Wol

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Wol in verschillende kleuren

Wol bestaat uit zachte, dunne haren van de vacht van sommige dieren. Mensen gebruiken wol (meestal afkomstig van schapen) voor kleding, dekens en dergelijke. De meeste wol wordt geproduceerd in Australië, China en Nieuw-Zeeland.

Wol onderscheidt zich van haar omdat het schubben heeft, waardoor er zaden en takjes in blijven hangen. Hierdoor wordt de huid van het schaap beschermd tegen beschadigingen. Een schaap kan dan ook zonder schade door doornige begroeiing lopen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een koe. Verder is wol gekroesd. Het heeft tot 20 bochten per 2,5 centimeter. Hierdoor wordt de lucht goed vastgehouden, waardoor wol een goede warmte-isolator is. Deze isolerende buitenlaag voorkomt dat een schaap zijn lichaamswarmte verliest. Beide eigenschappen, de schubben en de kroes, maken dat wol ook makkelijk gesponnen kan worden. De vezels haken namelijk makkelijk in elkaar en blijven daarna aan elkaar vastzitten.

Soorten wol[bewerken]

  • Scheerwol is de onbeschadigde wol, geschoren van een gezond en levend schaap. Scheerwol is in een winkel te herkennen aan het internationale wolmerk, dat in meer dan 100 landen wettelijke bescherming geniet.
  • Blootwol of plootwol is wol van een dood schaap. Het wordt verkregen door een chemische behandeling van de huiden van geslachte schapen.
  • Scheurwol verwijst naar wolsoorten van mindere kwaliteit, herwonnen uit gedragen kleding of uit garen en weefselafval van de textielindustrie.
  • Kunstwol is wol die voorkomt uit hergebruik. Het is niet rechtstreeks afkomstig van het dier, maar is gewonnen uit wol bevattende lompen.

Sommige materialen hebben een structuur die aan wol doet denken, maar zijn geen wol:

De wolvezel[bewerken]

Wolvezels variëren in dikte, tussen 10 micrometer voor de fijne wol in de binnenvacht van het Merino schaap tot 40 micrometer in de buitenvacht van het Shetlandschaap. De dunste vezels geven de minste irritatie op de huid. Sommige mensen kunnen echter zelfs niet tegen de fijnste wol, en worden gek van het gekriebel. De meeste mensen krijgen last van kriebelen als de wol dikker is dan 28 micrometer. Dit wordt het jeukpunt genoemd.

Van buiten naar binnen bestaat de wolvezel uit vier lagen:

  • De hoornachtige schubbelaag (cuticula)
  • Een tussenmembraan (subcutis)
  • Een schorslaag (cortex)
  • Het merg (medulla)

De wol die op een schaap groeit is niet overal gelijk, waardoor ook de kwaliteit verschilt. Men onderscheidt:

  • Wol van de flanken, schouders en rug
  • Wol van de dijen
  • Wol van de buik
  • Wol van de overige delen.

Eigenschappen van wol[bewerken]

Wol is een goede isolator tegen kou. Dit komt doordat er tussen de kleine gekrulde vezels van de wol zich veel stilstaande lucht bevindt. Stilstaande lucht geleidt warmte zeer slecht. Alleen als het hard waait heeft wol minder goede eigenschappen. Wol kan veel vocht (tot 40% gewichtsprocenten) uit de lucht opnemen zonder zelf vochtig aan te voelen. Tot een vochtgehalte van 17% treedt geen verandering van de eigenschappen van de vezels op.

Wol heeft van nature een hoge elasticiteit. Dit betekent dat wol de neiging heeft terug te keren naar zijn oorspronkelijke vorm. Het is dus een veerkrachtige vezel, waardoor wollen kleding zacht aanvoelt en een wollen trui kriebelt omdat de wolvezels uitsteken uit het garen. Wollen kleding kreukt snel maar de kreuken verdwijnen ook weer, net als ingeperste plooien. Een ander nadeel van wol is dat het makkelijk pluist, en moeilijk wasbaar is.

Wol heeft een hoge rek en kan 30 tot 40% worden uitgerekt zonder te breken. De treksterkte van de vezel is veel lager dan die van vele andere vezels (linnen, katoen of synthetische vezels).

Toepassing van wol[bewerken]

Wol wordt toegepast in:

Tegenwoordig (2003) wordt wol, bij het verdwijnen van de deken uit de slaapkamers, ook toegepast in dekbedden.

Productie van wol[bewerken]

De productie van wol vindt plaats in een groot aantal stappen. Hieronder wordt het houden en fokken van schapen daarbij nog buiten beschouwing gelaten.

Scheren[bewerken]

Schaapscheren

Schapen worden elk jaar in het voorjaar geschoren. Een ervaren scheerder kan tot ongeveer 150 schapen per dag scheren. Tijdens het scheren blijft ongeveer 2 centimeter wol staan.

Na het scheren wordt de vacht opgerold en verpakt in balen, die elk 170 kilogram wegen. Het schaap wordt soms na het scheren door een ontsmettend bad gestuurd, waarbij parasieten gedood worden. Sommige dierenbeschermers zijn van mening dat de schapen veel stress ervaren door dit scheren, en door de plotselinge blootstelling aan de buitenlucht. Veganisten zien op dezelfde grond dan ook af van het gebruik van wol.

Reinigen[bewerken]

Geschoren wol van een merinoschaap

De wol die van een schaap afkomt is vervuild met vet, zweet, gras en andere plantaardige resten. Rond de anus van het schaap zit ook ontlasting. Door de wol te wassen, wordt het vuil verwijderd. Voor het spinnen is het echter nuttig als de wol nog enigszins vet is. Van nature bevat wol lanoline. Dit is een grondstof die onder andere in cosmetica wordt gebruikt.

Kaarden[bewerken]

Voor het spinnen wordt de wol gekaard. Daarbij worden de vezels ontward. Het kaarden gebeurt met een kam met stalen punten. Machinaal gebeurt dit met een snel ronddraaiende cilinder voorzien van stalen punten of zelfs een naaldenbed. Vroeger werden hiervoor de vruchten van een plant, de kaardenbol gebruikt. Met het kaarden verdwijnen ook de laatste restanten vuil. Na het kaarden kan er eventueel direct gesponnen worden. Voor een fijner resultaat moet echter eerst nog gekamd worden Om een betere regelmatigheid in het uiteindelijke garen te krijgen, dienen ook diverse rek- en doubleerpassages toegepast te worden, waarbij de lont steeds regelmatiger en dunner wordt.

Spinnen (twisten)[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie spinnen (textiel) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Hoe fijner de wolvezel, des te dunner kan de draad gesponnen worden. Tijdens het spinnen wordt de wol in elkaar gedraaid. Hierdoor worden de vezels met elkaar verbonden en wordt de draad sterker. Het aantal draaiingen waarmee het garen gesponnen wordt, noemt men de hoeveelheid twist. Door te spinnen ontstaat een enkele draad.

Noppen[bewerken]

Het verwijderen van oneffenheden in de gesponnen draad in de vorm van knoopjes en losse uiteindjes noemt men noppen.

Twijnen[bewerken]

De enkele draad die na het spinnen is ontstaan, wordt met één of meer andere draden in elkaar gedraaid, waardoor een dikker en/of steviger resultaat ontstaat. Dit in elkaar draaien van meerdere draden heet twijnen en gebeurt meestal in de tegengestelde draairichting van het spinnen om het volume en de sterkte te verbeteren. Hierdoor wordt voorkomen dat de draden overtwist worden en de extra sterkte door het twijnen weer verliezen.

Zetten of fixeren[bewerken]

Om te voorkomen dat de gesponnen garens weer losdraaien, wordt de wol soms gezet. Dit is vooral nodig voor gebruik in tapijt, omdat daar korte draadjes wol voor worden gebruikt. Het zetten gebeurt chemisch, of met gebruik van stoom in een autoclaaf.

Verven[bewerken]

Het verven kan in verschillende stadia van de productie van wol plaatsvinden, bijvoorbeeld voor het spinnen, in het garen en na het weven. Van oudsher werden hier vooral planten voor gebruikt. Wouw, wede en vooral meekrap waren vroeger veel gebruikte verfplanten. Ook wordt een geweven wollen lap of een tapijt wel bedrukt met verschillende kleuren.

Donkere wol, van een zwart schaap, blijft vaak ongeverfd.

Vilt[bewerken]

Vilt is een oude techniek om wol te verwerken. Het vervilten van wol wordt ook wel vollen genoemd. Vroeger werden hiervoor volmolens gebruikt. Voor het maken van vilt kan wol van een mindere kwaliteit gebruikt worden. Na het kaarden wordt de wol kruiselings neergelegd. Daarna wordt de wol ingewreven met warm water en zeep. Door voortdurend te kneden grijpen de weerhaakjes die aan de wolvezels zitten in elkaar en wordt het water uit de wol geperst waardoor er uiteindelijk vilt ontstaat. De vilt moet tenslotte plat geperst worden. Vervilten van wol kan ook per abuis gebeuren, bijvoorbeeld bij te heet wassen.

Onderhoud van wol[bewerken]

Wol is een teer weefsel. Het kan tegen weer en wind, maar komt zolang het aan het schaap zit natuurlijk niet in aanraking met zeep en warm water. Truien die over een hemd of T-shirt gedragen worden, kunnen beter niet te vaak gewassen worden. Hetzelfde geldt voor mantels. Luchten kan vaak volstaan. Maar als het toch moet, kan wol wel gewassen worden.

Dit geldt echter niet voor alle wolsoorten, en het heeft eigenlijk altijd de voorkeur wol met de hand te wassen, al doen fabrikanten van wasmiddelen en wasmachines soms anders geloven. In elk geval moet het etiket in kleding hier goed op worden bekeken. Staat op het etiket een handje in een tobbe, dan moet de wol absoluut met de hand gewassen worden. Bij het wassen met de hand dit doen in lauw water, met een wolwasmiddel. Nooit de wol uitwringen, maar voorzichtig uitknijpen. Na het wassen ook in lauw water een aantal malen uitspoelen.

Het is een misverstand dat de wastemperatuur nooit hoger mag zijn dan 30 graden, immers het verven van wol vindt op veel hogere temperaturen plaats, zonder enige krimp of vervilting. Wol is echter wel vatbaar voor snelle temperatuurwisselingen. Langzaam verwarmen en/of afkoelen is dus cruciaal. Laat wol nooit weken, want daardoor kan het gaan vervilten. Centrifugeren kan beter ook achterwege gelaten worden.

Tere wollen kleding kan men het beste liggend, of goed ondersteund laten drogen, waarbij het kledingstuk zo goed mogelijk in vorm wordt gebracht. Hang nooit een trui aan de mouwen met een paar wasknijpers op.

Wolproducerende diersoorten[bewerken]

Diersoorten die haarvezels en wol leveren zijn:

  • Schaap, gedomesticeerd vee dat gehouden wordt om vlees, melk en wol.
  • Alpaca, leeft in de Andes in Zuid-Amerika. Ook de kleinste lama, de vicuña, levert wol.
  • Konijn, dat wil zeggen het angorakonijn. De angorawol is bijzonder zacht en heel licht. Om hem sterker te maken wordt angorawol vermengd met schapenwol of andere vezels.
  • Geit, Kasjmierwol komt van de Kasjmiergeit, die voorkomt in Angola en Mongolië. Deze dieren leven in het wild in onherbergzame gebieden. De wol wordt gewonnen door met de hand 100 tot 200 gram uit de ondervacht van de buik te kammen en wordt ook wel 'pashmina' genoemd. Mohair is afkomstig van de angorageit.
  • Kameel, licht of donkerbruin haar dat wel wordt gebruikt in jassen en blazers.
  • Paard, bruin, zwart en wit van staart en manen, dat wordt gebruikt voor stoelbekleding, 'tussenlinnen' voor revers van kleding.
  • Jak (o.a. Mongolië) voor tapijt en tussenlinnen.

Schapenrassen[bewerken]

Merino wordt gezien als het oorspronkelijke schapenras dat fijne scheerwol levert. Het ras is afkomstig uit Spanje en 200 jaar geleden naar Australië gebracht. De vezels van Merinowol zijn sterk gekroesd. Met deze wol worden soepele weefsels gebreid of geweven, bijvoorbeeld voor gebruik in sjaals.

Nieuw-Zeelandse schapenrassen zijn:

  • Border Leicester
  • Coopworth
  • Drysdale
  • Lincoln
  • Perendale
  • Nieuw-Zeelandse Romney

Andere schapenrassen die door kruising zijn ontstaan:

De meeste schapenrassen leveren dikkere, maar daardoor ook stevigere vezels, dan het Merino schaap. Dikkere vezels zijn geschikter voor veelgedragen kleding.

Wol in de taal[bewerken]

  • 'Veel geblaat en weinig wol', of 'Veel geschreeuw maar weinig wol', of 'Veel gescheer en weinig wol'. Dit betekent allemaal dat er meer rumoer is dan inhoud.
  • 'Onder de wol kruipen' - gaan slapen.
  • 'Door de wol geverfd zijn' - zeer ervaren zijn.
  • 'Veel wol weinig truien' - Meer rumoer dan inhoud.
  • 'Wollige taal' - veel gebruik van weinig zeggende woorden.

Externe links[bewerken]