Iraanse Revolutionaire Garde

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Iraanse Revolutionaire Garde (IRG) of Pasdaran (Perzisch: سپاه پاسداران انقلاب اسلامی ), Sepáh e Pásdárán e Enqeláb e Eslámi) is het militaire elitekorps van Iran. De IRG is opgericht in mei 1979, het jaar van de Islamitische Revolutie, en speelde een belangrijke rol in de Irak-Iranoorlog. De huidige commandant is Mohammed Ali Jafari.

De IRG staat los van het Iraanse leger en valt rechtstreeks onder de geestelijk leider van iran, ayatollah Ali Khamenei. Ze heeft haar eigen landmacht, luchtmacht en marine.

De Basij vormen een paramilitair onderdeel van de IRG. De IRG bestaat uit 125.000 elitesoldaten. Het nucleaire programma van Iran is sinds 2005 in handen van de IRG. In 2005 had IRG 150 soldaten in Libanon, militaire planners in Soedan, en drie waarnemers bij de Verenigde Naties.

Taken[bewerken]

De IRG is verantwoordelijk voor :

  • Bescherming van de velayate faghih (Islamitische regime)
  • Bescherming van de Iraanse nationale grenzen
  • Iraanse politie, geheime dienst et cetera.
  • Bescherming van hoge functionarissen
  • Nucleair programma
  • Iraanse militaire industrie
  • Ruimtevaartprogramma
  • De Quds-brigade is op beperkte schaal actief in het buitenland, waar hij samenwerkt met lokale organisaties zoals Hezbollah, Hamas en Shi'itische milities in Irak. Hij laat deze organisaties het zichtbare werk doen. Deze eenheid wordt ook via Hezbollah verdacht van de aanslag in 1994 te Buenos Aires op het joods cultureel centrum daar.[1]

Verdere gegevens[bewerken]

  • Commandant: Mohammad Ali Jafari
  • Hoofd van militaire operaties: Mohammad Hejazi
  • Commandant van de grondtroepen: Mohammad-Reza Zahedi
  • Commandant van de IRG luchtmacht: Hossein Salami
  • Commandant van de marine: Morteza Saffari
  • Commandant van de Basiji-macht: Mohammad Hejazi
  • Commandant van de Quds-brigade: Qassem Soleimani
  • Hoofd van het geheime lijfwachtenkorps: Abdol-Ali Najafi

Externe link[bewerken]

  1. Het Parool 12 okt. 2011