Mule Jenny

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Replica van een Mule Jenny
Originele Mule Jenny gebouwd door Samuel Crompton. Museum van Bolton in Engeland

De Mule Jenny (of Spinning Mule) was een spintoestel, uitgevonden rond 1779 in Engeland.
Het toestel werd uitgevonden door Samuel Crompton, ten tijde van de Industriële revolutie, die niet lang daarvoor begonnen was in het Verenigd Koninkrijk.

Voor de uitvinding van de Mule Jenny moest men zich behelpen met het Waterframe, uitgevonden door Richard Arkwright en de Spinning Jenny, uitgevonden door James Hargreaves. Het nadeel aan de Spinning Jenny, die al dateerde van 1764, was dat die enkel fijne breekbare draad kon spinnen, die enkel geschikt was voor de inslag. In 1769 volgde een verbetering met de uitvinding van de Waterframe, die werkte op waterkracht, maar die kon enkel grove, sterke draad spinnen, die geschikt was voor schering. In 1779 ten slotte, werd een combinatie van beide machines ontwikkeld, de Mule Jenny, die zowel sterkere als fijnere draden kon spinnen, nodig voor het weven van puur katoenproducten. Men was niet meer afhankelijk van een linnen ketting(schering). Alles in een ontwikkeling naar een grotere garenproductie om de veel grotere vraag naar weefsels bij te houden. Het duurde nog tot 1780 echter vooraleer spintoestellen aangedreven werden met stoomkracht.

Mule Jenny in Gent dankzij Lieven Bauwens[bewerken]

Lieven Bauwens werd in 1769 geboren in Gent. Hij was als jongen reeds bezeten van machines. Toen hij 17 jaar was werd Bauwens door zijn vader naar Groot-Brittannië gestuurd, om daar de techniek van het leerlooien te bestuderen, waarna hij met succes de leerlooierij van zijn vader moderniseerde. Als industrieel spion maakte Bauwens een aantal reizen naar Groot-Brittannië en wist o.a de Mule Jenny en geschoold personeel naar het vasteland te smokkelen. Hiervoor werd hij door de Britten ter dood veroordeeld. Met zijn gesmokkelde machines richtte Bauwens twee katoenspinnerijen op, in 1799 in Parijs en in 1800 een in Gent, met name in de Oude Abdij van Drongen. In die periode, -het was de tijd van de Franse bezetting-, was hij ook gedurende een jaar burgemeester van Gent. Als ondernemend industrieel werd hij in 1810 door Napoleon te Gent bezocht en onderscheiden met het kruis van Légion d'honneur.

Smokkel van machines in onderdelen[bewerken]

Toen vader stierf namen Lieven en zijn broer François de zaken over. Ze richtten nieuwe bedrijven op, onder andere een handel in Engeland in koloniale waren (Indisch katoen, koffie, suiker), die als dekmantel diende om onderdelen van de Mule Jenny te smokkelen van Engeland naar het vasteland. Deze stukken had hij via een stroman gekocht bij constructeur Adam Parkinson in Manchester, onder het voorwendsel dat hij elders in Engeland een bedrijf ging oprichten. Dit was een riskante onderneming, omdat de Engelsen met de doodstraf dreigden voor iedereen die de nieuwe machine zou doorverkopen. Met de behaalde winsten kochten ze in 1796 het klooster van de Minderbroeders in Passy en het Hôtel Richelieu in Parijs. In 1798 kochten ze het Kartuizerklooster in Gent en het Norbertijnenklooster in Drongen. Maar in die tijd was het ook oorlog tussen de Fransen en de Engelsen. Van de Fransen had Bauwens portvrijstelling bekomen voor al zijn goederen. Met veel listen en veel goud kocht hij delen van de Mule Jenny, die hij dan in kisten suiker of in balen koffie naar het vasteland zond.

Werven van vakmensen[bewerken]

Het ging hem niet enkel om machines. Bauwens moest ook mensen vinden met de nodige kennis en de ervaring om ze te monteren en om ermee te werken. Het werven van deze mensen kostte Lieven heel wat moeite. Vooreerst moesten zijn vertegenwoordigers in Londen al hun overtuigingskracht aanwenden om de Engelse arbeiders met mooie beloftes naar Hamburg of Schotland te lokken. Hij beloofde hen dat wanneer ze op zijn voorstellen ingingen, ze financieel een paar jaar op rozen zouden zitten. Velen hebben zo hun familie in Engeland achtergelaten zonder te beseffen dat ze zich met industriële spionage bezighielden en er voor hen geen terugkeer mogelijk was. Daarbij komt nog dat ze aan de kant gezet werden nadat ze goedkopere autochtonen hadden opgeleid. Maar op 12 november 1798 liep het grondig fout. De laatste onderdelen waren ingeladen en hij had een 40-tal Engelse spinners, meestergasten en mekaniekmakers aangeworven, met de idee om met hen in Gent een nieuw spinnersbedrijf op te richten. De echtgenote van een werkmeester verklikte de zaak echter aan de politie. Lieven had nauwelijks de tijd om in te schepen naar Hamburg. Zijn schip werd gevolgd door verschillende Engelse schepen. Zelfs in Hamburg lieten de Engelsen hem niet los. Ze eisten zijn uitlevering en alleen door omkoping met veel goud kon hij opnieuw vluchten. In Engeland werd zijn huis doorzocht, er werd een prijs op zijn hoofd gezet en zijn koopwaren werden verbeurdverklaard. De medeplichtigen werden veroordeeld tot gevangenisstraf en boetes.

Tenslotte kreeg Bauwens de Mule Jenny aan het draaien. De productie kon beginnen. Zijn broer produceerde in de fabriek te Parijs meer dan 2.000 Mule Jenny's.

Spinnerijen in Gent[bewerken]

Ondertussen hadden de zussen van Lieven ook niet stilgezeten. Ze trouwden met andere industriëlen en het is alzo dat Lieven terug naar Gent kwam. Kort na 1800 opende hij in Gent een mechanische katoenspinnerij in het Kartuizerklooster (heden instituut Sint Jan de Deo aan het Fratersplein). Al gauw vervaardigden 3.000 werklieden bij hem katoen, bazijn, percale, piqué en batist. Bauwens verkocht zijn machines aan de industriëlen die met zijn zussen getrouwd waren : Heyndrickx, Guinard, Heyman en de katoendrukker De Vos die in het Victorinenklooster aan de Groene Briel een fabriek opstartte. Maar ook aan anderen, zoals aan Rosseel en Lousbergs verkocht hij machines. Deze laatste gebruikte het Capucinessenklooster aan de Reep (de huidige Sint Bavoschool). Zo werd Gent in korte tijd het Belgisch Manchester. De sinds 2 eeuwen ingedommelde stad herleefde en haar bevolking groeide snel.

Gevangenen als arbeiders[bewerken]

Ondertussen (1802) had Bauwens het zelfs gedaan gekregen dat de 7 à 800 gevangenen in het Rasphuis (provinciale gevangenis aan de Coupure) voor hem werkten (tegen water en brood). Hetzelfde gebeurde in Vilvoorde en in Hemiksem bij Antwerpen. In 1805 richtte hij in de oude abdij van de Norbertijnen te Drongen een 3e katoenspinnerij in, doch ditmaal met toepassing van de stoommachine. Ook in Dinant had hij een fabriek.

Val Lieven Bauwens[bewerken]

Tot 1811 ging alles goed, maar de Continentale blokkade deed zich gevoelen. Het ging met de katoenindustrie steeds minder goed. Bauwens had weinig financiële reserve, want alles was geïnvesteerd in machines en gebouwen. Hij incasseerde verliezen en moest de helft van zijn arbeiders ontslaan. De val van het keizerrijk van Napoleon sleepte Bauwens met zich mee. Hij poogde nog vruchteloos de hulp van de Prins van Oranje in te roepen, maar die kwam te laat en Bauwens ging failliet. Hij liet zijn fabrieken over aan zijn schuldeisers en trok zich terug in Parijs.

Mule Jenny in het museum[bewerken]

De Mule Jenny kan men bezichtigen in het Museum voor Industrie, Arbeid en Textiel (MIAT) dat gevestigd is in een voormalige Gentse katoenspinnerij.

Externe links[bewerken]