Geschiedenis van Georgië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het huidige wapen van Georgië werd aangenomen op 1 oktober 2004. Het is gebaseerd op het middeleeuwse wapen van de Bagrationi
De vlag van Georgië met het Sint-Joriskruis, eveneens sinds 1 oktober 2004

De geschiedenis van Georgië gaat terug tot het paleolithicum. Sinds die tijd is het gebied constant door mensen bewoond geweest. In haar geschiedenis is Georgië staatkundig gezien maar zelden één geheel geweest. Vaak werd het geheel of gedeeltelijk door omringende grootmachten beheerst.

In de oudheid lagen in het binnenlandse gebied van het huidige Georgië de koninkrijken Colchis en Iberië, die beide in de vierde eeuw overgingen op het christendom. Daarmee waren de Georgiërs bij alle verdeeldheid voortaan niet alleen verbonden door hun Zuid-Kaukasische taal, maar ook door hun eigen Georgisch-orthodoxe godsdienst. Zowel taal als godsdienst hebben zich steeds kunnen handhaven.

Alleen in de elfde en twaalfde eeuw, de Georgische gouden eeuw, was het land zelf een regionale mogendheid. Dit Georgische koninkrijk was omstreeks het jaar 1000 ontstaan, nadat verschillende vorstendommen zich hadden weten los te maken van Byzantijnen, Perzen en Arabieren. De Georgiërs werden sinds die tijd geregeerd door de Bagrationi en dat bleef zo toen Georgië in de veertiende eeuw weer uiteenviel en de speelbal werd van Aziatische steppevolken, Perzen en Turken. Omstreeks 1800 kozen deze Bagrationi voor de bescherming van het opkomende Rusland. Gedurende ruim een eeuw hoorde Georgië bij het Russische tsarenrijk en vervolgens, na een kortstondige onafhankelijkheid, tot de Sovjet-Unie. Daaruit wist het land zich in 1991 los te maken. Sindsdien heeft Georgië wederom te maken met interne verdeeldheid en tracht het zijn onafhankelijkheid van het machtige Rusland te bewaren.

Prehistorie[bewerken]

Het gebied ten zuidwesten van de Grote Kaukasus dat thans bekendstaat als Georgië, is al vele duizenden jaren bewoond. Het paleolithicum, ruim 50.000 jaar geleden, wordt gezien als het begin van onafgebroken menselijke bewoning in dit gebied. Veel ouder nog zijn de bij Dmanisi gevonden schedels van de Homo georgicus, die aantonen dat hier zo'n 1,75 miljoen jaar geleden al mensachtigen woonden[1]. Deze Homo georgicus geldt als de voorloper van de Homo erectus.

Van nederzettingen is sinds het 5e millennium v.Chr. sprake. Langs de Koera zijn hiervan op verschillende plaatsen sporen gevonden. In de kopertijd (4e en 3e millennium v.Chr.) was het onderdeel van de Koera-Araxescultuur of Vroeg-Transkaukasische cultuur. Omstreeks 2300 v.Chr. onderhielden de dragers van deze cultuur banden met Mesopotamië. In het 2e millennium werd deze in het oosten opgevolgd door de Trialeticultuur, die rond 1500 v.Chr. zijn hoogtepunt bereikte. In de kuststreek was tussen 1800 en 700 v.Chr. de Colchidische cultuur te vinden.

Georgië in de oudheid[bewerken]

Caucasus03.png
Uit Colchis afkomstig beeldje van de Griekse godin Nike

De westelijke kuststreek van Georgië met het stroomgebied van de Rioni stond in de oudheid bekend als Colchis (in de Georgische traditie: Egrisi) en het oostelijke binnenland in het stroomgebied van de Koera als Iberië (Georgisch: Kartli). Van deze beide gebieden heeft Colchis de oudste traditie. Hier waren al in de 9e eeuw v.Chr. sprekers van Kartvelische of Zuid-Kaukasische talen te vinden, de taalgroep waar het Georgisch toe behoort. Mogelijk waren zij eerder ook de dragers geweest van het oudere rijk Diauehi, dat tussen de 12e eeuw v.Chr. en de 8e eeuw v.Chr. in Noordoost-Anatolië had bestaan.[2]

Colchis werd omstreeks 720 v.Chr. verwoest door nomadische Cimmeriërs en Scythen en kwam later in bezit van de Perzische Achaemeniden. Aan de kust stichtten Grieken uit Milete belangrijke handelsposten: Dioscurias (nu Soechoemi) en Phasis (nu Poti; deze plaats is de naamgever van de phasianus colchicus ofwel de fazant). Colchis gold als een rijk gebied: het was in de Griekse mythologie het land van Medea, waar het gulden vlies werd bewaard.

Iberië ontstond omstreeks 300 v.Chr., nadat zich in de 6e en 5e eeuw v.Chr. Kartvelische stammen in dit gebied hadden gevestigd. Het had als hoofdstad Mtscheta. De eerste koning van dit rijk, Parnavaz I,[3] slaagde erin ook het grootste deel van Colchis te beheersen. Over Parnavaz is weinig met zekerheid bekend, ook niet wanneer hij precies regeerde. De middeleeuwse Georgische traditie schreef aan hem het begin van de Georgisch militair-bestuurlijke structuur en ook het Georgische alfabet toe (hoewel de oudste overgeleverde teksten in dit alfabet uit de vijfde eeuw na Christus dateren). De opvolgers van Parnavaz betaalden tribuut aan het Seleucidenrijk en verloren hun greep op Colchis.

Aan het einde van de 2e eeuw v.Chr. verzwakten de Seleuciden, die door de opkomende Romeinen bestreden werden, waardoor het Koninkrijk Armenië kon opkomen. Dit rijk controleerde onder Tigranes de Grote Iberië, terwijl Colchis omstreeks 100 v.Chr. door Tigranes' schoonvader, Mithridates VI van Pontus, was veroverd. Nadat de Romeinen onder Pompeius in 66 v.Chr. Mithridates hadden verslagen, kregen zij de controle over zowel Colchis als Iberië. Colchis kwam direct onder het Romeinse Rijk te vallen en Iberië werd een vazalkoninkrijk. In Oost-Georgië was de Romeinse invloed dan ook kleiner dan in het westen. Het gebied was in de eerste eeuwen van de jaartelling een voortdurend strijdtoneel tussen Romeinen, Armeniërs en Parthen, waarbij Iberië meestal aan de kant van Rome stond. De sociale structuur en de bestuurlijke organisatie van Oost-Georgië bleven daarbij sterk Perzisch gekleurd. In de 3e eeuw moesten de Iberische koningen de suprematie van de Perzische Sassaniden erkennen.

Het westelijke Colchis bleef intussen Romeins en later Byzantijns, tot het in de 5e eeuw werd veroverd door de Lazen,[4] die er hun koninkrijk stichtten dat de Byzantijnen Lazica noemden.

Tussen Byzantium en de Sassaniden, derde eeuw - zevende eeuw[bewerken]

Koning Mirian III, afgebeeld op een fresco in de kathedraal van Mtscheta

De Sassaniden waren degenen die in 284 Mirian III (Meribanes) op de Iberische troon plaatsten, die met zijn getrouwen omstreeks 337 overging op het christendom, na te zijn bekeerd door de later heilig verklaarde Nino. Deze bekering was ook een poging om toenadering tot Rome te zoeken. De christelijke religie kreeg onder de edelen voet aan de grond, maar onder het volk waren er in de daaropvolgende eeuwen veel aanhangers van het zoroastrisme, de godsdienst van de dominante Perzen. In dezelfde periode verspreidde het christendom zich onder invloed van het Byzantijnse Rijk ook in Egrisi. De Georgisch-orthodoxe kerk viel aanvankelijk onder de patriarch van Antiochië. In Iberië ontstond een bloeiend kloosterleven.

De voornaamste vorst uit deze nieuwe Perzische periode in de Georgische geschiedenis was Vachtang I Gorgasali. Tijdens zijn regeerperiode, die van 452 tot 502 duurde, werd de Georgisch-orthodoxe Kerk autocefaal: de bisschop van Mtscheta kreeg in 466 de rang van Catholicos. Vachtang IV stichtte ook de stad Tbilisi en leidde een opstand tegen de Perzen. Hij heeft nog steeds de status van nationale held en is de naamgever van de voornaamste ridderorde van Georgië. Ook hij werd gecanoniseerd als heilige.

Byzantium en de Sassaniden bestreden elkaar in de zesde eeuw in een reeks Romeins-Perzische oorlogen die er na een vredesverdrag van 561 toe leidden dat Goearam I, een gunsteling van de Byzantijnen, de Iberische troon kon bestijgen. Hij verplaatste zijn residentie van Mtscheta naar Tbilisi. Aan de Perzische invloed kwam een einde nadat de Byzantijnse keizer Herakleios de Sassaniden tussen 623 en 625 vanuit Lazica uit de Georgische gebieden had verdreven. Lazica, dat gedurende een eeuw eveneens een Byzantijns-Perzische twistappel was geweest, werd na 561 definitief een onderdeel van het Byzantijnse Rijk.

Tussen Arabieren en Byzantium, 645-1008[bewerken]

De Georgische vorstendommen en hun buren omstreeks het jaar 1000

Kaukasisch Iberië werd in 642 voor het eerst door plunderende Arabieren bezocht. Het islamitische Arabische Rijk kreeg na de inlijving van Armenië spoedig ook Iberië in zijn greep. In 645 werd Tbilisi ingenomen. De Arabische kaliefen legden Iberië een forse djizja op: een belasting voor niet-moslims. Iberië vormde een grensgebied voor de Arabieren. Het gebied had in de achtste eeuw dan ook regelmatig te maken met invallen uit het Chazarenrijk. De Georgiërs, en ook de Armeniërs, kwamen verschillende keren in opstand. Uit de plaatselijke adel, die balanceerde tussen Byzantium en het kalifaat, kwamen de Bagrationi voort (in Georgië: Bagrationi, in Armenië: Bagratuni), die aan de basis stonden van een rijk vertakte dynastie. Na 772, toen de Arabieren een slachting hadden aangericht onder opstandige edellieden, was het pad voor de Bagrationi geëffend. De macht van de Arabieren was toen inmiddels tanende. De emirs van Tbilisi hadden eigen ambities en kwamen eveneens in opstand, wat in 853 onder kalief Al-Mutawakkil leidde tot een strafexpeditie in de vorm van de verwoesting van Tbilisi. Maar in de negende eeuw ontstonden er uiteindelijk nieuwe rijkjes: Kartli, Tao (ook: Tao-Klardzjeti)[5], Kacheti en Hereti. Tbilisi handhaafde zich vooralsnog als islamitisch emiraat en zou dat tot 1122 blijven.

West-Georgië stond intussen onder Byzantijnse invloed, maar ook deze was in de negende eeuw tanende: het iconoclasme verdeelde het rijk ernstig. Zo kon Abchazië zich gaandeweg uit de Byzantijnse invloedssfeer losmaken. Langzamerhand namen de Bagrationi het heft in handen. Aanvankelijk gebeurde dat in Armenië, dat onder Ashot I Bagratuni tussen 862 en 890 een bloeiperiode doormaakte waarbij het grote delen van Georgië onder controle had en van tijd tot tijd Kacheti en Abchazië tot zijn vazallen mocht rekenen. Aan het begin van de tiende eeuw waren Tao en Abchazië de voornaamste machtsfactoren in de regio. Tao werd geregeerd door Bagrationi, Abchazië tot 989 door het geslacht Antsjabadze (ook: Atsjba).

Ontstaan en bloeitijd van het koninkrijk Georgië, 1008-1243[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Koninkrijk Georgië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Vereniging onder de Bagrationi[bewerken]

Koningin Tamar. Mihály Zichy, 1888

Bagrat III bracht in 1008 de vereniging van de Georgische rijkjes tot stand. Daarbij noemde hij zich voortaan Koning der Koningen, een titel naar Perzisch model die de Georgische koningen voortaan zouden blijven dragen. Met de vereniging stelde hij ook de positie van de Bagrationi veilig. Bagrat had langs moederszijde in 989 de Abchazische troon geërfd en kreeg in 1008 ook die van Kartli, het land waarover zijn vader had geregeerd. Daaraan lag een plan ten grondslag van Bagrats adoptiefvader, David Kouropalates, die regeerde over Tao. Tao zelf kon Bagrat niet verwerven, doordat ook Byzantium aanspraak maakte op dit gebied en het veroverde nog voordat Bagrat de troon van Kartli besteeg. Wel wist Bagrat Georgië (Sakartvelo) met Kacheti uit te breiden. Hij vestigde zich in Koetaisi, waar hij ook de Bagratikathedraal liet bouwen.

David de Bouwer[bewerken]

In de eerste helft van de elfde eeuw leverden de Georgische koningen vooral strijd met Byzantium, later ook met de opkomende Seltsjoeken: Turkse nieuwkomers die onder Alp Arslan vanaf 1060 aanvallen op Georgië uitvoerden en hun hoge tribuutbetalingen oplegden. David IV de Bouwer (Davit Aghmasjenebeli), die tussen 1089 en 1125 regeerde, wist Georgië van de Seltsjoeken te verlossen, mede doordat ook de Eerste Kruistocht tegen hen was gericht, maar ook doordat David zijn leger reorganiseerde en met dat doel Kiptsjak-Turkse strijders zijn land binnenhaalde. Vervolgens slaagde David erin zijn land aanzienlijk uit te breiden. In 1121 behaalde hij bij Didgori een belangrijke zege op de veel talrijkere Seltsjoeken, die steun hadden ingeroepen van moslimstaten in de regio (deze Wonderbaarlijke Overwinning wordt nog steeds herdacht) en in 1122 nam hij Tbilisi in, dat hij tot zijn hoofdstad maakte. Beide gebeurtenissen worden als het begin van de Georgische gouden eeuw beschouwd. David de Bouwer verwierf ook gebieden in het huidige Armenië en Azerbeidzjan en ten noorden van de Kaukasus. De koning, die een geletterd man was, liet in Koetaisi het Gelatiklooster bouwen en zou door de Georgisch-orthodoxe Kerk heilig worden verklaard.

Koningin Tamar[bewerken]

De andere grote figuur uit de Georgische gouden eeuw was de achterkleindochter van David, koningin Tamar (1184-1213), die eveneens heilig is verklaard. Zij had aanvankelijk met interne tegenstand te maken en moest aanvaarden dat de katholikos de invloedrijke positie van kanselier (mtsignobartoechoetsesi) verwierf, waarmee deze ook wereldlijke macht verkreeg. Toen Tamar na diens dood haar machtsbasis eenmaal had gevestigd, breidde zij Georgië vooral met moslimgebieden verder uit en zette zij na de val van Constantinopel het Keizerrijk Trebizonde op als vazalstaat. Ook Tamar heeft een cruciale rol gespeeld voor de Georgische cultuur. In haar opdracht schreef Sjota Roestaveli zijn beroemde epos De ridder in het pantervel (Vepchistkaosani): het nationale epos van de Georgiërs.

Het verval van het koninkrijk Georgië, 1243-1493[bewerken]

Mongools intermezzo[bewerken]

Timoer verordonneert een campagne tegen Georgië

Tamars zoon Giorgi IV de Luisterrijke (Lasja) regeerde over een omvangrijk en sterk koninkrijk dat ook een aantal moslimgebieden tot vazal had gemaakt, maar dat in 1221 te maken kreeg met een plotselinge inval van de Mongolen. In 1243 moest koningin Roesoedan, Giorgi's zuster, de opperheerschappij van de Grote Kan erkennen. Enkele jaren eerder al had ze Oost-Georgië moeten verlaten. Georgië bleef nog decennialang de speelbal van de Mongoolse kans, vanaf 1256 binnen het Il-kanaat, die het tribuut oplegden en door hun vertrouwelingen lieten besturen. Daarbij maakten westelijke gebieden zich van Georgië los: in 1259 Imereti[6], dat uit de greep van de Mongolen bleef, en in 1268 Samtsche, dat een afzonderlijke vazal was van de kans.

Koning Giorgi V de Illustere (Brtskinvale, ca 1286-1346), die nog door de kan als plaatselijk heerser was benoemd, slaagde erin Georgië los te maken van het Mongoolse Il-kanaat. Aanvankelijk onderhield hij goede betrekkingen met de kans. Met hun hulp wist hij zijn rivalen te onderwerpen en zowel Imereti (1330) als Samtsche (1334) te heroveren. Vervolgens maakte hij gebruik van de interne verdeeldheid in het kanaat en ontdeed hij Georgië van de Mongolen.

Timoer Lenk[bewerken]

In 1366 werd Georgië verzwakt door een pestepidemie, waarna het land te maken kreeg met een nieuwe belager: de Centraal-Aziatische krijgsheer Timoer Lenk. De Timoeriden, die hun rijk hadden gevestigd op de restanten van het Il-kanaat, vielen Georgië eind 1386 voor het eerst binnen. Na een kort maar hevig beleg werd Tbilisi op 21 november ingenomen en werd koning Bagrat V gevangengenomen. Nadat de pragmatische koning zich tot de islam had bekeerd werd hij als vazalkoning aangesteld. De relatie bleef echter moeilijk, aangezien Georgië meer dan eens in opstand zou komen tegen Timoer. In de tussentijd maakte Alexander I van Imeretië gebruik van de onrust door de onafhankelijkheid van Imereti uit te roepen en zichzelf in 1387 tot koning te laten kronen. Een nieuwe aanval van Timoer in de lente van 1387 werd succesvol afgeslagen nadat Timoer te maken kreeg met opstanden in Perzië en een ophanden zijnde invasie van Tochtamysj van de Gouden Horde. In 1389 wist Bagrat Imereti na de dood van Alexander weer onder zijn gezag te krijgen. Toen Bagrat in 1393 stierf, werd hij opgevolgd door zijn zoon Giorgi VII. Ook hij kreeg te maken met Timoer en zou zich uiteindelijk pas na de zesde en laatste invasie in 1403 ondergeschikt maken aan Timoer. Kartli was inmiddels met de grond gelijkgemaakt, duizenden Georgiërs waren gevangengenomen en hele streken waren ontvolkt geraakt.[7]

Herstel en verdeeldheid[bewerken]

Na Timoers dood in 1405 viel zijn rijk, dat voornamelijk op zijn persoonlijke macht was gebouwd, onmiddellijk ten prooi aan verdeeldheid. Georgië was weer vrij, maar het herstel van de verwoestingen verliep langzaam. Dit herstel viel in de regeerperiode van Alexander I de Grote (1413-1443), die zijn macht naar West-Georgië wist uit te breiden. Zijn voornaamste belagers van buitenaf waren de Kara Koyunlu (Zwarte Schapen), een federatie van Turkmeense stammen, die Samtsche geregeld binnenviel. Alexanders voornaamste zorg was het herstel van het religieuze erfgoed, waarvoor hij de verarmde boeren zelfs een speciale belasting oplegde. Het bevolkingstekort werd opgelost door Armenen naar Georgië te halen met speciale handelsprivileges.

Inmiddels had Alexander zijn drie zonen elk in een ander deel van Georgië als onderkoning benoemd. Ieder van hen verzamelde daar edelen om zich heen, die na Alexanders aftreden in 1443 en de dood van diens zoon en opvolger Vachtang IV in 1446 de centrale macht zouden tarten. In 1446 besteeg Alexanders jongere zoon Giorgi VIII de troon. Deze werd uitgedaagd door de machtige atabeg van Samtsche en door eristavi (hertog) Bagrat, die evenals Giorgi VIII uit het Bagrationihuis stamde en de koning een nederlaag toebracht in de slag bij Tsjichori (1462). Bagrat liet zich vervolgens in Koetaisi kronen tot koning van Imereti. In ruil voor hun steun bij Tsjichori kregen andere West-Georgische eristavi's eigen vorstendommen. Zo ontstonden, veelal opnieuw, de hertogdommen (saeristavo) Svaneti onder de Gelovani's, Abchazië (Abchazeti) onder de Sjarvasjidzes, Mingrelië (Samegrelo)[8] onder de Dadiani's en Goeria onder de Goerieli's. Al deze hertogdommen werden Imeretische vazallen. Bagrat, nu Bagrat II van Imereti, slaagde er niet in om zijn macht over Oost-Georgië uit te breiden. Hij riep zich weliswaar in Tbilisi uit tot koning, maar kreeg er te maken met plaatselijke weerstand waarbij ook de Turkmeense Ak Koyunlu (Witte Schapen) onder Uzun Hassan betrokken raakte. Met de Turkmeense steun wist Constantijn II, de neef van Giorgi VIII, zich vanaf 1478 als koning te handhaven. De edelen van Kacheti kozen een kleinzoon van Alexander als eigen tegenkoning. De verschillende partijen bestreden elkaar decennialang, terwijl ondertussen de Ottomanen hun macht uitbreidden. In 1453 was Constantinopel gevallen en in 1461 het Keizerrijk Trebizonde, waardoor de onderling strijdende Georgiërs steeds verder van de rest van de christelijke wereld verwijderd raakten. Uiteindelijk erkende Constantijn III in 1493 de koningen van Imereti en Kacheti, terwijl hij ook de aanspraken op Samtsche liet vallen. Zijn eigen deel van het rijk zou worden voortgezet als het koninkrijk Kartli.

Tussen Turken en Perzen, 1493-1801[bewerken]

Vachtang VI van Kartli

Georgië was aldus uiteengevallen in de drie door Bagrationi geregeerde koninkrijken koninkrijk Kartli, Kachetië en Imeretië, en in een reeks kleinere hertogdommen die steeds meer terrein wonnen ten koste van Imereti. De Turkmeense Ak-Koyunlu en Kara-Koyunlu werden intussen als oostelijke belagers afgelost door het Turkmeens-Perzische Safawidenrijk, dat met de Ottomaanse Turken om de hegemonie in de Kaukasus streed. De beide rijken sloten in 1555 het Vrede van Amasya, waarbij Kartli, Kacheti en Oost-Samtsche aan Perzië toevielen en de overige Georgische gebieden aan de Ottomanen. De laatsten hadden West-Samtsche intussen veroverd op Imereti (1545) en zouden het pas aan het eind van de negentiende eeuw weer helemaal opgeven. Kacheti betaalde tribuut aan de Perzen, maar zocht ook toenadering tot Rusland. In Kartli bood Simon I weerstand tegen de Ottomanen. Hij trachtte Imereti te veroveren, maar werd uiteindelijk door de Turken gevangengenomen.

Tussen 1614 en 1617 voerden de Perzen plundertochten uit in Kacheti, waarbij tienduizenden Georgiërs naar Perzië werden gestuurd. In hun plaats vestigde sjah Abbas de Grote loyale Turkmenen. In 1625 vond er in Kartli een opstand plaats onder Giorgi Saakadze, die de Perzen bij Martkopi een nederlaag toebracht, Tbilisi innam en de koning van Kacheti de kroon van Kartli aanbood. Daarmee waren beide koninkrijken kortstondig verenigd. In hetzelfde jaar versloegen de Perzen Saakadze, die daarop een partizanenstrijd aanging. De Perzen kozen vervolgens voor een minder bloedige benadering: ze zaaiden verdeeldheid onder de Georgische adel en konden zich tot 1744 in Kartli handhaven.

Het begin van de achttiende eeuw was met name voor het aan Perzië gelieerde Kartli een periode van economische voorspoed en herstel, vooral onder het bewind van Vachtang VI (1716-1724). In 1709 was in Tbilisi al de eerste drukpers van Transkaukasië verschenen. Sulchan-Saba Orbeliani maakte onder Vachtang het eerste Georgische woordenboek en redigeerde de eerste complete Georgische bijbel. Toen de Russische tsaar Peter de Grote aan zijn Perzische campagne begon, sloot Vachtang zich bij hem aan. Rusland verdreef in zijn eerste veldtocht in Transkaukasië weliswaar de Perzen, maar maakte het karwei niet af, waardoor het Ottomaanse Rijk in het gat kon springen. De Vrede van Constantinopel tussen Rusland en Turkije wees in 1724 vrijwel heel Transkaukasië inclusief de Georgische landen aan de Turken toe. De Georgiërs kregen te maken met de Osmaloba, de Ottomaanse tijd, waarin grote sommen gelds aan de sultan moesten worden afgedragen en de welvaart verloren ging. De Ottomaanse tijd duurde echter maar kort: Nadir Sjah heroverde Oost-Georgië in een nieuwe Perzische-Turkse confrontatie. Tbilisi viel in 1735. Nadir dwong vooraanstaande Georgische edelen en zelfs koning Teimoeraz II van Kacheti aan zijn Indiase campagne deel te nemen, zodat er van hun kant geen gevaar zou dreigen aan de noordwestelijke grenzen van zijn rijk. De steun van de Georgiërs werd in diens nadagen steeds belangrijker voor de sjah. In juli 1744 werd Teimoeraz II tot koning van Kartli gekroond en zijn zoon Erekle II kreeg dezelfde positie in Kacheti. Zij kregen beiden een nadrukkelijk christelijke kroningsplechtigheid.

Erekle slaagde erin invloed te verwerven in Perzië, dat na de dood van Nadir Sjah in 1447 intern verdeeld was geraakt. Na de dood van Teimoeraz II riep Erekle II zich in 1772 uit tot koning van Kartli en Kacheti, zodat de beide Oost-Georgische koninkrijken weer verenigd waren. Ondanks de economische en culturele voorspoed onder het bewind van Erekle bleef de Perzische dreiging bestaan.

Georgië in tsaristisch Rusland, 1801-1917[bewerken]

Van protectie naar inlijving[bewerken]

Erekle II van Kartli-Kacheti

In 1783 sloot Kartli-Kacheti onder Erekle II, na zware verwoestingen door de Turken en de Perzen, het Verdrag van Georgiejevsk met het Russische Rijk van Catharina de Grote. Het koninkrijk plaatste zich onder bescherming van tsaristisch Rusland, dat in ruil de Bagrationi de troon garandeerde. Kartli-Kacheti was hiermee een Russisch protectoraat geworden, maar Rusland kon niet verhinderen dat de Perzen het koninkrijk in 1795 opnieuw binnenvielen en het in de slag bij Krtsanisi een zware nederlaag toebrachten en Tbilisi verwoestten. De wraakexpeditie van de Perzen dreef Kartli-Kacheti verder in de armen van Rusland. Op 18 januari 1801 annexeerde tsaar Paul I het koninkrijk geheel, nadat Erekles zoon Giorgi XII hem daartoe had verzocht. Koning Giorgi leefde toen al niet meer. In maart 1801 was ook tsaar Paul I vermoord, waarna diens opvolger Alexander I weigerde een opvolger voor Giorgi te laten kronen. De Bagrationi gingen in ballingschap.

De volledige Russische annexatie van Kartli-Kacheti leidde in 1804 opnieuw tot een Perzische aanval, die de opmaat vormde voor een nieuwe Russisch-Perzische oorlog. Deze eindigde in een Russische triomf: het Verdrag van Gulistan leverde Rusland in 1813 verdere gebiedswinst in Transkaukasië op, terwijl Perzië de aanspraken op zowel West- als Oost-Georgië opgaf. De Perzische dreiging was hiermee voorbij, maar de Georgiërs moesten de prijs van russificatie betalen. Rusland had in deze periode dankzij een bondgenootschap met Frankrijk (sinds 1807) de handen vrij in Transkaukasië. Ook met het Ottomaanse Rijk kon daardoor afgerekend worden.

Rusland zou in de loop van de negentiende eeuw stap voor stap ook de rest van het moderne Georgië annexeren. Ook in West-Georgië kozen de verschillende vorstendommen aanvankelijk voor de status van protectoraat. Achtereenvolgens werden Megrelië (1803), Imereti (1804), Goeria en Abchazië (1833) en Svaneti (1833) Russische vazallen om in 1810 (Imereti), 1828 (Goeria), 1857 (Megrelië), 1858 (Svaneti) en 1864 (Abchazië) geheel te worden ingelijfd. Tijdens een nieuwe Russisch-Turkse Oorlog veroverden de Russen bovendien het grotendeels door Armenen bevolkte Samtsche-Dzjavacheti, de streek rond Achaltsiche en Achalkalaki, op het Ottomaanse Rijk (Verdrag van Adrianopel, 1829). Voor de Abchazen betekende de inlijving, die samenviel met het sluitstuk van de Kaukasusoorlog, een massale deportatie naar het Ottomaanse Rijk. Dit trof vooral de moslims onder hen. In 1877 volgde een tweede deportatiegolf.

Russificatie en verzet[bewerken]

De Russische annexatie verliep nergens zonder slag of stoot. Zo moest in Imereti eerst een opstand onder leiding van Salomo II worden neergeslagen, waarop deze eveneens in ballingschap ging. Eind 1812 leidde Alexander Batonisjvili, een zoon van Ereke II, een opstand in Kacheti, maar ook deze werd neergeslagen, evenals opstanden in Imereti en Goeria (1819-1820). De laatste waren gericht tegen het ingrijpendste onderdeel van de russificatie: de gelijkschakeling van de Georgisch-orthodoxe Kerk, die in 1811 haar autocefalie verloor en een exarchaat van de Russisch-orthodoxe Kerk werd. Het Kerkslavisch verving het Georgisch als de taal van de liturgie. In 1832 ondernamen Georgische edellieden, geïnspireerd door de Dekabristenopstand en de Poolse Novemberopstand, een samenzwering, die echter voortijdig aan het licht kwam.

Georgië werd samen met de rest van de Kaukasus bestuurd door namestniks, onderkoningen, van wie veldmaarschalk Michail Vorontsov (1844-1854) de meest verlichte figuur was. Hij stimuleerde vanuit Tbilisi de economie en de cultuur van zijn gebied en wist de plaatselijke adel voor zich te winnen. Deze adel moest een veer laten, toen in 1865 (oosten) resp. 1871 (westen) de lijfeigenschap in Georgië werd afgeschaft en de boeren zich vrij mochten bewegen. In deze periode kwam ook de Georgische nationale beweging op, waarbinnen Ilia Tsjavtsjavadze de voornaamste figuur was.

In de Russisch-Turkse Oorlog van 1877-1878 werden de Zwarte Zeestad Batoemi met Adzjarië en ook de steden Artvin en Ardahan in het historische Tao op de Turken veroverd. Daarmee viel het huidige Georgië geheel binnen tsaristisch Rusland, en ook gebied dat thans Turks is maar een Georgische minderheid heeft. Zo'n 6000 moslims uit de veroverde gebieden weken uit naar het Ottomaanse Rijk[9].

Het gouvernement Koetais, met Abchazië in het noordwesten en Batoemi en Artvin in het zuidwesten

De nationale aspiraties van de Georgiërs werden vanaf de jaren '80 tegengewerkt, maar tegelijk onwillekeurig gestimuleerd, door de nationalistische wind die onder tsaar Alexander III vanuit Moskou waaide. Het Georgisch werd op scholen vervangen door het Russisch.

Bestuur en bevolking[bewerken]

Ook binnen tsaristisch Rusland vormde Georgië niet één geheel: vanaf 1846 bestonden er een westelijk gouvernement Koetais (Kutaisi) en een oostelijk gouvernement Tiflis. Van deze gebieden zijn er uit het jaar 1897 bevolkingscijfers beschikbaar. De volkstelling, de eerste in Rusland, vroeg niet naar nationaliteit, maar naar de taal die men sprak. Koetais telde 1.058.241 inwoners, waarvan er 343.929 Georgisch, 270.513 "Imeretisch", 238.655 Mingreels, 59.469 Abchazisch, 46.665 Turks, 24.043 Armeens en 19.273 Russisch spraken[10]. Tbilisi had 1.051.032 inwoners, waarvan er 465.537 Georgisch, 196.189 Armeens, 107.722 "Tataars", 79.082 Russisch, 67.268 Ossetisch en 34.130 een Avaars-Andische taal spraken[11]. Het Imeretisch geldt thans algemeen als een Georgisch dialect en het Tataars van toen is het Azerbeidzjaans van nu. Vergelijkingen met de huidige situatie worden bemoeilijkt doordat recente cijfers ontbreken en er bovendien grenzen zijn gewijzigd.

Kortstondige onafhankelijkheid, 1918-1921[bewerken]

Het Rode Leger in Tbilisi, februari 1921

Na de Februarirevolutie van 1917 werd de autocefaliteit van de Georgisch-orthodoxe Kerk hersteld. De Oktoberrevolutie later dat jaar leidde tot een verzwakking van de centrale macht vanuit Moskou. In januari 1918 werd de Universiteit van Tbilisi opgericht, een Georgischtalige instelling en de eerste universiteit in het Kaukasusgebied. Op 24 februari 1918 werd de Transkaukasische Federatie uitgeroepen, een staat die Tbilisi als hoofdstad had en die werd geleid door de mensjewiek Nikoloz Tsjcheidze. Deze federatie omvatte ook Armenië en Azerbeidzjan, maar kon slechts enkele maanden standhouden. De interne verdeeldheid betrof vooral de positie ten opzichte van Turkije, waarmee Rusland in oorlog was. De Turken hadden claims op Georgisch gebied en bezetten het in 1878 door hen verloren Batoemi, maar de Azerbeidzjanen in de federatie waren pro-Turks.

Op 26 mei 1918 riep de Nationale Verzameling (Dampoedsnebeli Kreba) de Georgische onafhankelijkheid uit en ontstond de Democratische Republiek Georgië. Deze datum is thans de Georgische nationale feestdag. De jonge republiek kreeg een coalitieregering onder Noe Zjordania die door mensjewieken werd gedomineerd. Het land werd al spoedig erkend door Duitsland, de voornaamste steunpilaar, vervolgens door vele andere mogendheden en uiteindelijk op 7 mei 1920 ook door het verzwakte bolsjewistisch Rusland, dat op deze datum het Verdrag van Moskou ondertekende. Daarmee had de republiek veel meer bereikt dan de beide andere opvolgerstaten van de Transkaukasische Federatie. Inmiddels had de republiek met Britse hulp Batoemi van de verslagen Turken teruggekregen, een Armeense aanval afgeslagen (de Democratische Republiek Armenië maakte aanspraken op Achalkalaki en omgeving) en speelde er ook een conflict met Azerbeidzjan over Zakatala, een grensregio die Georgië later kwijt zou raken.

De voornaamste bedreiging voor het land, dat vruchteloos ijverde voor toetreding tot de Volkenbond, bleef evenwel Rusland, dat in de loop van 1920 intern stabieler werd en zowel in Armenië als in Azerbeidzjan bolsjewistische regimes wist te vestigen. Het arrangeerde in februari 1921 een boerenopstand en enkele dagen later viel het Rode Leger het vrijwel geheel door bolsjewistisch gebied omsloten Georgië binnen. De architecten van de inval waren Jozef Stalin (Dzjoeghasjvili) en Grigori Ordzjonikidze, die beiden van Georgische afkomst waren. Op 25 februari viel Tbilisi en in de loop van maart de rest van Georgië. De regering hield nog even stand in Batoemi en ging vervolgens in ballingschap in Frankrijk. Vier dagen voor de val van Tbilisi had de regering nog een grondwet aangenomen, die de Abchazen, de moslims rond Batoemi en Zakatala autonomie beloofde. De Osseten, die als steunpilaren van de bolsjewieken werden beschouwd, kregen die niet.

De sovjettijd, 1921-1991[bewerken]

Ontstaan van de Georgische Socialistische Sovjetrepubliek[bewerken]

Georgische partizanen onder leiding van Kakoetsa Tsjolokasjvili

Op 25 februari 1921 [12], de dag waarop Tbilisi viel, werd de Georgische Socialistische Sovjetrepubliek uitgeroepen. Kort daarna, op 6 april, werden zaken als grond, banken en industrie voor zover in particulier bezit onteigend en tot staatseigendom gemaakt.

Het grondgebied van de republiek werd in stukjes gebroken. Omstreden grensgebieden werden bij de buurrepublieken getrokken en op Georgisch grondgebied werden de Abchazische SSR (1921-1931, nadien het Abchazische ASSR), de Zuid-Ossetische Autonome Oblast en de Adzjarische Autonome Oblast gevormd. Deze laatste twee waren autonome oblasten: administratieve eenheden binnen een Sovjetrepubliek - in dit geval de Georgische Sovjetrepubliek - die een zekere autonomie moesten waarborgen aan het volk waarvan de autonome oblast de naam droeg. In 1922 tekende de Georgische SSR het Verdrag van Kars met Turkije, waarbij opnieuw grondgebied werd verloren: Ardahan en Artvin werden weer Turks.

Tussen 1921 en 1924 werden meer dan 30.000 Georgiërs, voornamelijk grootgrondbezitters, officieren van het ontbonden leger, monarchisten en mensen van adellijke afkomst, geëxecuteerd of verbannen naar strafkampen. Omdat in de Sovjet-Unie het atheïsme werd ingevoerd werd ook de kerk onder druk gezet.

Op 28 augustus 1924, de Georgisch-orthodoxe “Moeder Gods Ontslapenis”, brak in Georgië de Augustusopstand tegen de sovjetbezetting uit. Deze opstand werd geleid vanuit Leuville-sur-Orge in Frankrijk, waar de voormalige mensjewistische regeringsleiders politiek asiel hadden gekregen. De bedoeling was dat op 29 augustus in heel Georgië een grote opstand zou plaatsvinden. Partizanen, die zich sinds 1921 in de bergen verscholen, zouden een sturende rol spelen. Door een misverstand brak de opstand in het stadje Tsjiatoera een dag te vroeg uit. De plannen mislukten daardoor. Hoewel de opstand zich inderdaad over heel Georgië uitspreidde, hadden de sovjettroepen door de vervroegde uitbarsting in Tsjiatoera voldoende tijd om te reageren. De opstand werd neergeslagen, de leiders werden geëxecuteerd en burgers die tijdens de gevechten gevangen waren genomen werden verbannen naar Siberië. Er vielen vierduizend doden[13].

Op 30 december 1922 was Georgië intussen opgegaan in de Transkaukasische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek (TSFSR): een Sovjetrepubliek die bestond uit Georgië, Armenië, Azerbeidzjan en Abchazië en deel uitmaakte van de Sovjet-Unie. De samenvoeging leidde vooral onder Georgische en Azerbeidzjaanse communisten tot onvrede. Onder het bewind van de Mingreelse Georgiër Lavrenti Beria, die van 1932 tot 1936 partijsecretaris was van de TSFSR, werd deze Sovjetrepubliek dan ook opgeheven. In 1936 viel de TSFSR uiteen in de Georgische Socialistische Sovjetrepubiek, de Armeense SSR en de Azerbeidzjaanse SSR. De Abchazische SSR, die in 1922 eveneens was opgegaan in de TSFSR, was in 1931 al omgevormd tot een Autonome Oblast. Die status behield het in 1936, nu binnen de Georgische SSR. Beria trachtte Abchazië te "kartveliseren" door grote aantallen Mingreliërs en andere niet-Abchazen te dwingen zich in het gebied te vestigen. De Abchazische partijleider Nestor Lakoba werd in 1936 door Beria vergiftigd en was daarmee een van de vierduizend partijfunctionarissen die in Georgië het slachtoffer werden van de stalinistische zuiveringen. Tot 1953 was het Abchazisch uit het onderwijs verdwenen[14].

In de jaren tot aan de Tweede Wereldoorlog werd Georgië verder vormgegeven naar socialistisch model. In de landbouw werd monocultuur van met name thee en citrusvruchten ingevoerd. Vanuit Georgië moest de hele Sovjet-Unie van deze producten worden voorzien. Verder werden er in hoog tempo fabrieken, energiecentrales en mijnen gebouwd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog draaide in Georgië de oorlogsindustrie op volle toeren.

De Tweede Wereldoorlog[bewerken]

De olievelden van de Kaukasus waren een belangrijke reden die Hitler op 22 juni 1941 deed overgaan tot een aanval op de Sovjet-Unie. Het Duitse leger bereikte het Georgische grondgebied echter nauwelijks. Het Rijksministerie van de Bezette Gebieden in het Oosten (een ministerie dat in juli 1941 was ingesteld om de bezette gebieden in Oost-Europa en de Sovjet-Unie te controleren) had voor Georgië wel plannen gemaakt. Net als bijvoorbeeld Estland, Letland en Litouwen moest het een Generalbezirk worden en de Organisation Todt zou een Autobahn bouwen langs de Abchazische Zwarte Zeekust die uiteindelijk moest eindigen in Bakoe. De plannen bleven liggen in de ijskast, daar de Duitse Wehrmacht in 1942 weliswaar kortstondig de Georgische grens overschreed en in Abchazië het dorp Pschoe bezette, maar zich vervolgens weer moest terugtrekken.

Aan beide zijden van het front waren Georgiërs te vinden. Het Georgisch Legioen was een van de Ostlegionen van het Duitse leger en bestond hoofdzakelijk uit Georgiërs. Daar en ook in andere onderdelen streden minstens 30.000 Georgiërs aan Duitse zijde. Zij werden niet in het oostfront, maar elders ingezet. In april 1945 kwam een Georgisch bataljon op Texel in opstand tegen zijn Duitse bevelhebbers. Op Texel stonden deze Georgiërs bekend als “de Russen”. Meer Georgiërs, minstens 700.000, streden aan de kant van het Rode Leger. Zo verdedigden 2.500 Georgische soldaten Brest tegen een Duitse aanval. Georgië zelf was een belangrijke producent van munitie.

Bij Tbilisi werden vanaf 1942 verschillende krijgsgevangenenkampen ingericht voor Duitse soldaten van fronten in het Oosten. Begin jaren vijftig werden deze kampen gesloten.

Aan het einde van de oorlog werd één etnische groep in Georgië getroffen door de collectieve deportatie die Stalin enkele volken oplegde: tienduizenden Meschetische Turken moesten in 1944 naar Centraal-Azië vertrekken. De terugkeer van hun nazaten naar Georgië is nog nauwelijks op gang gekomen[15].

De naoorlogse jaren: corruptie, nationalisme en onderdrukking[bewerken]

Zviad Gamsachoerdia (links) en Merab Kostava (rechts)

Na de Tweede Wereldoorlog maakte Georgië een versnelde industriële ontwikkeling door. In 1948 werd, met hulp van Duitse krijgsgevangenen, een complete stad opgebouwd: de stad Roestavi moest arbeiders van een nabijgelegen metallurgische installatie huisvesten.

De destalinisatie die bij het aantreden in 1953 van partijleider Nikita Chroesjtsjov werd ingezet leidde in Georgië wederom tot een hardhandig neergeslagen opstand: het bloedbad van Tbilisi van 9 maart 1956. Duizenden Georgiërs gingen in protest de straat op omdat zij zich gekrenkt voelden in hun nationale trots. Stalin, op wie Chroesjtsjov kritiek had, was immers een Georgiër. De opstand werd door het leger neergeslagen, waarna de officiële lezing van de Communistische Partij was dat de opstand door buitenlandse spionnen was geïnitieerd. De bevolking van Georgië was door het hardhandige ingrijpen dermate onder de indruk dat de volgende openlijke protesten pas twintig jaar later zouden plaatsvinden.

De Communistische Partij van Georgië gebruikte de ruimte die door de decentraliseringspolitiek van Chroesjtsjov ontstond om een stevige regionale machtsbasis op te bouwen. Naast de officiële staatseconomie ontstond een particuliere schaduweconomie, die Georgië tot een van de welvarendste Sovjetrepublieken maakte maar die ook het verschijnsel corruptie deed opbloeien. De Sovjet-Unie was niet geheel onbekend met corruptie, maar in Georgië vond dit zo openlijk plaats dat het door de partijleiding in Moskou als problematisch werd ervaren. Zelfs de hoogste ambten bleken verhandelbaar te zijn. Edoeard Sjevardnadze, van 1968 tot 1972 minister van Binnenlandse Zaken van de Georgische Socialistische Sovjetrepubliek, verwierf faam door zijn harde optreden tegen corruptie. Door zijn toedoen moest Vasili Mzjavanadze, eerste secretaris van de Communistische Partij en levend symbool van corruptie, in 1972 aftreden. Sjevardnadze volgde hem op en ontsloeg nog honderden corrupte functionarissen.

In de jaren zeventig beleefde het Georgische nationalisme een opleving. Rond Zviad Gamsachoerdia en Merab Kostava ontstond een kleine maar invloedrijke nationalistische oppositie, die streed tegen de russificatie van Georgië en die streefde naar bescherming en behoud van de Georgische culturele identiteit. Toen in de grondwet zou worden opgenomen dat het Russisch in Georgië voortaan de ambtstaal zou zijn leidde dat in 1978 tot protesten, de eerste grootschalige sinds de opstand in 1956, onder studenten en medewerkers aan de Universiteit van Tbilisi. Zestien studenten werden van de universiteit verwijderd, maar de grondwetswijziging werd niet doorgevoerd.

In datzelfde jaar deed Abchazië een poging tot afscheiding van Georgië. Abchazische politici waren van mening dat Abchazen te weinig economische, linguïstische, politieke en culturele rechten hadden. Sjevardnadze loste de crisis op door de Abchazen meer burgerrechten te geven.

Van 1980 tot 1984 maakte Georgië als gevolg van Sjevardnadzes landbouwpolitiek een economische crisis door. Hij verordonneerde dat boeren niet meer dan één koe in eigen bezit mochten hebben en dat zij hun producten niet meer vrij op de markt mochten aanbieden. De volledige landbouwproductie moest voortaan bij kolchozen worden afgeleverd. Dit besluit leidde tot een dermate tekort aan levensmiddelen dat een systeem van distributie via distributiebonnen moest worden ingevoerd.

Sjevardnadze trad met harde hand op tegen de steeds weer oplevende oppositie. Zo liet hij begin jaren tachtig de kritische journaliste Nazi Sjamanaoeri opnemen in een psychiatrische kliniek, waar zij in 1983 overleed. In november 1983 mislukte een poging van negen jongeren om te vluchten door een vliegtuig te kapen. Zij kaapten Aeroflot-vlucht 6833 van Tbilisi naar Leningrad met de bedoeling de vlucht in Turkije tot landen te dwingen. Het cockpitpersoneel verzette zich gewapenderhand en het vliegtuig landde in Tbilisi. In augustus 1984 werden de kapers met Sjevardnadzes instemming ter dood veroordeeld en geëxecuteerd, ondanks de voor gratie pleitende petities die op particulier initiatief waren ingediend.

Naar de onafhankelijkheid[bewerken]

In 1985 werd Sjevardnadze benoemd tot minister van Buitenlandse Zaken van de Sovjet-Unie. In Georgië werd hij opgevolgd door Dzoember Patiasjvili. Onder zijn conservatieve leiding kwijnden verschillende van Sjevardnadzes initiatieven weg. Patiasjvili stelde daar geen eigen beleid voor in de plaats. Hij verwijderde een aantal van Sjevardnadzes naaste medewerkers en negeerde de oppositie, die zich in reactie ondergronds organiseerde. Aan het einde van de jaren tachtig kwam het tot hongerstakingen en tot verschillende gewelddadige protesten. Bovendien klonken in Abchazië wederom stemmen die opriepen tot afscheiding. Patiasjvili had daar geen oren naar. De Georgische oppositie verzette zich tegen zowel de Georgische regering als tegen de afscheiding van Abchazië, en streefde naar een van de Sovjet-Unie onafhankelijke Republiek Georgië. Op 9 april 1989 sloeg het leger een protestmanifestatie in Tbilisi neer, onder meer met gebruikmaking van traangas. Het resultaat was dat nationalisme en anti-Sovjetgevoelens des te sterker werden, ook in de Opperste Sovjet van Georgië. Op 19 november 1989 besloot de Opperste Sovjet dat het land, het water, de bodemschatten en de productiemiddelen voortaan eigendom waren van de Georgische Republiek. De Opperste Sovjet erkende een recht op afscheiding van de Sovjet-Unie en veroordeelde de annexatie van 1921. Op 9 maart 1990 eiste de Georgische Opperste Sovjet onderhandelingen over een onafhankelijke Georgische regering.

Op 28 oktober 1990 werden er met meerdere partijen verkiezingen gehouden voor de Opperste Sovjet. Winnende partij was de lijstverbinding Mrgvali Magida Tavisoepali Sakartvelo (Ronde Tafel Vrij Georgië). Partijvoorzitter en voormalig dissident Zviad Gamsachoerdia werd voorzitter van de Opperste Sovjet van Georgië. Op zijn politieke agenda stonden onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie en een democratische regeringsvorm, maar hij had ook nationalistische eisen zoals scherpe immigratieregels en strenge eisen voor het Georgisch staatsburgerschap.

Na een referendum op 31 maart 1991, waarbij 98,9% van de kiezers vóór stemde, verklaarde Georgië zich op 9 april 1991 onafhankelijk. De eerste verkiezingen van de onafhankelijke republiek werden geagendeerd voor de maand mei van dat jaar. Gamsachoerdia eiste dat de Russische militaire bases in Georgië ontmanteld zouden worden en onderstreepte de onafhankelijkheid door te weigeren om toe te treden tot het Gemenebest van Onafhankelijke Staten, een los verband van ex-Sovjetstaten dat bij de val van de Sovjet-Unie in december 1991 ontstond.

De Republiek Georgië: vanaf 1991[bewerken]

Gamsachoerdia versus Sjevardnadze[bewerken]

Op 16 mei 1991 werd Gamsachoerdia met 86% van de stemmen gekozen tot de eerste president van de onafhankelijke Republiek Georgië. Hij voerde een autoritair regime, waarbij hij een aantal oppositieleden gevangen liet zetten. De politieke spanningen liepen op toen de oppositie zich verenigde in een anti-Gamsachoerdiacoalitie en er paramilitaire verzetsgroepen ontstonden. Onder leiding van Tengiz Kitovani en Dzjaba Ioseliani belegerden op 22 december 1991 paramilitaire groepen en een deel van de Georgische Nationale Garde het parlementsgebouw. Gamsachoerdia wist in januari 1992 met tachtig van zijn aanhangers te ontkomen naar Armenië, waarvandaan hij verder vluchtte naar Tsjetsjenië. Op 6 januari kwam aan de gevechten een einde. Er werd een Militaire Raad gevormd met Kitovani en Ioseliani als voorzitters. Het ambt van president en de zitting van het parlement werden opgeschort in afwachting van nieuwe verkiezingen. Ter overbrugging werd in maart 1992 een nieuw staatsorgaan gevormd: een 50 leden tellende Staatsraad waarvan Edoeard Sjevardnadze, die als leider van de Georgische Socialistische Sovjetrepubliek zo hard was opgetreden tegen zowel corruptie als oppositie, voorzitter werd. De Europese Unie erkende de onafhankelijke Republiek Georgië op 23 maart 1992.

De Republiek Georgië onder Sjevardnadze[bewerken]

Edoeard Sjevardnadze

Op 11 oktober 1992 werden presidents- en parlementsverkiezingen gehouden. Sjevardnadze werd met ruim 90% van de stemmen tot president gekozen[16]. In grote delen van Abchazië en Zuid-Ossetië werd echter niet gestemd, omdat deze gebieden zich onafhankelijk van Georgië hadden verklaard.

In 1992 escaleerde een conflict met separatistische groepen in Georgiës autonome republiek Abchazië. Het leger werd daarheen gestuurd om het separatisme tot staan te brengen. De separatisten verweerden zich echter hevig en in september 1993 leden de regeringsstrijdkrachten een nederlaag. De Georgische bevolking werd van het Abchazische grondgebied verdreven. Ook in Zuid-Ossetië braken gevechten uit en sloeg de Georgische bevolking op de vlucht. In deze gebieden werden VN-vredestroepen gestationeerd. In het zuidwesten van Georgië werd intussen de autonome republiek Adzjarië uitgeroepen, die van 1991 tot 2004 werd geleid door Aslan Abasjidze. In die periode had Georgië ook over dit gebied weinig zeggenschap.

Door de oorlog in Abchazië verslechterden de toch al niet zo goede verstandhouding tussen Georgië en Rusland. Rusland staakte de energievoorziening naar Georgië, hetgeen leidde tot een economische terugval. Op 27 juli 1993 werd een staakt-het-vuren overeengekomen. De Georgische troepen trokken zich langzaam terug. In Georgië zag men dit als een nederlaag en het parlement stemde niet in met een vredesakkoord. Sjevardnadze nam dit besluit derhalve alleen, waardoor zijn populariteit verder afnam. In een poging zijn gezag te herstellen ontsloeg hij in mei 1993 Kitovani en Ioseliani. Intussen startten de Abchazische troepen een offensief tegen de zich terugtrekkende Georgiërs en op 27 september 1993 viel Soechoemi in handen van de Abchazen. Een paar dagen eerder was Gamsachoerdia teruggekeerd naar Georgië. Hij leidde een opstand tegen de regering, waarop Rusland besloot om troepen naar Tbilisi te sturen, die de opstand van Gamsachoerdia snel de kop indrukten.

Tijdens het presidentschap van Sjevardnadze werd de staatsinrichting zoals voorgeschreven door de grondwet gevolgd. Toch ontstond er onvrede, doordat hij op politiek belangrijke functies persoonlijke vrienden benoemde. Daardoor werd zijn invloed op het land zeer groot. In oktober 1993 nam Sjevardnadze wederom een impopulair besluit door aan te kondigen dat Georgië alsnog zou toetreden tot het GOS. Parlement en bevolking meenden dat het land daardoor verder in Russische handen werd gedreven. Die indruk werd versterkt doordat op 11 november dat jaar Sjevardnadze de overwinning op Abchazië uitriep, en daarbij dank uitsprak aan de Russen. Op 1 december tekenden Georgië en Abchazië een memorandum. Gamsachoerdia stierf op 31 december, onder niet opgehelderde omstandigheden. De toetreding van Georgië tot het GOS werd in maart 1994 gerealiseerd. In 1995 stond Sjevardnadze aan Rusland het gebruik gedurende twintig jaar van drie militaire bases op Georgisch grondgebied toe.

Op 29 augustus 1995 overleefde Sjevardnadze een aanslag, gepleegd op zijn regeringslimousine. In reactie ontsloeg hij zijn minister van nationale veiligheid en liet hij enkele aanhangers van Gamsachoerdia arresteren. De presidentsverkiezingen van 5 november won hij met 70% van de stemmen. Sjevardnadze zocht aansluiting bij de Verenigde Staten en bij Europa. Hij verklaarde te willen toetreden tot de Europese Unie en tot de NAVO. In 1996 kreeg Georgië een Hoge Raad en in 1997 werd de doodstraf afgeschaft. Toch gedroeg de regering-Sjevardnadze zich niet voorbeeldig. Amnesty International en de Internationale Helsinki Federatie van Mensenrechten publiceerden kritische rapporten over de mensenrechtensituatie in het land. Hoewel de doodstraf was afgeschaft kwamen mishandeling en foltering, ook van politieke oppositie, nog voor. Op 9 februari 1998 werd opnieuw een aanslag gepleegd op Sjevardnadze. De voormalig minister van Financiën, Goeram Absandze, werd gearresteerd op verdenking van financiering van de aanslag. Toen in mei 1998 wederom gevechten uitbraken in Abchazië en niet lang daarna de ministers van energie en van defensie hun ontslag indienden kwam de regering verder in de problemen. Onderhandelingen tussen Sjevardnadze en Abchazië mislukten.

De campagnes in de aanloop van de verkiezingen van oktober 1999 gingen gepaard met geweld en intimidaties. Hoewel waarnemers van de OVSE hun vraagtekens zetten bij het verloop van de verkiezingen, werden de uitslagen toch goedgekeurd. Het nieuwe parlement bestond uit aanhangers van Sjevardnadze[17].

Kort daarna, in april 2000, won Sjevardnadze opnieuw de verkiezingen met bijna 80% van de stemmen[17]. Desondanks brak er in het najaar van 2001 in Tbilisi een opstand uit, als gevolg van een inval die de overheid uitvoerde bij het kritische radiostation Roestavi-2. Aangevoerd door Micheil Saakasjvili demonstreerden duizenden voor het vertrek van Sjevardnadze.

Opkomst en regering van Saakasjvili[bewerken]

Rozenrevolutie: betogers in Tbilisi, november 2003
Micheil Saakasjvili

Saakasjvili was sinds 2000 minister van Justitie en presenteerde in 2001 een wetsontwerp om de corruptie aan te pakken: politici zouden voortaan opgave moeten doen van hun inkomsten. Sjevardnadzes afwijzing van dit voorstel leidde ertoe dat Saakasjvili toetrad tot de oppositie. Hij formeerde in oktober 2001 een eigen oppositiepartij: de Verenigde Nationale Beweging.

Bij de verkiezingen van 2003 constateerden internationale waarnemers wederom veel onregelmatigheden. Hoewel volgens de officiële uitslag Sjevardnadze weer met een grote meerderheid had gewonnen, deden exitpolls vermoeden dat Saakasjvili de werkelijke winnaar was. Saakasjvili riep op tot een vreedzaam protest om nieuwe verkiezingen af te dwingen. De Rozenrevolutie brak uit. In het hele land werd gedemonstreerd tegen Sjevardnadze. Op 22 november 2003 bereikten de protesten een hoogtepunt, toen Saakasjvili en andere betogers met rozen in hun hand een speech van Sjevardnadze interrumpeerden. Bij een bestorming van het presidentieel paleis drongen duizenden betogers het gebouw binnen. Sjevardnadze riep de noodtoestand uit en vroeg hulp van het leger, die dat echter weigerde. Hij legde daarop zijn functie neer. Tot aan de nieuwe verkiezingen werd parlementsvoorzitter Nino Boerdzjanadze aangesteld als interim-president. In januari 2004 werd Saakasjvili gekozen tot de nieuwe president van Georgië. Een van de besluiten van het parlement was het in gebruik nemen van een andere vlag en een ander wapen. Gekozen werd voor symbolen die gebaseerd waren op symbolen uit het middeleeuwse Georgisch koninkrijk van de Bagrationi.

Saakasjvili zocht voor belangrijke posten zijn ministers onder in het buitenland verblijvende Georgiërs. Zijn stokpaardje, de corruptie, ging hij voortvarend te lijf. Bovendien privatiseerde hij verschillende overheidsbedrijven. Door de hervormingen nam in dat jaar de staatsschuld af. In Adzjarië verdreef Sjaakasjvili machthebber Abasjidze, waarna de Georgische overheid weer zeggenschap kreeg over dat gebied. In Abchazië en Zuid-Ossetië, waar de VN-troepen sinds 2000 bestonden uit Russische militairen, bleef de situatie gespannen. Het kwam regelmatig tot kortstondige gewapende conflicten.

Toetreding tot de NAVO en tot de Europese Unie bleef een belangrijk doel van de buitenlandse politiek. Voor Europese maatstaven was Georgië nog steeds een arm land. De Bakoe-Tbilisi-Ceyhanpijpleiding, die in 2005 gereedkwam, betekende voor het land een belangrijke economische impuls. Door ook de zijderoute nieuw leven in te blazen hoopte Georgië een sterkere positie te krijgen als corridor tussen Azië en Europa.

Op 6 januari 2008 won Saakasjvili de presidentsverkiezingen met 52,8 procent van de stemmen. In augustus van dat jaar laaiden de spanningen tussen Georgië en Zuid-Ossetië op. Op 7 augustus trokken Georgische troepen Zuid-Ossetië binnen. Een dag later verplaatste Rusland troepen over de grens en trok het met tanks en artillerie naar Tsinvali, naar het zei ter bescherming van Osseten met de Russische nationaliteit. Vervolgens trokken zij verder Georgië binnen, tot voorbij de stad Gori. Toenmalig EU-voorzitter Sarkozy bemiddelde voor een bestand tussen Georgië en Rusland. Afgesproken werd dat de Russische troepen zich zouden terugtrekken, maar dat Rusland een veiligheidszone mocht aanhouden. Op 12 augustus werd het staakt-het-vuren van kracht.

De oorlog bracht Georgië in een regionaal isolement, zonder dat het gedroomde lidmaatschap van de Europese Unie erdoor dichterbij kwam. De schade aan de infrastructuur en het grote getal ontheemden brachten de regering in financiële problemen, die samenvielen met de wereldwijde Kredietcrisis. Dit alles leidde tot voortdurende spanningen en een roep om het aftreden van Saakasjvili. Op 11 december 2011 vormde de zakenman en miljonair Bidzina Ivanisjvili, die in 2003 had deelgenomen aan de Rozenrevolutie, een nieuwe alliantie: "Georgische Droom". Daarmee daagde hij de Verenigde Nationale Beweging ENW uit bij de parlementsverkiezingen van 1 oktober 2012. Een grote rol in de campagne speelde een filmpje waarop te zien was, hoe gevangenen werden gemarteld. Centraal stond de machtsvraag, omdat Georgië in 2013 overgaat van een presidentieel naar een Parlementair stelsel. De winnaar van de verkiezingen, Bidzina Ivanisjvili, werd dan ook door de verliezer Saakasjvili direct belast met de vorming van de nieuwe regering.

Voetnoten[bewerken]

  1. Abesalom Vekua (2002): A New Skull of Early Homo from Dmanisi, Georgia. Science no. 5578, p. 85 - 89.
  2. Suny, Ronald Grigor (1989): The Making of the Georgian Nation. London, p.6.
  3. Ook: Parnavazi. Veel Georgische namen hebben een variant op -i. Deze i is een nominatiefuitgang, die in sommige posities verloren gaat, bijvoorbeeld voor een rangtelwoord. Dit artikel gebruikt steeds de i-loze vormen.
  4. Dit volk spreekt een taal die verwant is aan het Georgisch en is thans een minderheid in Noordoost-Turkije.
  5. De naam van dit gebied gaat terug op die van het rijk Diauehi, dat hier had gelegen.
  6. Imereti of Imerië is de opvolger van het antieke Egrisi. Het wordt van Kartli gescheiden door het Lichi- of Soeramigebergte. Imier betekent "die kant", terwijl Amier "deze kant" was.
  7. (en) Marozzi, Justin, Tamerlane: Sword of Islam, Conqueror of the World, Harper Perennial, 2005, blz. 146-147 ISBN 0007116128.
  8. De Mingreliërs, de naamgevers van dit gebied, spreken een taal die nauw verwant is aan die van de Lazen. Mingrelië werd vroeger ook Odisji genoemd.
  9. George Sanikidze - Edward W. Walker (2004): Islam and Islamic Practices in Georgia, p.6.
  10. Demoscope.ru.
  11. Demoscope.ru.
  12. www.parliament.ge/files/1_5718_330138_27.pdf.
  13. Svante E. Cornell (2002): Autonomy and Conflict. Ethnoterritoriality and Separatism in the. South Caucasus – Cases in Georgia. Uppsala.
  14. George Hewitt (1996): The Caucasus. An Overview
  15. Dan Brennan (2003): Guram Mamulia. Lifelong campaigner for Georgia's persecuted Meskhetian minority. The Guardian, 5 april.
  16. Ministerie van Buitenlandse Zaken: Ambtsbericht "Situatie in Georgië", 27 juli 1998.
  17. a b Ministerie van Buitenlandse Zaken: Algemeen Ambtsbericht Georgië, 5 februari 2004.

Literatuur[bewerken]

  • Allen, W. E. D. (1932): A History of the Georgian People. London.
  • Anchabadze, George (2005): History of Georgia: A Short Sketch. Tbilisi.
  • Awde, Nicholas (ed.) (2004): Georgia: A Short History. London.
  • Lang, David Marshall (1962): A Modern History of Georgia. London.
  • Suny, Ronald Grigor (1989): The Making of the Georgian Nation. London.
Etalagester
Etalagester Dit artikel is op 4 februari 2009 in deze versie opgenomen in de etalage.