Vlas (gewas)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vlas
Linum usitatissimum bgiu.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: 'nieuwe' Tweezaadlobbigen
Clade: Fabiden
Orde: Malpighiales
Familie: Linaceae (Vlasfamilie)
Geslacht: Linum (Vlas)
Soort
Linum usitatissimum
L. (1753)
Dwarsdoorsnede van een vlasstengel. 1=merg; 2=primairxyleem; 3=xyleem; 4=floëem; 5=sklerenchym (de vezel); 6=cortex; 7=epidermis
Dwarsdoorsnede van een vlasstengel. 1=merg; 2=primairxyleem; 3=xyleem; 4=floëem; 5=sklerenchym (de vezel); 6=cortex; 7=epidermis
Vlasveld raatakkers Wekeromse Zand
Vlasveld raatakkers Wekeromse Zand
Zaaddozen
Zaaddozen
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Vlas (Linum usitatissimum) is een plant uit de vlasfamilie (Linaceae). Het is een gewas dat al lang verbouwd wordt. Er zijn blauwbloeiende en witbloeiende rassen. Daarnaast zijn er rassen met bruine zaden en rassen met gele zaden. De zaden zijn ongeveer 5 mm lang. De rassen kunnen naar gebruik als volgt worden ingedeeld:

Planten van olievlas zijn korter en meer vertakt dan die van vezelvlas en worden verbouwd voor de zaden waar olie uit gewonnen wordt.

Vezelvlas[bewerken]

Vezelvlas wordt geteeld om de vezel. De vezel bestaat uit een bundel van cellen, waarvan de celwanden verdikt zijn met cellulose. Om de vezelbundel zitten gelignificeerde cellen, de houtpijp.

Belangrijk is dat de plant tussen de 80 en 120 cm lang is, maar desondanks niet legert en pas zo hoog mogelijk vertakt. Vlas wordt in de eerste helft van april gezaaid. Het bloeit in juni en wordt geoogst in de tweede helft van juli.

De vlasplant wordt met wortel en al uit de grond getrokken om een zo lang mogelijke vezel te behouden. Vroeger gebeurde dit met de hand en werd het vlas in schoven gezet. Dit gaf het typische beeld van de "vlaskapelletjes": kleine bosjes drogend vlas. Tegenwoordig gebeurt het trekken meestal machinaal en wordt het vlas plat op de grond gelegd, een bewerking die in het vakjargon slijten wordt genoemd.

Dat het vlas niet onmiddellijk van het veld wordt verwijderd heeft te maken met het rotingsproces, het roten. Hierdoor wordt de pectine die het lint bindt aan de vezel verwijderd. Dit heet dauwroten. Het vlas wordt dus terug plat op de akker gelegd en moet gekeerd worden, om een egale roting te verkrijgen. Ook hiervoor zijn er aparte machines ter beschikking. Tijdens het zogenaamde keren kan het vlas ook ontzaad worden. Dit is het keerrepelen, waarbij de zaadbollen enkele dagen later bij het keren verwijderd worden. Bij het trekrepelen wordt tegelijkertijd het stro van de zaadbollen ontdaan. Het trekken geeft het al of niet ongerepelde vlas.

Bewerkingen[bewerken]

In de oude situatie werd het vlas niet op het veld gedauwroot. Het ongerepelde vlas werd opgeslagen in grote vlasschuren. Daarna werd het gerepeld. Bij het repelen wordt de zaadbol van de stengel verwijderd. Voor het verwijderen van de bast moet het vlas daarna geroot worden. Vroeger gebeurde dat in de rivier (daarom werd in België de Leie de "gouden rivier" genoemd). In Nederland gebeurde dit onder andere in de Binnenmaas in de Hoekse Waard en het Waaltje, een dode rivierarm die door en langs de dorpen Heerjansdam en Rijsoord loopt. Ook vennen, waarvan sommigen nog steeds 'Rootven' genoemd worden, werden voor dit doel gebruikt. Later werd het rootproces ook uitgevoerd in grote betonnen bakken met meestal een inhoud van 100 kubieke meter. Daarin werd het vlas 100 uur in water van 100 graden Fahrenheit (37,8 °C) ondergedompeld. In dorpen zoals 's-Gravendeel en Rijsoord stonden tientallen van deze bakken. Dit proces leverde de mooiste kwaliteit linnen op. De vlaswerkers hadden echter nogal eens te kampen met vlaskoorts, veroorzaakt door de boterzuurbacterie die bij het roten vrijkwam. Sinds 1968 is deze wijze van werken snel teruggelopen door de concurrentie uit onder andere Rusland.

Tegenwoordig gebeurt het roten op het veld (dauwroten). Door het gerote vlas te braken en te zwingelen (hout uit de vezel verwijderen) komt de vezel vrij (lange vezel). De stukjes kern (houtpijp) worden scheven genoemd. Deze scheven worden (als toevoeging) gebruikt in meubelplaten, bouwplaten en isolatiemateriaal. Bij het zuiveren van de scheven komt nog wat vlasvezel vrij (kortevezel) dat samen met lompen wordt vermalen tot grondstof voor de papierfabricage. Hier wordt oud-Hollands papier, bankpapier of sigarettenpapier van gemaakt. Ook kan het verwerkt worden in isolatiemateriaal en producten voor vormdelen in auto's.

Na het zwingelen wordt gehekeld. Hierbij worden de vezels tot hekelband gemengd. De lange vlasvezels worden gekaard en gekamd om ze geschikt te maken voor het spinnen van fijne garens. Het vlasgaren wordt geweven tot doek en na bleking geeft dit het gebleekte linnen. De hekelsnuit, de kamresten en de andere korte vezels worden gekaard waarbij alle vezels in dezelfde richting komen te liggen en gesponnen tot lokkengaren, grove draden (vlastouw, werk of etoupe). De korte vezels, hede genaamd, worden ook gebruikt voor de productie van touw dat door twijnen of slaan verkregen wordt.

Op de vlasplant zitten even veel korte als lange vezels, welke tegenwoordig ook droog gesponnen tot middelmatig fijne garens kunnen worden verwerkt of d.m.v. cotonisatie (verder ontbinden van de vezels door chemicaliën) of versnijden op katoenmachines goedkoop kunnen worden gesponnen.

De fijnste lange vezels worden op natspinmachines (de lont loopt hier via warm water) tot uiterst fijne garens gesponnen die door het gebruikte water zoveel cohesie hebben gekregen, dat ze weinig uitstekende vezels hebben en meteen geschikt zijn om als ketting te worden gebruikt (zonder eerst gelijmd (gesterkt) te worden). Dit maakte het vlasgaren lang een ideaal kettinggaren tegenover katoen, dat in enkeldraads steeds gesterkt moet worden.

Tot in de achttiende eeuw was de vlasvezel in Europa naast wol de belangrijkste grondstof voor textiel, maar in de negentiende eeuw is hij als zodanig verdrongen door katoen. De teelt kan zich nu alleen nog staande houden met behulp van subsidies.

In Europa is de vezelvlasteelt voor linnen geconcentreerd in Zuid-Nederland (Zeeuws-Vlaanderen), België en Noord-Frankrijk. Ook Normandië heeft zijn "capitale du lin". In Nederland wordt vlas zowel voor de vezel als voor zaaizaad geteeld. De vlasteelt binnen de drie klassieke productielanden is mede dankzij een gerichte promotie in de laatste 25 jaar bijna verdriedubbeld en omvat meer dan 100.000 hectare. Meer dan 70 % van het linnen heeft bestemming mode. Productie daarvan geschiedt in lage-loonlanden welke zonder verwerking van vezel afkomstig uit West-Europa onmogelijk een product kunnen fabriceren dat aan de kwaliteitseisen voor de rijke wereld voldoet. De expansie van de markt voor vezelvlas heeft bijna geheel op Franse bodem plaatsgevonden, van 25.000 naar 75.000 ha, mede dankzij de ontwikkeling van eigen Franse vlasrassen. De tijd dat Nederland toonaangevend was als exporteur van zaaizaad is inmiddels lang voorbij. Dit is mede oorzaak van het feit dat het vlasareaal in Nederland niet explosief is gestegen.

Ziekten en beschadigingen[bewerken]

Een ruime vruchtwisseling van 1 op 7 moet veel ziekten bij vlas voorkomen. Vlasbrand (Pythium megalacanthum) bijvoorbeeld tast de planten aan vanuit de grond.

Fotogalerij[bewerken]

Externe links[bewerken]