreren - met het gevolg dat niemand meer in onderzoek en ontwikkeling zou investeren. Soms is geheimhouding een alternatief, maar vaak ook niet, bij voorbeeld als de constructie van een geoctrooieerd apparaat eenvoudig kan worden achterhaald door het uit elkaar te halen. Ondanks de openbaarmaking bij de octrooiverlening is de uitvinding toch beschermd, maar kan wel ter informatie dienen voor verder onderzoek. Octrooien kunnen ook gebruikt worden als ondersteuning bij de verkoop van producten en processen.

Een octrooi bemachtigen[bewerken]

Een octrooi geldt, zoals gezegd, voor één land. Om in meerdere landen octrooi te verkrijgen, moet een uitvinder in principe apart in ieder land in de taal van dat land octrooi aanvragen. In Europa echter is een groep landen tot de oprichting van het Europees Octrooibureau gekomen, dat een centrale verleningsinstantie is voor de staten die er lid van zijn. Daar kan men in één van drie talen (Frans, Duits, Engels) octrooi aanvragen voor alle of een deel van de lidstaten. Na verlening valt het octrooi uiteen in nationale octrooien. Ze krijgen in het desbetreffende land geldigheid wanneer het verleende octrooi in dat land wordt ingeschreven en jaarlijkse instandhoudingstaksen worden betaald. Met betrekking tot de voorheen bijna altijd vereiste vertaling in de taal van het land, heeft het recente (april 2008) Londen protocol bepaald dat landen die een van de drie talen van het Europees Octrooibureau als officieel erkende taal hebben geen vertaling meer mogen verlangen. Een aantal andere landen, waaronder Nederland, heeft besloten dat wanneer het octrooi verleend is in een gespecificeerde taal van de drie talen, alleen de octrooiconclusies nog vertaald moeten worden. Nederland heeft gekozen voor Engels. Wanneer het octrooi in het Duits of het Frans verleend is, moet bovendien de beschrijving in het Nederlands of Engels vertaald worden.

Voorwaarden aan het octrooi[bewerken]

Alleen uitvindingen zijn octrooieerbaar. Een octrooibureau zal dus allereerst kijken of een octrooiaanvrage wel een uitvinding betreft. Ontdekkingen als zodanig zijn bijvoorbeeld geen uitvindingen.

De basiseisen voor een octrooieerbare uitvinding zijn als volgt:

  • De uitvinding moet nieuw zijn.
  • De uitvinding moet uitvindinghoogte hebben, dat wil zeggen: niet voor de hand liggen voor een "deskundige".
  • De uitvinding moet industrieel toepasbaar zijn.

Een uitvinding[bewerken]

Octrooien worden alleen verleend op uitvindingen. Deze eis dient ter onderscheid met andere vormen van intellectueel eigendom. Vooral wordt met de eerste bepaling onderscheid gemaakt tussen octrooi en auteursrecht (maar ook gemeenschapsmodellen, merkenrecht en dergelijke).

De vraag blijft wat een "uitvinding" nou precies is. Er is geen duidelijke definitie, al vinden de meeste deskundigen in Europa dat een uitvinding een stuk techniek moet betreffen. Sinds eind 2007 bepaalt het Europees Octrooiverdrag, en ook de Nederlandse octrooiwet, dat octrooien worden verleend "op alle gebieden van de techniek". Hiermee heeft de wetgever willen bevestigen dat alleen octrooi wordt verleend op techniek, iets wat (in Europa) al veel langer werd aangenomen, als een regel van gewoonterecht die bovendien wordt bevestigd door de taal van de wet. In de Rijksoctrooiwet 1995 blijkt dit techniek vereiste bijvoorbeeld uit de bepaling over nieuwheid, die luidt 'Een uitvinding wordt als nieuw beschouwd, indien zij geen deel uitmaakt van de stand van de techniek.' Een puur abstract iets, zoals een foto of een stuk tekst, is geen techniek en kan dus niet met een octrooi beschermd worden.

De octrooiwet bevat een negatieve definitie: een aantal zaken wordt expliciet genoemd als geen octrooieerbare uitvinding. Zo zijn wiskundige methodes en ontdekkingen (bijvoorbeeld op natuurkundig vlak) uitgesloten. Een ontdekking is op zich nog geen uitvinding, maar kan wel de basis vormen van een uitvinding. De ontdekking dat een metaal stroom geleidt, kan worden gebruikt om een nieuwe elektriciteitsdraad uit te vinden.

Ook sluit de octrooiwet puur geestelijke activiteiten, werkwijzen voor het zakendoen en computerprogramma's uit van octrooi. Volgens de octrooiwet zijn deze uitsluitingen echter beperkt tot de genoemde zaken als zodanig. Een uitvinding die meer is dan een computerprogramma als zodanig mag wel worden geoctrooieerd. Hoe dit precies moet worden uitgelegd, was de afgelopen jaren onderwerp van een heftige discussie rondom softwarepatenten. In oktober 2008 zijn in dit verband een aantal vragen voorgelegd aan de Grote Kamer van Beroep van het EOB. In mei 2010 heeft deze Kamer echter om formele redenen beslist niet bevoegd te zijn hierover te oordelen, en daarbij laten doorschemeren dat dit eigenlijk meer op het terrein van de politiek ligt.

Artikel 53 somt op waarvoor geen octooirecht kan worden verleend. Dit zijn uitvindingen waarvan commerciële exploitatie zich kant tegen de openbare orde of moraliteit. Daarnaast kunnen planten- en dierenvariëteiten, en processen die in essentie van biologische aard zijn, niet worden geoctrooieerd. Ook behandelmethoden van een menselijk of dierenlichaam door operatie of therapie en diagnostische methodes die op deze worden uitgevoerd, zijn uitgesloten, met uitzondering van producten die hierbij helpen.[1]

In 2010 oordeelde het Enlarged Board of Appeal dat voor niet-microbiologische processen voor de productie van planten – welke uit stappen bestaan voor het seksueel kruisen van gehele genomen van planten en het opvolgend selecteren van planten – in principe geen octrooi kan worden verleend, omdat het in strijd is met de essentiële biologische aard.[2][3]

Nieuw[bewerken]

De eerste eis is dat een uitvinding nieuw moet zijn. Een octrooi mag niet worden verleend op iets dat al bekend was. Dat klinkt logisch, maar het is meestal de grootste angel bij het octrooi.

Een uitvinding is nieuw als ze nog niet publiek gemaakt is. De manier waarop dat gebeurt, is niet relevant. Een publicatie in een wetenschappelijk tijdschrift telt net zo zeer als een artikel in het dorpskrantje. En ook mondelinge publicaties (voordrachten, lezingen, discussies in het openbaar) tellen.

Nieuwheid is een enorme horde binnen het octrooiwezen, omdat het een overzicht vergt van de hele wereldliteratuur. De verschillende octrooibureaus beschikken over enorm uitgebreide bibliotheken van alles en nog wat en indices erbij om onderwerpen op te kunnen zoeken. En nog worden octrooien na verlening regelmatig aangevochten bij de rechter omdat ze niet nieuw zouden zijn.

Redelijk vaak wordt zo'n aanvechting gewonnen, want de "stand van de techniek" (de verzameling van alles wat bekend is in de wereld) is enorm en niemand heeft het overzicht. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat er natuurlijk alleen rechtszaken over de geldigheid van een octrooi worden aangespannen als het niet evident is of het octrooi geldig is of niet.

Overigens zijn er wel twee uitzonderingen voor openbaarmakingen die geschieden kort voor de aanvrage ingediend wordt. Wanneer een uitvinding zonder toestemming wordt gepubliceerd en met het doel de octrooiaanvraag te saboteren, of wanneer er sprake is van expositie bij een Wereldtentoonstelling (dus niet een gewone vakbeurs), telt de publicatie niet indien de aanvrage binnen 6 maanden daarna is ingediend.

Uitvinderwerkzaamheid[bewerken]

De belangrijkste eis bij een octrooi is echter niet nieuwheid, maar uitvinderwerkzaamheid. Dit noemt men ook wel "uitvindinghoogte", alhoewel dat eigenlijk een germanisme is. Een octrooi mag geen kleine en/of voor de hand liggende variatie van een al bekend apparaat, product of werkwijze zijn.

Als men een paperclip heeft, kan men een paar papieren bij elkaar houden. Las twee paperclips aan elkaar en men kan twee stapeltjes papier bij elkaar houden. Alleen ontstaat dan de vraag of zo'n dubbele paperclip nou echt een uitvinding is of niet.

In Nederland wordt voor het bepalen van de inventiviteit van een uitvinding gebruikgemaakt van de "problem-solution approach". In het Verenigd Koninkrijk gebruikt men bijvoorbeeld een andere benadering. Om te bepalen of een uitvinding inventief is wordt uitgegaan van de “gemiddelde vakman” (die tevens een team van vakmensen kan zijn).

Industriële toepasbaarheid[bewerken]

De laatste eis is dat een uitvinding industrieel toepasbaar moet zijn. Dit betekent min of meer dat een uitvinding waarop octrooi aangevraagd wordt, gebouwd moet kunnen worden, toegepast moet kunnen worden en moet werken.

"Industrieel toepasbaar" wil niet zeggen dat alleen hightech of alleen machines geoctrooieerd kunnen worden. Maar de uitvinding moet wel geschikt zijn om gemaakt te worden in de industrie.

H.G. Wells schreef ooit een verhaal over een vliegmachine die werkte met een metaal dat de zwaartekracht ophief. Daarop is geen octrooi mogelijk, want een dergelijk metaal bestaat niet en dus kan de uitvinder niet uitleggen hoe de uitvinding gebouwd kan worden. Een perpetuum mobile is in strijd met de natuurwetten en kan daarom ook niet worden geoctrooieerd (al blijven uitvinders het regelmatig proberen).

En het laatste punt zal ook duidelijk zijn: een uitvinding die gewoon niet werkt, is niet octrooieerbaar.

In de praktijk speelt het vereiste van industriële toepasbaarheid nauwelijks nog een rol. Tot voor kort was dat anders, toen - bij wijze van wettelijke fictie - methoden voor behandeling en diagnostiek uitgevoerd aan het menselijk of dierlijk lichaam niet voor industriële toepassing vatbaar werden geacht, maar tegenwoordig worden die zonder deze ingewikkelde omweg uitgesloten.

Het recht op het octrooi[bewerken]

In principe mag iedereen octrooi aanvragen – een gewoon persoon of een rechtspersoon. In principe komt het octrooi toe aan de uitvinder, of aan alle uitvinders gezamenlijk als het een groep was. Octrooi op uitvindingen gedaan door personen in dienst van een ander, komen toe aan de werkgever (bedrijven als Philips en IBM bezitten veel octrooien). Wie het octrooi ook bezit, de echte uitvinder moet op het octrooi genoemd worden ("ere wie ere toekomt").

Een aparte situatie doet zich voor in het geval van "botsing": als twee personen of instanties tegelijkertijd hetzelfde uitvinden. In dat geval geldt de regel "wie het eerst komt, die het eerst maalt". Dat wil zeggen: de eerste persoon die octrooi aanvraagt en waarvan de octrooiaanvrage gepubliceerd wordt, heeft het recht op octrooi. Degene die als eerste de uitvinding doet, heeft dus niet noodzakelijk het recht op octrooi – het recht op octrooi gaat naar de eerste die erom vraagt (uiteraard wel naar een echte uitvinder; men kan niet iemands octrooi stelen door als eerste naar het octrooibureau te gaan en de uitvinding te claimen). De Verenigde Staten vormen hierop de enige uitzondering. Daar wordt het systeem van de eerste uitvinder gehanteerd.[4] In het geval van een "botsing" is de uitvinder die het eerste succesvol was in het testen van zijn uitvinding in de praktijk degene die recht heeft op het octrooi.

Maatschappelijke plaatsing van het octrooi[bewerken]

Octrooien kunnen op gespannen voet staan met vrije marktwerking, de octrooihouder kan immers zijn concurrenten verbieden soortgelijke producten op de markt te brengen. Octrooien zijn te rechtvaardigen als de optelsom van de mogelijk negatieve effecten op concurrentiewerking en de positieve effecten op innovatie resulteren in een netto voordeel voor de maatschappij. Bovendien betreffen octrooien per definitie nieuwe producten of toepassingen, die vaak nog de weg moeten vinden naar een markt die vóór de uitvinding werd gedaan nog niet bestond. In een dergelijke nieuwe markt kan überhaupt geen sprake kan zijn van marktwerking.

Het uitzicht op het verkrijgen van een beloning in de vorm van een octrooi is bedoeld om bedrijven te prikkelen investeringen te verhogen waar uiteindelijk de gemeenschap baat bij heeft. In tegenstelling tot het bedrijfsgeheim is een octrooi publiek te raadplegen met het doel anderen te inspireren.

De octrooihouder kan een licentie verschaffen aan anderen en daarmee inkomsten genereren. Octrooien kunnen ook strategisch worden ingezet, met het doel de concurrentie te dwarsbomen en te verzwakken. Agressief strategisch gebruik vraagt om defensief strategisch gebruik door concurrenten. Dat kan tot een kostbare wapenwedloop leiden waar uiteindelijk niemand beter van wordt, behalve octrooigemachtigden en advocaten. De Amerikaanse literatuur heeft het in dit verband zelfs over "mutually assured destruction", een kreet uit de tijd van de kernwapenwedloop, met de strekking dat als iemand het in zijn hoofd zou halen een concurrent voor inbreuk aan te klagen, hij zelf meteen teruggepakt zou worden.

In Nederland rapporteerde de commissie Giskes in 2005 aan staatssecretaris Karien van Gennip: "Het is de Adviescommissie gebleken in haar rondgang dat er grote maatschappelijke onvrede heerst over de kwaliteit van octrooien in het algemeen en op het gebied van software in het bijzonder, in die zin dat men van mening is dat octrooien worden verleend op triviale of marginale uitvindingen. De Adviescommissie beveelt aan dat Nederland zijn invloed aanwendt in de Administrative Council van de Europese Octrooiorganisatie (EOO) om dit kwaliteitsprobleem te adresseren en zich er voor in zet dat de kwaliteit van verleende octrooien, in het bijzonder in het geval van software, wordt verhoogd. Dit zou kunnen door de norm voor inventiviteit aan te scherpen." Het EOB is een internationale organisatie en valt niet onder EU wetgeving; wel kan de Europese Octrooiorganisatie EU wetgeving overnemen, wat bijvoorbeeld in 1999 is gedaan voor wat betreft biotechnologische uitvindingen: Regels 26 t/m 34 EPC2000 zijn gebaseerd op EU richtlijn 98/44/EG. De Administrative Council bestaat uit door de lidstaten aangewezen leden.

In de praktijk blijken multinationals onderling vaak een juridische wapenstilstand te hebben waarbij op grote schaal kruislicenties verschaft en verkregen worden zonder geldelijke stromen. Voor grote bedrijven zijn octrooien een middel om kleinere spelers in de markt onder druk te zetten maar de praktijk van de afgelopen jaren leert dat kleine spelers ook grote bedrijven met succes kunnen aanklagen wegens octrooi-inbreuk, bijvoorbeeld Eolas versus Microsoft.

Nederland[bewerken]

De benaming octrooi wordt in de Nederlandse wetgeving gebruikt; het woord patent wordt echter ook algemeen gebruikt in een niet-officiële context voor hetzelfde begrip.

In Nederland is in 1912 een getoetst octrooi ingevoerd. Dat gebeurde doordat de Rijksoctrooiwet 1910 in werking trad. Alle vanaf 1912 ingediende octrooiaanvragen werden vanaf dat tijdstip voor de daadwerkelijke octrooiverlening getoetst aan de wettelijke vereisten zoals nieuwheid, inventiviteit (uitvinderhoogte) en industriële toepasbaarheid. Deze toetsing werd uitgevoerd door de Octrooiraad. De kwaliteit van de toetsing in Nederland door de Octrooiraad stond internationaal hoog aangeschreven.

Tegenwoordig is in Nederland de Rijksoctrooiwet 1995 van kracht. Door de oprichting van het Europees Octrooibureau (EOB) in de jaren tachtig nam het aantal bij de Octrooiraad ingediende octrooiaanvragen gestaag af. Als gevolg daarvan was het niet meer mogelijk om voor alle gebieden van de techniek deskundige vooronderzoekers in dienst te hebben en aan het werk te houden. In 1995 werd daarom de Rijksoctrooiwet 1995 ingevoerd, die erin voorzag dat in het vervolg Nederlandse octrooiaanvragen niet meer getoetst werden. Deze Rijksoctrooiwet uit 1995 is op 5 juni 2008 aangepast. Op elke aanvrage werd volgens dit "registratiesysteem" zonder inhoudelijke toetsing, een octrooi verleend. In de wet van 1995 waren er twee vormen: een octrooi dat 20 jaar geldig is, en een octrooi dat slechts zes jaar geldig is. In de aanpassing van de Rijksoctrooiwet van 2008 is het 6-jarige octrooi komen te vervallen. Om een 20-jarig octrooi te verkrijgen dient een verzoek om een nieuwheidonderzoek te worden ingediend. De uitslag van een dergelijk nieuwheidonderzoek geeft doorgaans een goede indicatie, of de geclaimde uitvinding voldoende nieuw en inventief is ten opzichte van de stand van de techniek om zinvolle octrooibescherming te kunnen geven. De uitslag is echter niet van belang voor de octrooiverlening. De toetsing aan de nieuwheid vindt pas na octrooiverlening plaats door de rechter. Het (twintigjarig)octrooi wordt dus verleend onafhankelijk van de inhoud van het nieuwheidrapport. Bij verlening van octrooien voor invoering van de ROW 1995 vond een inhoudelijke toetsing vooraf plaats.

Duits patent voor een Nederlandse uitvinding

Een verleend Nederlands octrooi kan gedurende de gehele looptijd bijvoorbeeld door een derde voor de rechter worden 'aangevallen' in een nietigheidsprocedure. De waarde c.q. kracht van een Nederlands registratieoctrooi wordt dus pas na verlening, in rechte, bepaald, althans indien het octrooi onderwerp wordt van een juridisch geschil. Voordeel van het registratiesysteem is het gemak en snelheid waarmee octrooi kan worden verkregen, alsmede de lagere kosten voor de octrooihouder.

Sommigen menen dat een registratieoctrooi de rechtszekerheid verlaagt, aangezien de geldigheid van een registratieoctrooi niet relevant is voor de beslissing om het octrooi te verlenen. Dit is maar ten dele waar. Zo geeft de uitslag van een nieuwheidsonderzoek (in het geval van een 20-jarig octrooi aanwezig en voor een 6-jarig octrooi alleen verplicht wanneer het octrooi door een derde wordt betwist) al een goede indicatie, of het octrooi op een octrooieerbare (nieuwe en inventieve) uitvinding is gebaseerd. Bovendien wordt meestal een octrooi-expert, de octrooigemachtigde, ingeschakeld om de octrooiaanvraag op te stellen.

De in 1995 nog niet afgehandelde aanvragen werden nog onder de Rijksoctrooiwet 1910 getoetst door de Octrooiraad. Gegeven het systeem van de Rijksoctrooiwet 1910 heeft het afhandelen van de aanvragen die onder de Rijksoctrooiwet 1910 waren ingediend door de Octrooiraad geduurd tot begin 2004. Op 1 september 2004 is de Rijksoctrooiwet 1910 ingetrokken en daarmee de Octrooiraad opgeheven. Ter gelegenheid hiervan is slechts een persbericht verspreid, dat de algemene pers niet heeft gehaald.

In Nederland kan nu een octrooi aangevraagd worden langs drie wegen:

  • De nationale weg, door in Nederland octrooi aan te vragen, welke aanvraag leidt tot een registratieoctrooi dat alleen voor Nederland geldig is;
  • De Europese weg, door via het Europees Octrooibureau een octrooi aan te vragen voor een aantal landen tegelijk, hetgeen na toetsing leidt tot een "Europees" octrooi, dat na verlening in een 'bundel nationale octrooien' uiteenvalt, waaronder een Nederlands deel en
  • De internationale weg, door via een door WIPO (World Intellectual Property Organization) erkende nationale instantie een internationale octrooiaanvraag (via het Patent Cooperation Treaty of PCT) in te dienen. Langs deze weg kan men een Europees octrooi (zie boven) krijgen dat geldig is in Nederland. Het is echter niet mogelijk op deze manier direct een Nederlands (ongetoetst) octrooi te krijgen, net zo min als dat langs de Europese weg het geval is.

Een in Nederland verleend octrooi biedt geen bescherming tegen namaak in Duitsland of in de Verenigde Staten, in tegenstelling tot het auteursrecht, waar internationale verdragen automatisch wereldwijde bescherming bieden. De uitvinder moet in elk land apart een octrooiaanvraag indienen om daar bescherming te krijgen. Wel kan bij het Europees Octrooibureau (gevestigd in Rijswijk) patent voor een groot aantal (ongeveer 40) Europese landen aangevraagd worden. Het EOB beoordeelt de aanvraag op inhoudelijke gronden en na verlening wordt de Europese octrooiaanvraag omgezet in een bundel nationale octrooien. Er is dus geen "Europees octrooi" dat automatisch in heel Europa geldig is. Er wordt gewerkt aan een Europese Verordening om een systeem voor een Gemeenschapsoctrooi op te zetten.

De meeste octrooiwetten geven een op zichzelf relatief eenvoudige regel omtrent de vraag, wat octrooieerbaar is, zie bijvoorbeeld het Europees Octrooiverdrag: "Octrooien worden verleend voor uitvindingen die nieuw zijn, op uitvinderwerkzaamheid (een inventieve stap) berusten en vatbaar zijn voor toepassing op het gebied van de nijverheid". Een octrooieerbare uitvinding is bijvoorbeeld een idee of uitvinding die niet vanzelfsprekend simpel is (maar wel inventief), en die wereldwijd nieuw is. De uitvinding mag dus nergens eerder zijn gepubliceerd of beschreven. Over wat 'vanzelfsprekend simpel' inhoudt, bestaan wel eens meningsverschillen. Een rechter dient dan bijvoorbeeld de knoop door te hakken. Het Europees Octrooibureau gebruikt doorgaans de 'problem-solution approach' om na te gaan of een uitvinding voldoende inventief is. De laatste jaren is er een controverse gaande over de vraag of genen octrooieerbaar zijn.

Geschiedenis in Nederland tot 1910[bewerken]

De eerste octrooien werden door de Nederlandse overheid verleend aan het eind van de 16e eeuw, enerzijds om uitvindingen en ontdekkingen te beschermen en anderzijds om door middel van premies een oplossing te zoeken voor bestaande problemen. Het eerste octrooi werd in 1584 aan Simon Stevin verleend voor een waterpomp.[5] Ook ondernemingen konden in die tijd een octrooi krijgen; in 1602 kreeg de Vereenigde Oostindische Compagnie een octrooi om handel te drijven in Indië via Kaap de Goede Hoop of Straat Magellaan.

De eerste wet op octrooien werd in Nederland ingevoerd op 25 januari 1817. Hier werd echter door Nederlandse bedrijven weinig gebruik van gemaakt. Wel probeerden buitenlandse bedrijven door middel van een invoeroctrooi hun concurrentiepositie in Nederland veilig te stellen. Op 25 juli 1867 werd deze wet echter in het geheel ingetrokken. Men vond dat een octrooiwet belemmerend op de ontwikkeling werkte.[6] In 1870 zou Nederland de Conventie van Parijs tekenen, die inhield dat Nederland haar wetgeving op industrieel eigendom zou moeten aanpassen, echter alleen voor fabrieks- en handelsmerken. Nederland kon, net als Zwitserland, nog steeds een eigen koers met betrekking tot octrooien volgen. In 1883 werd in Parijs het Unieverdrag bekrachtigd. Nadat Zwitserland in 1888 toch besloot tot invoering van octrooiwetgeving was Nederland in feite het enige Europese land waar dit nog niet was vastgelegd. Politiek gezien was deze positie van Nederland niet langer houdbaar (internationaal werd Nederland bestempeld als een volk van vrijbuiters), daarom werd in 1893 door de Nederlandse regering op een congres te Madrid de toezegging gedaan om een voorstel naar de Tweede Kamer te sturen. De discussie die dit teweegbracht zorgde ervoor dat het pas in 1905 lukte om daadwerkelijk een wetsvoorstel in te dienen (Nederland zou anders uit de Unie van Parijs worden gezet, en de fabrieks- en handelsmerken van de Nederlandse industrie verliezen). Deze wet zou uiteindelijk in 1910 door de Eerste en Tweede Kamer worden aangenomen. In 1912 werd de Octrooiraad geïnstalleerd en was de Nederlandse octrooiwet operationeel.[7]

België[bewerken]

Aanvraagprocedure voor een Belgisch octrooi[bewerken]

Een Belgisch octrooi is enkel geldig binnen België. Er waren voorheen 2 types: een Belgisch octrooi met geldigheidstermijn van 20 jaar en een Belgisch octrooi met geldigheidstermijn van 6 jaar. Tegenwoordig kan enkel nog een 20-jarig octrooi verkregen worden.

Een uitvinder kan zich voor deskundige hulp bij het doorlopen van de aanvraagprocedure richten tot een octrooigemachtigde. Dit is een specialist die de aanvrager vertegenwoordigt tijdens de aanvraagprocedure en bijstaat bij de verdere administratieve opvolging van het dossier.

Voor een Belgisch octrooi behelst de procedure van uitvinding tot octrooi de volgende stappen:

1. Nagaan van de octrooieerbaarheid

Enkel uitvindingen van technische aard komen in aanmerking voor octrooibescherming. Een uitvinding kan een product, vervaardigingsprocedé of uitvoeringstechniek zijn. Ontdekkingen, wetenschappelijke theorieën, wiskundige methoden en esthetische vormgeving zijn niet octrooieerbaar.

Een uitvinding dient te voldoen aan de criteria betreffende

  • nieuwheid;
  • uitvinderwerkzaamheid;
  • industriële toepasbaarheid.
2. Opmaken van het aanvraagdossier

Een octrooiaanvraagdossier bestaat uit de volgende documenten:

  • verzoekschrift tot verlening van een octrooi;
  • een beschrijving van de uitvinding;
  • conclusies (of claims);
  • tekeningen;
  • samenvatting (of abstract).

Voor een Belgische octrooiaanvraag is de taal naar keuze Nederlands, Frans of Duits.[8]

3. Indienen van de aanvraag

In België kan elke persoon met een woonplaats of vestiging in de EU een aanvraag voor een Belgisch octrooi indienen bij de Belgische Dienst voor de Intellectuele Eigendom. Personen zonder woonplaats of vestiging in de EU dienen via een erkende octrooigemachtigde te werk te gaan.

Bij indiening van de octrooiaanvraag wordt aan het dossier een indieningsdatum toegekend. Voor landen die het Verdrag van Parijs van 1883 hebben goedgekeurd, legt de indieningsdatum een voorrang vast in andere lidstaten van het verdrag zodat de octrooibescherming later naar deze landen kan worden uitgebreid indien gewenst. De voorrangstermijn bedraagt 12 maanden na de datum van de eerste indiening. Praktisch gezien betekent dit dat een aanvrager, na het indienen van een octrooiaanvraag, 12 maanden de tijd heeft om te beslissen in welke bijkomende landen octrooibescherming aangewezen is.

4. Onderzoek van de aanvraag

In het formeel onderzoek wordt het octrooiaanvraagdossier gecontroleerd op volledigheid en vorm. Dit onderzoek kan aanleiding tot een verzoek verbeteringen of regularisaties aan te brengen in het aanvraagdossier.

In het nieuwheidonderzoek wordt de uitvinding beoordeeld op nieuwheid en eenheid van uitvinding. Voor een Belgisch octrooi dient een nieuwheidonderzoek te worden uitgevoerd indien de volledige beschermingsduur van 20 jaar is gewenst. Een octrooi met een beperkte duur van 6 jaar kon vroeger worden bekomen zonder nieuwheidonderzoek. Het nieuwheidrapport voor een Belgische octrooiaanvraag wordt 9 maanden na de indieningsdatum geleverd.

Op basis van het verslag van het nieuwheidonderzoek wordt de aanvrager eventueel verzocht wijzigingen in het aanvraagdossier aan te brengen of de octrooiaanvraag in te trekken. Een nieuwheidonderzoek biedt geen absolute garantie tegen betwisting in de rechtbank.

5. Verlening van het octrooi

De inhoud van een octrooi blijft geheim tussen de indieningsdatum en de publicatiedatum. Achttien maanden na de indieningsdatum wordt het integrale octrooidossier gepubliceerd. Dit geldt voor zowel de Belgische, de Europese als de internationale procedure.

Een Belgisch octrooi voor 20 jaar wordt ten vroegste verleend 18 maanden na de indieningdatum en dat indien het nieuwheidonderzoek positief is.

6. Instandhouding van het octrooi

Nietigverklaring

Een verleend octrooi kan geheel of gedeeltelijk nietig worden verklaard door de rechtbank indien achteraf blijkt dat niet voldaan is aan een van de drie geldigheidscriteria. Elke partij kan een vordering tot nietigverklaring instellen tegen een Belgisch octrooi bij een Belgische rechtbank (alleen rechtbanken gevestigd in dezelfde plaats als een hof van beroep zijn bevoegd).

Inbreuk

Inbreuk, of de schending van het alleenrecht tot exploitatie van de octrooihouder, valt onder de bevoegdheid van de nationale rechtbank van het land waarin het octrooi geldt. Het is de verantwoordelijkheid van de octrooihouder om inbreuk op te sporen en aan te klagen. Elke inbreuk wordt bestraft met een onmiddellijke stopzetting van de inbreukmakende activiteiten, een boete en de verplichting tot een volledige schadeloosstelling van de octrooihouder.

Wijzigingen

Iedere verandering in de staat van een octrooi, zoals overdracht van eigendom (verkoop) of verstrekking van een licentie (toelating de uitvinding na te maken tegen betaling), dient te worden meegedeeld aan het nationaal octrooibureau, de Dienst voor de Intellectuele Eigendom.

Taksen

Om een octrooi in stand te houden dienen jaarlijks taksen te worden betaald. Het octrooi blijft geldig zolang de jaarlijkse instandhoudingstaksen worden betaald. Het is niet mogelijk het achteraf terug te ‘activeren’. Het is niet mogelijk het te verlengen na afloop van de 20 jaar.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen
  • Pieters, H. (2009) National Geographic: Uitvinders in Nederland. Den Haag: Nationaal Archief

  1. (en) Article 53 - Exceptions to patentability, The European Patent Convention, European Patent Offices. Bekeken op 14 juni 2013.
  2. (en) Case G2/07 - Decision of the Enlarged Board of Appeal, 9 december 2010
  3. (en) Case G1/08 - Decision of the Enlarged Board of Appeal, 9 december 2010
  4. Octrooicentrum.nl: Octrooien: een inleiding voor gebruikers, mr. H.W. Raven, 2007, pagina 8 en 9
  5. Nationaal Archief: Uitvindingen in het Nationaal archief. Url bezocht op 28 maart 2012.
  6. Pieters (2009) p.6
  7. Pieters (2009) p.7
  8. "Een aanvraag voor een Belgisch octrooi kan worden ingediend in het Duits, Frans of Nederlands. Voor de geldigheid in België zijn geen verdere vertalingen vereist.", Belgisch octrooi, FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, geraadpleegd 12 april 2014.