Alexis de Tocqueville
Alexis-Charles-Henri Clérel de Tocqueville (Verneuil-sur-Seine, 29 juli 1805 – Cannes, 16 april 1859) was een Frans politiek filosoof, historicus en staatsman.
Inhoud |
[bewerken] Leven
De Tocqueville kwam uit een oude Normandische adellijke familie die nog had meegestreden in de Slag bij Hastings (1066). De familie had zwaar geleden onder de Franse Revolutie. Zijn overgrootvader aan moederszijde, Malesherbes, had Lodewijk XVI verdedigd en was gestorven onder de guillotine. Zijn ouders ontkwamen ternauwernood aan dit lot door de val van Robespierre in 1794. Tocqueville studeerde rechten en werd in 1827 aangesteld als rechter van instructie in Versailles. De colleges van François Guizot stuurden zijn interesse richting de politiek.
Met zijn vriend Gustave de Beaumont bezocht hij in 1831 de Verenigde Staten om daar het gevangeniswezen te onderzoeken. Na een jaar waarin zij niet alleen het gevangeniswezen, maar ook de samenleving zelf onderzochten, keerden ze terug. Samen publiceerden ze in 1833 Du système pénitentiare aux Etats-Unis, et de son application en France over het eigenlijke onderwerp van hun reis, maar daarnaast publiceerde Beaumont in 1835 Marie, ou l'esclavage aux Etats-Unis, een kritische beschouwing over de slavernij en rassenscheiding in Amerika. Tocqueville zelf schreef in dat jaar De la démocratie en Amérique, met een tweede deel in 1840. In 1841 werd De Tocqueville verkozen als lid van de Académie française.
Van 1830 tot 1848 was hij kamerlid en in die hoedanigheid waarschuwde hij begin 1848 voor de aanstaande revolutie. Deze kwam inderdaad in de vorm van de Februarirevolutie die een einde maakte aan de Julimonarchie. Het jaar daarop was hij korte tijd minister van Buitenlandse Zaken in de regering van Camille Odilon Barrot. Hij had grote bezwaren tegen de staatsgreep van Lodewijk Napoleon in 1851 en als gevolg daarvan zat De Tocqueville enige tijd gevangen. Hij stapte daarna uit de politiek. Hij schreef daarna over de oorzaken en gevolgen van de Franse Revolutie in L'Ancien Régime et la Révolution (1856).
[bewerken] Democratie
Tocqueville had bewondering voor democratie vanwege de maatschappelijke gelijkheid voor allen. Hij herkende in mindere mate ook in Europa een beweging van democratisering, een proces dat hij als onvermijdelijk beschouwde. Hij waarschuwde echter ook voor de schaduwzijden. Zo zouden vrijheid en gelijkheid op gespannen voet met elkaar staan. Een te grote vrijheid gaat ten koste van de gelijkheid, maar andersom geldt hetzelfde. Ook waarschuwde hij voor de tirannie van de meerderheid. Niet alleen kunnen minderheden zo in de verdrukking komen en hun toevlucht zoeken in geweld, ook de meerderheid zelf kan hier het slachtoffer van worden. Dit door de neiging tot conformisme, maar ook centralisatie van de macht en individualisering. In Over de democratie in Amerika schrijft hij:
- Wanneer ik denk aan de vorm die deze nieuwe tirannie zal aannemen, zie ik voor mij een massa van in alle opzichten gelijke mensen die rusteloos onbeduidende en banale genoegens najagen; die op zichzelf zijn teruggeplooid, die zich louter op hun gezin en een handvol kennissen richten en die zich van het bestaan van andere mensen nauwelijks bewust zijn, die nog slechts op zichzelf en voor zichzelf leven. Boven deze geïndividualiseerde massa troont een bevoogdend machtsapparaat dat over het wel en wee waakt, dat alles voorziet en alles regelt, maar dat de mensen in een staat van onmondigheid houdt. Het garandeert de burgers een veilig en welverzorgd bestaan, maar staat er op zelf uit te maken wat goed is voor hen. Zo zullen de mensen steeds minder gebruik maken van hun eigen oordeelskracht; de individuele wilskracht zal zich op een steeds beperkter terrein laten terugdringen.
- De overheid zal de samenleving in een net spannen van ingewikkelde, gedetailleerde en éénvormige verordeningen waardoor zelfs de meest originele en wilskrachtige geesten zullen worden gelijkgeschakeld. Men zal mensen tot niets dwingen, maar men zal zoveel belemmeringen aan de persoonlijke activiteiten opleggen, dat uiteindelijk elk initiatief uitdooft. Zonder op enigerlei wijze tiranniek te moeten optreden, worden mensen monddood en willoos gemaakt. De natie zal een kudde angstige en vlijtige schapen worden, met de overheid als zorgzame herder. Deze vorm van gereglementeerde en gemoedelijke slavernij komt tot stand in de schaduw van de volkssoevereiniteit.[1]
Om te voorkomen dat er een absoluut en despotisch regime komt, waarvan hij de kans hoger acht bij een volk waar gelijkheid bestaat, stelt hij een aantal maatregelen voor. Zo zou het bestuur niet volledig in handen van de overheid moeten zijn, maar deels uitgevoerd worden door tijdelijk verkozen bestuursambtenaren. Vereniging van burgers, persvrijheid en onafhankelijke rechtspraak zijn ook belangrijk om een al te grote staatsmacht te voorkomen.
[bewerken] Bronnen en literatuur
- Tocqueville, A. de (1835): Over de democratie in Amerika, vertaling 2008, ASP,
- Stein, Y. (2005): Alexis, de democratische ziener in Trouw van 29 juli 2005,
- Kruk, M. (2002): Het heden bedroeft mij en het verleden verontrust mij, Utrechtse Historische Cahiers, Jrg23/2002/4.
[bewerken] Franse literatuur
- Raymond Aron, « Tocqueville retrouvé » ; Essai sur les libertés, 1965.
- Pierre Birnbaum, collection Sup, PUF, Paris, 1970.
- Jean-Louis Benoît, Comprendre Tocqueville, Paris, Armand Colin, 2004, vii-216 p.
- Jean-Louis Benoît, Tocqueville moraliste, 2005.
- Raymond Boudon, Tocqueville aujourd’hui, Paris, Odile Jacob, 2005, 299 p.
- Jacques Coenen-Huther, Tocqueville, Paris, Presses universitaires de France, collection « Que sais-je ? », n° 3213, 1997, 127 p.
- Arnaud Coutant, Tocqueville et la constitution démocratique, Paris, Mare et Martin, 2008, 680 p.
- François Furet, « Tocqueville et le problème de la révolution française », Penser la Révolution française ; le systême conceptuel de De la démocratie américaine.
- André Jardin, Alexis de Tocqueville : 1805-1859, Paris, Hachette, 1984, 582 p.
- Lucien Jaume, Tocqueville : Les sources aristocratiques de la liberté, Fayard, 2008, 473pp.
- Éric Keslassy, Le libéralisme de Tocqueville a l'épreuve du paupérisme, Paris, L'Harmattan, 2000, 285 p.
- Jean-Claude Lamberti, La notion d’individualisme chez Tocqueville, Paris, Presses universitaires de France, 1970, 86 p. ; Tocqueville et les deux démocraties, Paris, Presses universitaires de France, 1983, 325 p.
- Pierre Manent, Tocqueville et la nature de la démocratie, Paris, Fayard, 1993, 181 p. (rééd. Tel-Gallimard, 2006)
- J.-P. Mayer, Alexis de Tocqueville, Paris, Gallimard, 1948, 187 p.
- Françoise Mélonio, Tocqueville et les Français, Paris, Aubier Montaigne, 1993, 408 p.
- Olivier Meuwly, Liberté et société : Constant et Tocqueville face aux limites du libéralisme moderne, Genève, Droz, 2002, 258 p.
- Antoine Redier, Comme disait Monsieur de Tocqueville...
- Pierre René Roland-Marcel : Essai politique sur Alexis de Tocqueville le libéral, le démocrate, l'homme public : thèse pour le doctorat. Paris, F. Alcan, 1910. 514 p.
- John Stuart Mill, Essais sur Tocqueville et la société américaine, Paris, Vrin, 1994, 222 p.
[bewerken] Externe link
Bronnen, noten en/of referenties
|
| Wikiquote heeft een collectie citaten gerelateerd aan Alexis de Tocqueville. |
| Voorganger: Édouard Drouyn de Lhuys |
Minister van Buitenlandse Zaken 1849 |
Opvolger: Alphonse de Rayneval |
