Textielindustrie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Traditionele textielnijverheid in Guatemala.

De textielindustrie is een bedrijfstak waarbij machinaal of met huisnijverheid textiel wordt geproduceerd. Het is gebaseerd op het proces van het omzetten van vezels in garen, dan stof, en dan textiel. Vervolgens kan hiervan kleding of andere artefacten gemaakt worden.

In de textielindustrie is katoen de belangrijkste natuurlijke vezel. Er is een breed scala aan technologie beschikbaar voor het spinnen en de stofvormende fase tot aan de complexe processen voor de afwerking en kleuring voor een breed gamma aan producten. Er blijft echter ook een grote industrie aanwezig die gebruikmaakt van handarbeid om gelijksoortige resultaten te bereiken.

Geschiedenis[bewerken]

De productie van geweven stoffen is één van de oudste menselijke activiteiten. De oudst bekende textiel dateren uit ongeveer 5000 v. Chr. Om textiel te maken is een bron van vezels de eerste vereiste. Hieruit kan garen worden gemaakt, voornamelijk door te draaien. Het garen wordt verwerkt door te breien of te weven, waarmee men doek creëert. Het werktuig dat oorspronkelijk werd gebruikt voor het weven is het weefgetouw. Met zogenaamde natte processen wordt doek afgewerkt tot stof. De stof kan worden geverfd, bedrukt of gedecoreerd door het borduren met gekleurde garens.

Oudheid[bewerken]

Het Oude Egypte.
Handweven, 1568.
Handweven, 1750.

De ontwikkeling van spinnen en weven van katoen is omstreeks 3400 v.Chr. in het Oude Egypte begonnen. Ook de zijdecultuur kan bogen op een lange geschiedenis; vanaf 2600 v.Chr. wordt in China zijde gesponnen en tot stoffen geweven. Er zijn bronnen die veronderstellen dat de textiel- en weefkunst al veel ouder is (20.000 v.Chr.)[bron?], uit een van de belangrijkste vondsten van de laatste decennia, de ijsmummie Ötzi, blijkt in ieder geval dat hij in die tijd (3100 v Chr.) nog geen geweven textiel droeg.

In de Romeinse tijd werd de Europese bevolking gekleed met wol, linnen en leder. Het gebruik van vlasvezels in de productie van doek in Noord-Europa dateert uit neolithische tijden. De katoen van India was een curiositeit, en zijde geïmporteerd via de zijderoute van China was een extravagante luxe.

Textiel was een product van huisnijverheid. Dit werd oorspronkelijk bedreven om te voorzien in eigen behoefte, waarbij men kan denken aan het onderhouden van de moestuin of het naaien van kleren. Het kon echter ook zijn dat men met een bepaalde productie de eigen behoefte oversteeg en het overschot ruilde met de buren voor weer andere goederen.

Middeleeuwen[bewerken]

Reeds in de late middeleeuwen bestond het thuiswerken in de lakennijverheid, in de streek van Ieper tot Oudenaarde maar ook rond Leiden. Laken was al bekend bij de Kelten[bron?] en werd na de verovering van Gallië ook populair bij de Romeinen.[bron?] Vanaf de late middeleeuwen werd de stof populair onder grote delen van de bevolking, vooral omdat hij slijtvast en vuil- en waterafstotend was. Hierdoor ging laken kleding lang mee en had zij weinig onderhoud nodig.

De lakennijverheid had de neiging zich in bepaalde gebieden te concentreren, zoals Noord-Frankrijk, Vlaanderen en Holland. Tussen 1150 en 1400 vond de voornaamste productie plaats in diverse Vlaamse steden, maar na 1400 groeide de lakenindustrie van Leiden uit tot de belangrijkste in Europa.[bron?] In Leiden werd de productie voor het eerst geïndustrialiseerd. Het productieproces vond niet langer in zijn geheel binnen één bedrijf plaats, maar werd uitgevoerd door diverse bedrijven volgens een strikte taakverdeling, waarbij in diverse stappen halffabricaten werden geproduceerd. Het gehele productieproces stond onder strenge controle. Hiermee werd een constante hoge kwaliteit van het laken bereikt, waardoor Leids laken zeer gewild was.

In 1417 besloot de Hanze dat alleen gekeurd Leids laken mocht worden verkocht. Na 1500 nam de concurrentie uit andere delen van Europa toe, met name uit Engeland, en verloor Leiden zijn leidende positie in de lakenproductie. In Italië werd Florence een belangrijk centrum van de lakennijverheid.

Opkomst marktgerichte productie[bewerken]

Voorafgaande aan de mechanisatie in de 18e eeuw vond er in het thuiswerken in de textielnijverheid een overgang plaats naar marktgerichte productie. Aanvankelijk werkten de boeren die zich een weefgetouw konden veroorloven (soms op afbetaling), vooral in de winter voor de lakenhandelaar of tapijtenfabrikant. Het loon van de thuisarbeiders werd per stuk berekend, het zogenaamde stukloon.

Rond de textielnijverheid waren sinds de middeleeuwen verschillende gildes actief. Zo bestonden er bijvoorbeeld in het 14e-eeuwse Helmond zeven gilden: Dat van de teullieden of landbouwers, de bontmaeckeren (bont- en pelsmakers), de bakkers en de slagers, het zogeheten Laagambacht (smeden, tingieters etc.), de wevers, de volders, en de snyders en droogscheerders. Het laatste viertal gilden had met textiel te maken, en drie daarvan hadden rechtstreeks met de lakennijverheid van doen.

Een volgende stap in de thuisnijverheid was dat men ging produceren in opdracht van de koopman, die dan een fabrikeur of commissionair werd genoemd en waarbij men vaak ook de grondstoffen of halffabricaten kocht. Geleidelijk leidden deze ontwikkelingen tot de concentratie van werkzaamheden in speciaal daartoe ingerichte gebouwen, die fabriekshuizen werden genoemd. Deze vormden de voorlopers van de latere fabrieken.

Katoenindustrie[bewerken]

Sinds de late middeleeuwen raakte in het noorden van Europa katoen bekend als een van de geïmporteerde vezels. Tegen het einde van de 16de eeuw werd katoen verbouwd in de warmere streken in Azië en het Amerikaanse continent.

Tegenwoordig wordt katoen geproduceerd in alle delen van de wereld, waarbij katoenplanten worden gebruikt die selectief zijn gekweekt zodat elke plant meer vezel opbrengt. In 2002 werd er katoen geteeld op 33 miljoen hectare landbouwgrond. Dit leverde 21,3 miljoen ton ruwe katoen op, met een waarde van 20 miljard dollar.[bron?]

Massaproductie[bewerken]

Weefmachine, 1835.
Fabriekshal ingericht met 1200 weefmachines, 1877.

Uitvindingen als de schietspoel van John Kay in 1733, de Spinning Jenny van James Hargreaves in 1764, en de spinmachine van Richard Arkwright in 1769, maakten goedkope massaproductie in het Verenigd Koninkrijk mogelijk. De productiecapaciteit werd nog verder verbeterd toen Eli Whitney in 1793 een machine uitvond die de katoenvezel snel kon scheiden van de zaaddozen en de vaak kleverige zaden.

Vanaf 1769 werd de stoommachine flink verbeterd door onder meer James Watt. Een grote verandering voltrok zich hierdoor in de textielnijverheid. Door de bevolkingstoename en de koloniale expansie begon ook de vraag naar katoenen producten snel te stijgen. Omdat de spinners en de wevers de grote vraag niet konden bijhouden, was er dringend behoefte aan een door een krachtbron aangedreven mechanisch weefgetouw, het power loom.

Er werd een weefgetouw met halfautomatisch schietspoel uitgevonden en er kwam een machine waarmee meerdere draden tegelijk konden worden gesponnen. Deze Spinning Jenny, bedacht door James Hargreaves, werd in 1779 gevolgd door een sterk verbeterd weefgetouw: de Mule Jenny. In het begin werden ze nog met waterkracht aangedreven, maar na 1780 was de stoommachine zover verbeterd dat deze ook in de fabrieken als aandrijving gebruikt kon worden. Er kon nu veel meer textiel worden geproduceerd. Dat was ook nodig, want in 1750 had Europa 130 miljoen inwoners, maar in 1850 was dit aantal al verdubbeld. Al die mensen hadden kleding nodig. Dankzij de machines werd er sneller en goedkoper geproduceerd en bleven de loonkosten laag. De textielindustrie is een van de aanjagers van de industriële revolutie geweest.

Synthetische vezels[bewerken]

Eind 19e eeuw zijn de eerste kunstmatige vezels gemaakt. Omdat de natuurlijke vezels bestaan uit lange moleculen, de macromoleculen, werd gezocht naar geschikte moleculen die uit goedkope natuurlijke grondstoffen gehaald konden worden. Hiervoor is het cellulose-molecuul uit hout gebruikt. Hieruit is de eerste kunstmatige vezel op natuurlijke basis gemaakt: rayon.

In de 20e eeuw werd gezocht naar synthetische macromoleculen waaruit vezels gemaakt konden worden. In 1938 werd de eerste geheel synthetische vezel ontdekt: nylon, een polyamidevezel. Hierna zijn nog zeer veel andere vezels ontwikkeld, zoals polyester, polyacryl, polyurethaan, polyetheen, polypropeen en aramide.

Nederland[bewerken]

In Nederland was de textielindustrie in 1950 nog goed voor ongeveer 20 procent van de industriële toegevoegde waarde, maar in 2002 was dit gezakt naar 2,3 procent.[1] Deze neergang is te wijten aan de groeiende concurrentie uit het buitenland. Na de oprichting van de EEG in 1957 nam de handel binnen Europa toe en verdwenen allerlei handelsbelemmeringen. Ook van buiten Europa nam de concurrentie toe, met name door de lagelonenlanden.

Specifieke plaatsen, waar de textielindustrie een significante invloed hadden zijn:

Een specifieke plaats waar de textielindustrie tegenwoordig een significante invloed heeft is Wormerveer. Hier staat de wereldwijde primeur op het gebied van textielrecycling; de eerste automatische sorteermachine van het consortium T4T. Het consortium ontving subsidie van de EU om eerder beschikbare technologie door te ontwikkelen voor gebruik op industriële schaal.

België[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. De neergang van de textielindustrie, CBS, Webmagazine, 26 januari 2004