Democratisering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Democratisering is het vergroten van inspraak en medezeggenschap in een organisatie, meer specifiek in het bestuur van een overheid. Het is hierbij het proces om van een autoritaire samenleving te komen tot een democratie.

In bredere zin is het een vergroting van het aantal mensen dat toegang heeft tot bepaalde middelen of ideeën, zoals de democratisering van kennis of de economie, waar deze eerder beperkt waren tot een bepaalde elite.

Drie ontwikkelingen[bewerken]

Bij democratisering neemt de wettelijke gelijkheid toe, zal er een parlementair stelsel ontstaan en wordt het actief en passief stemrecht uitgebreid. Een grotere gelijkheid ontstond toen individuen niet meer als onderdaan van de vorst werden beschouwd, maar als staatsburger. Het inperken van de macht van de vorst ging veelal gepaard met burgerlijke revoluties waarna het parlement bevoegdheden overnam. In veel landen heeft het parlement formeel de hoogste macht, maar is het niet altijd in staat om de bureaucratische overheid volledig te controleren. Vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, vrijheid van vereniging en onafhankelijke rechtspraak werden al door Alexis de Tocqueville gezien als middelen om al te grote staatsmacht te voorkomen. In veel gevallen was er in parlementaire democratieën sprake van censuskiesrecht waarbij het stemrecht was voorbehouden aan personen die vermogend genoeg waren om minimaal een bepaald bedrag aan belastingen te betalen. Gaandeweg werd dit uitgebreid tot een algemeen kiesrecht, al was dit aanvankelijk vaak beperkt tot mannen om later uitgebreid te worden met het vrouwenkiesrecht.

Elitetheorie[bewerken]

Waar de parlementsleden zich eerder verenigden in informele allianties en kiesverenigingen, ontstonden daarna meerdere grote politieke partijen. Dit gaf aanleiding tot de elitetheorie die stelt dat in de staat de sleutelposities worden ingenomen door een machtselite en dat dit ook het geval is binnen een parlementaire democratie waar de macht ligt bij de leiding van de grote partijen. Volgens de ijzeren wet van de oligarchie worden alle organisatievormen, onafhankelijk van het democratische of autocratische gehalte in het begin, onvermijdelijk oligarchisch.

Tegenwoordig wordt er vaak wel een onderscheid gemaakt tussen parlementaire democratieën en autocratischer bestuursvormen, omdat de eerste opener en pluralistischer is en van samenstelling kan veranderen door verkiezingen.

Literatuur[bewerken]

  • Hoof, J.J.B.M. van; Ruysseveldt, J. van (red.) (1996): Sociologie en de moderne samenleving: maatschappelijke veranderingen van de industriële omwenteling tot in de 21ste eeuw, Boom.