Geschiedenis van Engeland
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Engeland is een van de oudste koninkrijken van Europa en heeft een bewogen geschiedenis. Dit artikel behandelt de geschiedenis van het land tot 1707. Voor de verdere geschiedenis van Engeland, zie Geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk. Voor de geschiedenis van andere delen van het Verenigd Koninkrijk, zie de sjabloon onderaan het artikel.
Inhoud |
[bewerk] Prehistorisch en pre-Romeins Engeland
Vondsten van beenderen en werktuigen hebben uitgewezen dat Homo erectus al zo'n 700.000 jaar geleden in het huidige Engeland leefde. Zuid-Engeland was in die tijd nog door een brede strook land verbonden met het vasteland.
In Boxgrove (Sussex) zijn sporen gevonden van een andere oermens, Homo heidelbergensis, die dateren van circa 500.000 jaar geleden. Zij joegen onder andere op olifanten, neushoorns en nijlpaarden. Ook in latere millennia leefden er verschillende soorten mensen op de Britse eilanden, onderbroken door ijstijden waarin die te koud waren voor menselijke bewoning.
De eerste Homo sapiens, met Aurignacien werktuigen, arriveerde ongeveer 32.000 jaar geleden in Engeland. Net als in de rest van Noord-Europa heerste 15.000 jaar geleden de Weichselien ijstijd, die omstreeks 10.000 jaar geleden afliep. De toendra's maakten plaats voor een afwisselende begroeiing met vooral in het zuiden en westen dichte bossen.
Zo'n 6.500 jaar voor het begin van onze jaartelling werd het zoveel warmer dat de landbrug tussen het huidige Engeland en Frankrijk werd weggespoeld, waardoor Het Kanaal ontstond. Uiteraard hadden deze veranderingen grote gevolgen voor alle leven op het aldus ontstane eiland. Rendieren en wilde paarden werden zeldzamer. Er werd nu op herten, elanden en oerossen gejaagd. De hond werd getemd en voor de jacht gebruikt. Tot in de verste uithoeken van Schotland (Orkneys) zijn uit deze periode sporen van bewoning gevonden.
Omstreeks 4.500 jaar voor Christus deden landbouw en veeteelt hun intrede op de Britse eilanden, en daarmee de Nieuwe Steentijd. Deze innovatie ontstond door bittere noodzaak, omdat door bevolkingsgroei en overbejaging het wild niet meer voldoende kon voorzien in de voedselbehoefte van de mensen. Het nomadenbestaan maakte plaats voor wonen in permanente nederzettingen, waar boeren voedsel verbouwden, ambachtslieden werktuigen vervaardigden, handelaars contacten onderhielden tussen verschillende gebieden en leiders de orde handhaafden.
In de bronstijd waaide de klokbekercultuur over van het Europese vasteland. Toen de ijzertijd aanbrak hadden de Kelten Engeland in bezit genomen. Naarmate de bevolking toenam, gingen de verschillende stammen meer oorlog met elkaar te voeren. Er zijn ruïnes van heuvelforten gevonden, waarvan de oudste stamt uit 1500 v.Chr. Nadat hij Gallië bij het Romeinse Rijk had gevoegd, richtte Gaius Iulius Caesar zijn ogen op Brittannië. Omdat de Britten de Galliërs hadden geholpen, landde Caesar in 55 v.Chr. in Engeland, maar de Britse stammen verenigden zich onder één leider, Cassivelaunus, die de Romeinen wist te verdrijven. Ondanks dit succes duurde de eendracht niet lang en de Romeinse interesse in Brittannië bleef onverminderd groot.
[bewerk] Romeins Engeland
In 43 n.Chr. lanceerde keizer Claudius, belust op militaire roem, de Romeinse invasie van Brittannië. Na enkele jaren strijd werden heel Engeland en Wales aan de Romeinen onderworpen. In de veroverde gebieden stichtten de Romeinen de provincie Britannia, met Londen (Londinium) als hoofdstad. Om de romanisatie te versnellen stichtten de Romeinen nog veel meer steden, zoals Colchester (Camulodunum), Canterbury (Durovernum), Dover (Dubris), York (Eboracum) en St. Albans (Verulamium). Het repressieve beleid leidde in 61 tot de opstand van de Iceni o.l.v. hun koningin Boudicca. Pas nadat Boudicca Londen, Colchester en St. Albans had geplunderd, slaagden de Romeinen erin de opstand neer te slaan. Zij deden dit zo grondig, dat het Romeinse gezag nooit meer betwist werd door de Britten zelf; de Romeinen zouden in de 5e eeuw zelf wegtrekken. Engeland diende vervolgens als uitvalsbasis voor de beroemde gouverneur Agricola tijdens zijn operaties tegen de Caledoniërs in Schotland. Ondanks een grote overwinning bij Mons Graupius werd Agricola door Domitianus teruggeroepen, waardoor alle veroveringen in Schotland teniet werden gedaan.
Britannia ontwikkelde zich tot een rustige en vredige provincie. In 120 bracht keizer Hadrianus een bezoek aan de provincie en zag in dat de noordgrens van de provincie (ruwweg de hedendaagse grens tussen Schotland en Engeland) slecht beveiligd was. Hij liet daarom de Muur van Hadrianus bouwen die de volgende 300 jaar de provincie tegen Caledonische aanvallen zou beschermen.
In 211 stierf in York keizer Septimius Severus, die in de jaren daarvoor een veldtocht tegen de Caledoniërs had geleid. De Romeinse crisis van de 3e eeuw ging aan Britannia niet onopgemerkt voorbij. Aan het einde van de 3e eeuw riep Carausius zich uit tot keizer van een eigen Romeinse rijk in Britannia. Na een kort bestaan werd dit rijk door Constantius Chlorus weer bij het Romeinse Rijk gevoegd. In de 4e eeuw werd Britannia steeds meer geteisterd door aanvallen van Saksische invallers. De Romeinen bouwden een verdedigingslinie, de zogenaamde Saksenkust. Uiteindelijk trok keizer Honorius in 410 de Romeinse legioenen terug, omdat deze Italië moesten verdedigen tegen de barbaren. De macht viel toe aan geromaniseerde Kelten, die ontredderd achterbleven.
[bewerk] Angelsaksisch Engeland
Met het vertrek van de Romeinen in het begin van de 5e eeuw was de bevolking niet opgewassen tegen de in de loop van de 5e en 6e eeuw binnenvallende Germanen, die de oorspronkelijke inwoners verdreven naar de uithoeken van het land, voornamelijk Cornwall en Wales. De naam Engeland verwijst naar een periode in de geschiedenis waarin het land overstroomd werd door Germaanse stammen: de Angelen, Saksen en Juten. Hierbij waren de Angelen echter niet de dominante partij. Er was sprake van onderlinge strijd tussen de stammen, maar de Angelen, Saksen en Juten deelden een gezamenlijke achtergrond en cultuur en het is terecht dat zij gezamenlijk als Angelsaksen worden aangeduid. De naam van de Saksen leeft voort in de naam van de huidige graafschappen Essex en Sussex (het gebied van resp. de Oost- en de Zuid-Saksen), de Londense regio Middlesex en in de naam Wessex, een invloedrijk koninkrijk (zie hieronder). Wessex bestaat als graafschap niet meer, al spelen de romans van Thomas Hardy zich voornamelijk af in dit door hem zo genoemde gebied.
Op den duur vormden de nieuwkomers eigen staten, die soms besloten tot samengaan. Zodoende ontstond de zogeheten Heptarchie-periode, die duurde van ruwweg 500 tot 850. Binnen een zevental onderscheiden koninkrijken bestond een zekere hiërarchie en werd een van de koningen beschouwd als Bretwalda, een vorst aan wie meer invloed werd toegekend dan de anderen.
Het is moeilijk vast te stellen op welk moment de eenwording van Engeland plaatsvond. Veelal wordt Egbert, de koning van Wessex, beschouwd als de eerste koning van heel Engeland. Het was echter pas Alfred de Grote (koning van 871-899) die zichzelf Koning van Engeland noemde.
Vanaf 793 wordt Angelsaksisch Engeland geteisterd door Vikingaanvallen vanuit Scandinavië. In hetzelfde jaar wordt het rijke klooster Lindisfarne door hen geplunderd en vernietigd. De Vikingen zouden in de volgende eeuw nog veel meer rooftochten organiseren. Halverwege de 9e eeuw sloegen deze rooftochten om in ware veroveringstochten. Al snel kregen de Denen grote delen van Oost-Engeland in handen, dat zij Danelaw noemen. In 878 weet de bovengenoemde Alfred de Grote de Deense leider Guthrum bij Edington te verslaan. In het Verdrag van Wedmore werd vastgelegd dat de Denen zich in de Danelaw konden vestigen en dat daar hun wetten zouden gelden. De Denen bleven nog enkele jaren aanvallen uitvoeren, maar werden uiteindelijk door Alfred's kleinzoon Athelstan verslagen. De opvolgers van Athelstan wisten zich niet alleen in naam, maar ook feitelijk tot koning van geheel Engeland te maken.
In 1002 laat Athelstan's onbekwame achterneef Ethelred II op St Brice's Day alle Denen in het land ombrengen. Hiermee riep hij de toorn van de Deense Vikingkoning Sven Vorkbaard op zich af. Die viel Engeland verschillende keren aan, maar werd iedere keer afgekocht. In 1013 besloot Sven echter dat hij zelf koning van Engeland wilde worden en hij verbande Ethelred. Sven kon niet lang genieten van zijn heerschappij, want hij stierf een jaar later . Zijn claim op de troon werd overgenomen door zijn zoon, Knoet de Grote. Ethelred keerde terug uit ballingschap. Hij slaagde er niet in de Denen te verdrijven en stierf in 1016. In hetzelfde jaar kwam het bij Ashington tot een treffen tussen Knoet en Ethelred's zoon Edmund Ironside. Na de onbesliste slag werd besloten het land tussen de beide pretendenten te verdelen. Ook afgesproken werd dat als de een zou sterven, de ander zijn land zou krijgen. Later dat jaar stierf Edmund en werd Knoet, een Deen, koning over heel Engeland.
Knoet was een veel betere koning dan verwacht. Hij respecteerde de Angelsaksische wetten en bestuurde het land wijs een rechtvaardig. Knoet was in zijn tijd de machtigste vorst van Europa, omdat hij koning was van Denemarken, Noorwegen en Engeland. Zijn macht zorgde ervoor dat hij omringd werd door vleiers. Toen een van hem opmerkte dat hij zelfs de zee kon bevelen, nam de koning zijn hele hofhouding mee naar het strand, waar hij de zee beval zich terug te trekken. Toen dit niet gebeurde, vertelde Knoet zijn hovelingen dat hij, ook al was hij koning, gewoon een mens was. In 1035 stierf Knoet en ontstond er een opvolgingsstrijd tussen zijn zonen, Harold Hazenvoet en Hardeknoet. Hardeknoet was de wettige koning van Engeland en zette een expeditie op touw om Harold af te zetten. Toen de exepeditie in 1040 in Engeland aankwam, was Harold al overleden en werd Hardeknoet de onbetwiste koning. Hij maakte zich door hoge belastingen erg impopulair. Hij haalde de zoon van Ethelred, Eduard de Belijder, terug naar Engeland om hem tot zijn troonopvolger te maken.
Toen Hardeknoet in 1042 stierf viel de kroon toe aan Eduard, een Angelsaks. Eduard was een erg religieuze man, vandaar zijn bijnaam de Belijder. Hierdoor was hij erg kuis en deed hij aan seksuele onthouding. Hij kreeg geen kinderen. Zijn regering was erg onrustig, omdat Eduard door zijn jeugd in Normandië veel Normandiërs een invloedrijke positie gaf. Dit zinde de Saksische earls, o.l.v. Godwin van Wessex, niet. Er was dan ook geregeld sprake van conflicten tussen de koning en Godwin. Eduard liet, met hulp van zijn Normandische adviseurs, de Westminster Abbey bouwen. Eduards hele regeerperiode werd overschaduwd door zijn kinderloosheid en toen hij op in januari 1066 stierf, barstte er een opvolgingsstrijd uit.
[bewerk] Normandisch en Middeleeuws Engeland
1066 was een beslissend jaar in de Engelse geschiedenis. In dat jaar werd de Engelse troon opgeëist door drie mannen: Harold Godwinson, earl van Wessex, Harald III van Noorwegen en hertog Willem van Normandië. Harold werd door de Engelse edelen uitgeroepen tot koning Harold II en wist op 25 september de Noren in de Slag van Stamford Bridge te verslaan. In oktober viel Willem het land binnen en versloeg koning Harold II in de Slag bij Hastings op 14 oktober. Deze 'Norman Conquest' (op unieke wijze vereeuwigd in het Tapijt van Bayeux) had ingrijpende gevolgen, niet alleen op het gebied van het landsbestuur, maar ook op de ontwikkeling van de Engelse taal.
Willem de Veroveraar exporteerde het continentale feodalisme naar Engeland. De Angelsaksische edelen werden onteigend en vervangen door Normandische edelen. Willem liet in 1086 ook het Domesday Book opstellen, waarin alle bezittingen van alle personen in Engeland stond opgetekend. Hierdoor kon Willem gemakkelijker belastingen heffen. Op 9 september 1087 kwam Willem de Veroveraar om, toen hij tijdens een beleg van zijn paard viel.
Na de dood van Willem werden zijn domeinen onder zijn zonen verdeeld. De oudste zoon, Robert Curthose, volgde zijn vader op als hertog van Normandië. De middelste zoon, ook Willem geheten, volgde zijn vader op als koning Willem II Rufus. Hendrik, de jongste zoon, kreeg een grote som geld. Willem II was een impopulaire koning en hij kwam al snel in conflict met zijn broer Robert. Dit was een bron van zorg voor veel edelen, die bezittingen hadden in zowel Engeland als Normandië. Toen Robert op kruistocht ging, droeg hij het gezag over Normandië over aan Willem Rufus. Toen Robert terugkeerde was het lang onzeker of hij Normandië ooit terug zou krijgen. Op 2 augustus 1100 kwam Willem Rufus onder verdachte omstandigheden om het leven tijdens een jachtongeval. Hendrik maakte zich onmiddellijk meester van de koninklijke schatkist in Winchester en liet zich tot koning van Engeland kronen. Hij voerde nog zes jaar oorlog tegen zijn broer Robert, voordat hij hem in de Slag van Tinchebrai (1106) een beslissende nederlaag toebracht. Hendrik deed zijn best om het land te stabiliseren en de geschillen tussen de Angelsaksische en Normandische bevolkingsgroepen en culturen glad te strijken.
Tijdens de regering van Stephen (1135 - 1154) kregen de feodale baronnen het voor het zeggen en was er opnieuw sprake van burgeroorlog en wetteloosheid. De koning gaf grote stukken van het grondgebied over aan de voortdurend aan de grenzen morrelende Welsh en Schotten, in een poging hen tot rust te manen. Zijn strijd met zijn nicht Mathilde, de dochter van Hendrik I, die haar vader als opvolger had aangewezen, leidde tot zijn (tijdelijke) val. Opnieuw volgde een periode van grote onrust. Mathilde hield het niet lang vol en keerde in 1148 terug naar Frankrijk. Haar zoon zou Stephen opvolgen als Hendrik II.
[bewerk] De Plantagenet-dynastie
Hendrik II stichtte de Plantagenet-dynastie. Hij huwde in 1152 Eleonora van Aquitanië, de erfgename van een groot gebied in Zuidwest-Frankrijk, dat aan zijn domein werd toegevoegd. Hij kwam in conflict met de kerk die vertegenwoordigd werd door de bisschop van Canterbury, Thomas Becket. In 1170 werd de bisschop vermoord door vier overijverige ridders, die een figuurlijke verwensing van de koning te letterlijk hadden genomen. In de jaren zeventig van de 12e eeuw veroverde Hendrik grote delen van Ierland. Zijn grote rivaal was de Franse koning Filips II Augustus, met wie hij geregeld oorlogen voerde. De relatie met Eleonora was ondertussen op de klippen gelopen en zijn zoons, die grote gebieden in Frankrijk bezaten, kwamen in opstand tegen hun vader. Na de dood van twee troonopvolgers (Henry the Young King en Geoffrey van Anjou) stierf Hendrik op 7 juli 1189 te Chinon.
Hij werd opgevolgd door zijn zoon Richard I Leeuwenhart, die Engeland vrijwel meteen verliet om deel te nemen aan de Derde Kruistocht. Zijn plaatsvervanger was zijn broer Jan, die volgens de Robin Hoodlegende een waar schrikbewind voerde. De kruistocht zelf was geen groot succes en op de terugweg werd hij door hertog Leopold V van Oostenrijk gevangengenomen, wiens vaandel hij tijdens de kruistocht door het slijk had laten slepen. Nadat Jan een losgeld van 150,000 marken had betaald, werd de koning vrijgelaten. Toen hij terugkeerde maakte hij een einde aan het bewind van Jan, maar maakte hem wel tot zijn erfgenaam. Voor de rest van zijn leven zou Richard oorlog voeren tegen zijn vroegere vriend en strijdmakker Filips Augustus. Op 6 april 1199 werd Richard dodelijk getroffen door een pijl, tijdens het beleg van een relatief onbelangrijke vesting, Châlus.
Omdat Richard kinderloos was toen hij stierf, werd Jan nu zelf koning. De Engelse gebieden accepteerden hem vrijwel direct als koning, maar de Franse gebieden (met uitzondering van Normandië) schoven Jan's neef Arthur naar voren als koning. Arthur was een gewillige speelbal in de handen van Filips Augustus. In 1203 ontdeed de koning zich van Arthur door hem te wurgen. De oorlogen in Frankrijk duurden echter voort en in de Slag bij Bouvines (1214) verloor Jan alle gebieden in Frankrijk. Net als zijn vader was Jan veelvuldig in conflict met de kerk en kon zijn koningschap alleen redden door zijn land te besturen als pauselijk leen (hij bezat feitelijk geen land, vandaar zijn bijnaam Jan zonder Land). Zijn hele regeerperiode werd gekenmerkt door een strijd met de edelen. Na het verlies van de Franse gebieden kwamen de edelen massaal in opstand en koning Jan moest in Runnymede de Magna Carta ondertekenen, dat aan de baronnen veel rechten toekende. In oktober 1216 stierf Jan. Hij werd opgevolgd door zijn negenjarige zoon Hendrik.
Omdat Hendrik III minderjarig was, werd het land bestuurd door regenten. De regenten namen zich voor om te heersen volgens de Magna Carta, die door hen werd bevestigd. In 1227 werd Hendrik meerderjarig en hij was vast van plan de koninklijke macht te herstellen. Hiermee maakte de jonge koning zich erg impopulair bij de edelen. Deze onvrede werd versterkt door de keuze van zijn hovelingen. Tot grote ergernis van de Engelse adel bevoorrechtte Hendrik de Franse familieleden van zijn vrouw, Eleonora van Provence. Uiteindelijk leidde de onvrede tot gewapend verzet van de edelen. Hun leider was de voormalige Franse hoveling, Simon de Montfort. Na een korte strijd accepteerde de koning de Oxford Provisions, waarin de toestemming werd gegeven tot de vorming van een parlement. De koning kwam echter snel terug op deze belofte en de strijd laaide opnieuw op. In 1264 werd het koninklijke leger in de Slag bij Lewes verpletterend verslagen en de koning werd gevangengenomen. De koning werd slechts gered door de tijdige interventie van zijn zoon, Eduard, in de Slag bij Evesham het jaar erop. Vanaf 1265 bestuurde Eduard in feite het koninkrijk. Toen Eduard op kruistocht was, stierf Hendrik (1272) en werd Eduard koning.
Eduard bracht het grootste deel van zijn regeerperiode door met oorlog voeren. Hij wilde heel Groot-Brittannië onder zijn heerschappij brengen. Zijn eerste doelwit was Wales. Hendrik III moest in 1267 Llywelyn ap Gruffydd erkennen als Prins van Wales. Llywellyn weigerde Eduard als zijn leenheer te erkennen en Eduard liet Eleonora de Montfort, de verloofde van Llywelyn en dochter van de roemruchte Simon de Montfort, ontvoeren. Dit leidde tot een conflict. Eduard viel Wales binnen en Llywelyn moest heel Wales, op Gwynedd na, opgeven. Wel mocht hij de titel Prins van Wales behouden. De vrede was van korte duur. De broer van Llywelyn, Dafydd, lanceerde in 1282 een aanval op de Engelsen en Llywelyn moest zijn broer te hulp komen. Zijn strijdkrachten waren geen partij voor Eduard en Wales werd veroverd. Eduard zou in 1301 zijn erfgenaam Eduard tot Prins van Wales maken.
Op binnenlands gebied was Eduard bekend vanwege het bijeenroepen van het eerste Parlement met een Lagerhuis en een Hogerhuis en het verdrijven van de Joden in 1290.
Eduard had ook interesse in de aangelegenheden van het buurkoninkrijk Schotland. Hij zag zijn kans schoon in 1286, toen koning Alexander III van Schotland met paard en al van een klif af stortte. Omdat de minderjarige Margaret van Noorwegen erfgename was, vreesden de Schotse edelen voor een troonstrijd en zij riepen de hulp in van Eduard. In 1290 zou Margaret naar Schotland reizen, maar zij stierf op de Orkney-eilanden voordat ze het landsbestuur had overgenomen. Er barstte een hevige troonstrijd los en Schotland had maar liefst dertien troonpretendenten (waaronder Floris V van Holland). Opnieuw werd aan Eduard gevraagd of hij kon ingrijpen. Eduard wees John Balliol aan als de rechtmatige koning van Schotland en gebruikte hem als stroman om het land te besturen. John Balliol kwam in opstand, maar de Schotten werden op 27 april 1296 bij Dunbar verslagen. Eduards poging om Schotland zelf te besturen viel in slechte aarde en later dat jaar kwamen de Schotten in opstand o.l.v. William Wallace en Andrew Moray. Zij versloegen op 11 september 1297 een Engels leger bij Stirling Bridge. Dit kon Eduard niet over zijn kant laten gaan en hij nam hoogst persoonlijk de leiding over de Engelse legers in Schotland op zich. Op 22 juli 1298 raakte Eduard bij Falkirk slaags met Schotse troepen onder het commando van William Wallace. Eduard behaalde een eclatante overwinning, waarmee hij zijn tactische vaardigheden demonstreerde en de bijnaam Hamer der Schotten (Hammer of the Scots) kreeg. Zijn successen in Schotland waren niet blijvend en in 1307 stond hij op het punt om de steeds sterker wordende Robert the Bruce het hoofd te bieden, maar hij stierf in Burgh-on-Sands (nabij Carlisle).
Zijn opvolger, Eduard II, was uit heel ander hout gesneden dan zijn vader. Hij was vergeleken met zijn vader week en niet in de wieg gelegd om soldaat te worden. Eduard was ook de eerste Engelse monarch van wie we weten dat hij homoseksueel was. Volgens Eduard I was zijn zoon verpest door de liefde voor Piers Gaveston, een ridder uit Gascogne. Deze werd in 1312 vermoord. Eduard liet het land steeds meer besturen door baronnen uit het Parlement. In 1314 besloot Eduard een einde te maken aan de voortdurende opstand van Robert the Bruce in Schotland, maar hij werd op 24 juni verpletterend verslagen in de Slag om Bannockburn. Dit markeerde het de facto einde van de Schotse Onafhankelijkheidsoorlogen, waaruit Schotland als overwinnaar tevoorschijn kwam. Hij maakte zich extreem impopulair door het land te besturen met behulp van de corrupte Despenser-familie. In 1327 zette Eduards vrouw, Isabella van Frankrijk, hem met hulp van Roger Mortimer, een machtige baron, af en verving hem door haar minderjarige zoon, Eduard III. Ze hoopte invloed op hem uit te oefenen. De positie van de koningin en haar minnaar Mortimer werd, na een nadelige vrede met Schotland, steeds onhoudbaarder. Ze besloten Eduard II, die in gevangenschap zat, te vermoorden. De heerschappij van de koningin was van korte duur. Een jaar later zette haar zoon haar af in een staatsgreep en begon hij het land zelf te besturen.
[bewerk] Engeland tijdens de Honderdjarige Oorlog
Eduard bleek een energieke koning en in 1333 begon hij zich te bemoeien met Schotland. Zijn overwinning in de Slag van Halidon Hill was een vroeg succes voor de jonge koning. In 1337 raakte Eduard betrokken bij een klein feodaal conflict met zijn leenheer, Filips VI van Frankrijk, over het leen Guyenne. Koning Filips probeerde Eduard de hertogstitel af te nemen, waarop Eduard III zichzelf uitroept tot koning van Frankrijk. Hoewel Engeland als veel zwakker werd beschouwd dan Frankrijk, slaagde Eduard er in dit beeld volledig te ontkrachten in de Slag bij Crécy (1346). De Engelse boogschutters bleken te sterk voor de Franse ridderscharen.
In 1348 werd Engeland, net als de rest van Europa, zwaar getroffen door de Zwarte Dood. Desondanks ging de strijd in Frankrijk verder. In 1356 brachten de Engelsen de Fransen opnieuw een zware slag toe in de Slag van Poitiers. In de jaren daarna ontmoetten de Engelsen steeds meer weerstand van Franse troepen o.l.v. Bertrand du Guesclin en de oorlog kwam in een impasse terecht. Dit leidde uiteindelijk tot vredesbesprekingen en in 1360 werd de Vrede van Brétigny gesloten. De Engelsen kregen de zeggenschap over heel Aquitanië en Eduard zag af van de Franse troon.
Van Eduard III is bekend dat hij naast Frans, de taal van de Normandisch adel, ook Engels sprak. Engels was de taal van het Angelsaksische volk en had sinds de Normandische Verovering grote veranderingen ondergaan, onder invloed van het Frans. De oorlog tegen Frankrijk zorgde ervoor dat het Engels werd bevorderd. Het was ook rond deze tijd dat de eerste echt Engelse literatuur verscheen, namelijk de Canterbury Tales van Geoffrey Chaucer. In de loop van de honderden jaren had zich een Engelse identiteit gevormd, gesymboliseerd door de taal en de vlag. In 1377 stierf Eduard III. Eduard wordt nog altijd gezien als een van de meest succesvolle koningen in de Engelse geschiedenis.
Zijn opvolger was zijn 10-jarige kleinzoon, Richard II. Richard's regering begon veelbelovend, maar hoge belastingen leidden tot een boerenopstand o.l.v. Wat Tyler. Richard onderscheidde zich door zijn moedige optreden. De opstandelingen eisten het aftreden van 's konings adviseurs, diens oom Jan van Gent en Robert Hales, en de afschaffing van het lijfeigenschap. Uniek was dat Richard zich erg verzoenend opstelde en op de eisen inging. Uiteindelijk mislukte de opstand doordat Wat Tyler omkwam in een schermutseling met de burgemeester van Londen, William Walworth. De concessies werden vlug teruggedraaid. Hoewel het lijfeigenschap tot in de 17e eeuw bleef bestaan in Engeland, betekende de opstand het de facto einde van de institutie in Engeland. Ook roerde zich een sekte van kerkhervormers, de Lollarden, die terug wilden naar het vroege christendom toen er nog geen kerk was en priesters nog niet bestonden. Ze werden geleid door John Wyclif. Zijn beweging werd als ketterij bestempeld door de Rooms-Katholieke Kerk.
Toen Richard zich van de voogdij van zijn ooms had onttrokken, ontwikkelde de vorst zich tot een uiterst tiranniek man en toen Richard in 1399 op veldtocht was in Ierland, keerde de zoon van Jan van Gent, Hendrik Bolingbroke, terug uit ballingschap. Hij liet Richard afzetten en vermoorden. Hij besteeg vervolgens de troon als Hendrik IV. De regering van Hendrik werd geteisterd door opstanden. De belangrijkste opstand brak in 1401 uit, toen de Welshman Owain Glyndŵr zichzelf tot Prins van Wales uitriep. Hoewel de opstand niet erg succesvol was duurde het tot 1414 voor dat de opstand onderdrukt werd.
Hendrik IV was echter al een jaar eerder overleden en werd opgevolgd door zijn zoon, Hendrik V. Hendrik besloot om tegen Frankrijk ten strijde te trekken, om zo de aandacht van de binnenlandse problemen af te leiden. Zo werd de Honderdjarige Oorlog hervat. Op 25 oktober 1415 leverde de koning slag tegen een Franse overmacht nabij het dorpje Azincourt. Ondanks het feit dat zijn mannen vermoeid en hongerig waren behaalden Hendriks' manschappen, met hulp het charisma van de koning en hun boogschutterskunsten, een klinkende overwinning op de Fransen. De slag had een dusdanige invloed op het Franse moraal en de Franse politiek, dat hertog Jan zonder Vrees van Bourgondië Hendrik V als koning van Frankrijk erkende. In 1418 werd Hendrik V in het Verdrag van Troyes tot erfgenaam van de gekke Karel VI van Frankrijk benoemd. Hij overleed echter in 1422 enkele maanden voordat Karel stierf.
Zijn zoon, Hendrik VI, was nog maar negen jaar oud toen hij zijn vader opvolgde. In Frankrijk volgde Karel VII van Frankrijk zijn vader Karel op, maar hij durfde zich niet te laten kronen, omdat de kroningsstad Reims door de Engelsen werd bedreigd. In Engeland werd Jan, de hertog van Bedford, regent. De eerste jaren van Hendrik's regering waren de Engelsen oppermachtig in Frankrijk, maar na een bezielende Franse overwinning bij Orléans o.l.v. Jeanne d'Arc keerde het tij. In 1435 liep de Bourgondische hertog Filips de Goede over naar Frankrijk en in 1453 waren de Engelsen, na een nederlaag in de Slag van Castillon, definitief uitgespeeld in Frankrijk. Alleen Kales werd voor Engeland behouden. De Honderdjarige Oorlog was dus in het nadeel van Engeland beslecht.
[bewerk] Engeland tijdens de Rozenoorlogen
De nederlaag in de Honderdjarige Oorlog zorgde voor veel beroering in Engeland. Edelen onder leiding van Richard van York, afstammeling van de rechtmatige erfgenaam van Richard II, gaven de regerende Lancasters de schuld van de nederlaag en beschuldigden de regenten van Hendrik VI, die inmiddels zwakzinnig geworden was, van machtsmisbruik. Uiteindelijk slaagde Richard erin zelf regent (Lord Protector) te worden. Toen Richard in 1455, na het herstel van Hendrik VI, het hof gedwongen moest verlaten, startte hij de Rozenoorlogen door slag te leveren in de 1ste Slag bij St Albans. Deze slag won hij met groot gemak. Na opeenvolgende overwinningen bij Blore Heath en Northampton riep Richard zichzelf uit tot koning.
Het Parlement weigerde Hendrik VI af te zetten, maar benoemde Richard tot erfgenaam van Hendrik. Richard sneuvelde echter tijdens de Slag bij Wakefield en koningin Margaretha rukte op naar Londen. De zoon van York, Eduard, bevond zich ten westen van Londen en kreeg steun van Richard Neville, 16de graaf van Warwick (bijgenaamd The Kingmaker). De opmars van de Lancasters werd gestuit toen de burgers van Londen de poorten sloten voor de troepen van koningin Margaretha en vervolgens Eduard binnenlieten. Na steunbetuigingen door de bevolking van Londen riep het Parlement Eduard uit tot koning Eduard IV. Voor tien jaar slaagde Eduard erin om het land vreedzaam te besturen. Eduard trouwde 1464 met Elizabeth Woodville, dochter van een gewone burger. Dit doorkruiste de plannen van Warwick om door middel van een huwelijk tussen Eduard en een telg van het Franse koningshuis de banden met Frankrijk aan te halen. Ook kreeg de familie van de nieuwe koningin snel meer invloed aan het hof ten koste van de invloed van de Nevilles, tot groot ongenoegen van Warwick.
In 1469 kwam Warwick in opstand en versloeg koning Eduard in de Slag bij Edgecote, die hierna gevangen werd genomen. Eduard werd echter snel bevrijd door zijn broer Richard, hertog van Gloucester, de latere Richard III. Warwick en een andere broer van Eduard, George, hertog van Clarence, werden beschuldigd van verraad en moesten naar Frankrijk vluchten. In Frankrijk sloot Warwick zich aan bij de verbannen koning Margaretha. Samen vielen ze in 1470 Engeland binnen en Hendrik VI werd weer op de troon gezet. Eduard bleef echter niet stil zitten en met hulp van Karel de Stoute van Bourgondië landde hij in 1471 in Engeland. Tijdens de Slag bij Barnet werd Warwick verslagen. Een maand later werd de Slag bij Tewkesbury uitgevochten, waarbij Hendriks zoon, Eduard, prins van Wales, om het leven kwam. Nadat op 14 mei 1471 Hendrik VI om het leven werd gebracht, leek de heerschappij van het Huis York verzekerd. Op 9 april 1483 stierf koning Eduard na een succesvolle regeerperiode.
Hij werd opgevolgd door zijn minderjarige zoon, Eduard V. In zijn testament had hij zijn broer Richard tot Lord Protector benoemd. Op 25 juni 1483 verklaarde Richard echter dat Eduard V en zijn jongere broer, Richard, buitenechtelijke kinderen waren en hij beval hun gevangenneming. Zij werden opgesloten in de Tower of London en werden bekend als de prinsjes in de Tower. Er werd nooit meer iets van ze vernomen. Richard riep vervolgens zichzelf uit tot koning Richard III. De overgebleven aanhangers van het Huis Lancaster schaarden zich rond Hendrik Tudor, een verre afstammeling van Jan van Gent (zoon van Eduard III). Met Franse hulp landde Hendrik in Pembrokeshire (Wales) en marcheerde naar Engeland. Op 22 augustus 1485 raakte het koninklijk leger slaags met de troepen van Hendrik Tudor. Dit was het begin van de Slag bij Bosworth Field. Richard had een duidelijke overmacht, maar door het verraad van de machtige Stanley-familie werd het koninklijke leger vermorzeld en sneuvelde Richard. Hendrik Tudor liet zichzelf kronen tot koning Hendrik VII. De Rozenoorlogen waren zo goed als voorbij. Toch moest Hendrik in de Slag bij Stoke Field John de la Pole, graaf van Lincoln en erfgenaam van Richard, het hoofd bieden. Deze had een jeugdige oplichter, Lambert Simnel, naar voren geschoven als koning "Eduard VI". John de la Pole sneuvelde en Hendriks grip op de troon werd volledig veiliggesteld.
[bewerk] Engeland tijdens de Tudor-dynastie
[bewerk] De heerschappij van Hendrik VII
Hendrik VII richtte zich op de uitbreiding van de economische macht van Engeland. Dit hoopte hij te bereiken door de Engelse vloot te vergroten. Hij gaf in 1497 John Cabot de opdracht om een ontdekkingsreis naar Noord-Amerika te ondernemen. Op binnenlands gebied moest Hendrik moeite doen om zijn autoriteit te doen gelden. Hij richtte daarvoor de Star Chamber op, een gerechtshof bestaande uit hemzelf, de Lord Chancellor en enkele vertrouwelingen.
In 1502 verloor hij zijn zoon Arthur, en liet hij diens weduwe Catharina van Aragón hertrouwen met zijn tweede zoon, Hendrik. In 1509 stierf Hendrik VII en werd hij opgevolgd door zijn zoon Hendrik.
[bewerk] De heerschappij van Hendrik VIII
De jonge koning was opgegroeid onder invloed van de opkomende Renaissance en hij was een begenadigd componist, jager en toernooiridder. Ook toonde hij al vroeg interesse in de christelijke godsdienst.
De vroege regeerperiode van Hendrik VIII werd op buitenlands gebied gekenmerkt door oorlog met Frankrijk. In 1511 had paus Julius II de Heilige Liga opgericht, een alliantie tussen de Kerkelijke Staat, Spanje, het Heilige Roomse Rijk en de Republiek Venetië. De alliantie had als doel de Franse macht in Italië te breken. Hendrik zag de Heilige Liga als een goede mogelijkheid om zijn gebieden in Noord-Frankrijk uit te breiden en Engeland sloot zich aan bij de Heilige Liga. In 1513 vielen Hendriks troepen het noorden van Frankrijk binnen. Vervolgens versloegen de Engelsen een Frans leger in de Slag bij Guinegate. Koning Jacobus IV van Schotland, een bondgenoot van koning Lodewijk XII van Frankrijk, viel Northumberland binnen in de hoop de Engelse troepen uit Frankrijk te krijgen. De opzet slaagde niet en de invasie werd beëindigd toen Jacobus om het leven kwam in de Slag bij Flodden Field. In 1519 was Hendrik kandidaat voor het keizerschap van het Heilige Roomse Rijk, maar uiteindelijk werd de Habsburger Karel V gekozen. In 1520 werd op het Gouden Lakenveld de oorlog met Frankrijk beëindigd en werden er vriendschapsbanden gesloten met de nieuwe Franse koning, Frans I.
De koning had echter wel problemen in zijn privéleven. Hendriks vrouw Catharina had wel kinderen gekregen, maar slechts één kind, de latere koningin Maria, overleefde de kindertijd. Hendrik zat erg om een mannelijke erfgenaam verlegen en hij werd steeds ontevredener over zijn huwelijk. Toen Hendrik Anna Boleyn leerde kennen zocht hij naar een manier op zich van Catharina te laten scheiden. Hierbij werd hij geholpen door zijn Lord Chancellor, de kardinaal Thomas Wolsey, die met de bijbel in de hand argumenten verzamelde om het huwelijk te ontbinden. Een van de argumenten was dat het huwelijk met Hendriks overleden broer Arthur niet op de juiste manier was ontbonden. Catharina liet zich echter niet zonder slag of stoot aan de kant zetten en vocht de scheiding aan bij de paus. Paus Clemens VII weigerde zijn goedkeuring te geven aan de scheiding en de betrekkingen tussen de paus en de koning bekoelden. Tot dit moment had Hendrik zich ijverig toegewijd aan het uitroeien van de Reformatie in Engeland en had hij in 1520 zelfs de titel Verdediger van het Geloof gekregen van paus Leo X. De verwijdering tussen Hendrik en Clemens had ook gevolgen voor zijn betrekkingen met kardinaal Wolsey. Na de afwijzing van de scheiding door de paus weigerde de kardinaal alle verdere medewerking aan het plan van de koning. Uiteindelijk werd een veroordeling voor hoogverraad voorkomen door de dood van de kardinaal. Zijn opvolger als Lord Chancellor was de pragmatische filosoof Thomas More, maar omdat deze zich ook niet kon vinden in de scheiding van Catharina en de verwijdering tussen de rooms-katholieke kerk en de koning nam More in 1532 ontslag. In 1535 werd More wegens hoogverraad onthoofd.
Uiteindelijk trouwde Hendrik in 1533 met Anne Boleyn, nadat hij zichzelf (door middel van de Act of Supremacy) had uitgeroepen tot hoofd van de Kerk van Engeland. Dit betekende evenwel nog geen breuk tussen de katholieke tradities en de Kerk van Engeland, omdat Hendrik de kerk zag als voortzetting van oude rooms-katholieke kerkprovincie in Engeland. In de ogen van de paus echter was het handelen van Hendrik niets minder dan geloofsafval en ketterij, omdat de katholieke kerk alleen de paus erkent als hoofd van de kerk. In 1536 werd Wales door het koninkrijk Engeland geannexeerd en later dat jaar werd Anne Boleyn, die een dochter Elizabeth had gebaard, onthoofd. Nog geen maand later hetrouwde de koning, deze keer met Jane Seymour. Zij baarde in 1537 een zoon, de latere Eduard VI, maar stierf 12 dagen later in het kraambed. Zijn volgende vrouw was Anna van Kleef, maar het huwelijk was ongelukkig en de koning scheidde van haar nog geen jaar na aanvang van het huwelijk. Vervolgens huwde Hendrik Catharina Howard, die echter in 1542 vanwege haar indiscrete levenswandel werd onthoofd. Zijn laatste huwelijk, en naar verluid zijn gelukkigste, was met Catharina Parr. Zij had een stabiliserende invloed op de driftige koning en zorgde ervoor dat de drie kinderen van de koning, Maria, Elizabeth en Eduard, een goede band met hun vader konden opbouwen en een goede opvoeding kregen.

