Maximilien de Robespierre

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Maximilien de Robespierre
Anoniem portret van Robespierre
Anoniem portret van Robespierre
Algemene informatie
Volledige naam Maximilien-Marie-Isidore de Robespierre
Geboren Arras, 6 mei 1758
Overleden Parijs, 28 juli 1794
Nationaliteit Vlag van Frankrijk Frankrijk
Beroep advocaat en staatsman
Bekend van Franse Revolutie
Handtekening
Handtekening

Maximilien-Marie-Isidore de Robespierre (Arras, 6 mei 1758 - Parijs, 28 juli 1794 of de 10e Thermidor van het jaar II) was een Frans advocaat en staatsman tijdens de Franse Revolutie. Hij trad op de voorgrond tijdens het Schrikbewind en was verantwoordelijk voor een groot aantal arrestaties en slachtoffers van de guillotine.

Robespierre stond bekend vanwege zijn koele of kille ontvangsten en zijn sobere levenswijze in een achterhuis. In tegenstelling tot Marat en Danton was Robespierre wel steeds verzorgd, goed gekleed en gekapt.[1] Robespierre kreeg de bijnaam "l'Incorruptible" (= "de Onomkoopbare") vanwege zijn onwankelbare beginselen. Robespierre was een strakke denker, logisch en consequent, met een groot gevoel van eigenwaarde.[2] Mirabeau, een der revolutionaire leiders van het eerste uur, had al in 1789 over Robespierre gezegd: "Deze man is gevaarlijk, want hij gelooft in alles wat hij zegt".

Nadat Frankrijk in de zomer van 1793 tijdens de opstand in de Vendée uiteen dreigde te vallen, werd de republiek aan het einde van dat jaar op straffe wijze ("één en ondeelbaar") sterk gecentraliseerd.[3] Robespierre stuurde de voorlopers van het communisme naar het schavot, en duwde de girondijnen tegen de muur. Hij heeft de mogelijkheid tot een contra-revolutie zodoende een jaar uitgesteld.[4] Robespierre was deïst en pleitte na een golf van atheïsme in Frankrijk eind 1793 voor godsdienstvrijheid. Ook zijn standpunt inzake algemeen kiesrecht voor mannen, een progressief belastingstelsel en afschaffing van slavernij waren gebaseerd op volmaakte gerechtigheid en gelijkheid.

Levensloop[bewerken]

Portret van Jean-Jacques Rousseau door Allen Ramsey in 1766

Robespierre werd geboren als de oudste zoon in een vooraanstaande familie van Arras. Zijn vader behoorde tot de ambtsadel en Maximilien is altijd het adelijke predicaat "de" blijven gebruiken. Hij had vijf broers. Nadat zijn moeder was gestorven in het kraambed, nam zijn vader de benen naar Beieren, zodat de kinderen werden opgevoed door hun grootvader en andere familieleden. Maximilien blonk uit op school en kreeg op zijn elfde een beurs voor het prestigieuze Lycée Louis-le-Grand te Parijs. Robespierre werd gekozen om een speech te houden omdat de koning langs kwam, maar die liet het uiteindelijk afweten en bleef in zijn koets zitten.

Al jong werd Robespierre beïnvloed door de ideeën van de 18e-eeuwse denkers, zoals Charles de Montesquieu en in het bijzonder Jean-Jacques Rousseau. Deze filosoof van de Verlichting zou zijn ideologische leidsman blijven.[5] Na zijn juridische vorming keerde hij terug naar Arras om zich daar te vestigen als advocaat, zoals zijn vader en grootvader. In 1784 won hij een literaire prijs in Metz, samen met Pierre Louis de Lacretelle. Hij was lid van het plaatselijk dichtgenootschap en leerde daar Joseph Fouché en mogelijk ook Gracchus Babeuf kennen. Op zekere dag nam hij ontslag als bisschoppelijk rechter, omdat het niet met zijn opvattingen strookte een misdadiger ter dood te veroordelen.[6]

Begin 1789 publiceerde Robespierre zijn Oproep aan de natie van Artois, waarin het hele politieke, economische en sociale systeem werd geanalyseerd, bekritiseerd en opnieuw opgebouwd.[7] Op 5 mei 1789 ging hij naar Parijs als afgevaardigde van zijn provincie voor de derde stand in de Staten-Generaal in Versailles.[8] Vervolgens werd Robespierre lid van de Constituante. Hij werd lid van de radicale "Club der Jakobijnen" en verklaarde noch monarchist, noch republikein te zijn en een tegenstander van de doodstraf.[9]

De eerste jaren tijdens de Franse Revolutie[bewerken]

Portret van Robespierre uit 1786: olieverfschilderij op canvas door Pierre Roch Vigneron (1789-1872) naar een pasteltekening door Adélaïde Labille-Guiard, 1786, Versailles, Musée national du Château de Versailles

Robespierre nam deel aan de opstelling van de "Déclaration des Droits de l'Homme et du Citoyen". Op 22 oktober 1789 verklaarde hij: Alle burgers zonder onderscheid hebben toegang tot alle niveaus van vertegenwoordigende functies.[10] In 1790 werd hij president van de Club der Jakobijnen. Op 27 april 1791 protesteerde Robespierre tegen het privilege van de bourgeoisie wapens te dragen. ... Gewapend zijn voor het vaderland is het recht van iedere burger.[11] Hij zette zich in voor de totstandkoming van de Franse grondwet van 1791, en verdedigde de belangen van het volk.[12] Hij pleitte voor afschaffing van het celibaat[13] en slavernij in de Franse koloniën; hij was voorstander van het algemeen kiesrecht voor mannen.

Toen Lodewijk XVI in juni 1791 naar de vesting van Montmédy probeerde te ontvluchten, maar bij Varennes werd aangehouden, rezen de anti-monarchistische gevoelens in Parijs de pan uit; Robespierre werd republikein en benoemd als openbaar aanklager, een positie die hij na enkele maanden opgaf.

In april 1792 keerde hij zich in de Nationale Vergadering fel tegen de oorlog met de andere Europese mogendheden, die zich tegen het revolutionaire Frankrijk hadden aaneengesloten; een oorlog waarop de gematigder en federalistisch gezinde fractie van de girondijnen en de koning en zijn vrouw met enthousiasme hadden aangestuurd, uiteraard om de aandacht van de bevolking af te leiden van de interne problemen. In juli liet hij steeds scherpere verklaringen opstellen om de afzetting van de koning te eisen. Op 9 augustus nam Robespierre deel aan de opstand van het revolutionaire Parijse gemeentebestuur, de "Commune insurrectionnelle". Na de Bestorming van de Tuilerieën op 10 augustus 1792 - een tweede revolutie na de Bestorming van de Bastille - zetelde Robespierre in de Nationale Conventie en fungeerde als woordvoerder van de radicale fractie van de "Montagnards" die een verbond waren aangegaan met de sansculotten.[14] Georges Danton, de minister van justitie, en Jean-Paul Marat waren zijn belangrijkste medestanders, maar ze werden beschuldigd van het aangaan van een driemanschap. Het is tamelijk onduidelijk welk aandeel zij hadden in de Septembermoorden, en het kan ook nog zijn dat Robespierre vijf dagen lang was ondergedoken.[1] Op 22 september werd de Eerste Franse Republiek uitgeroepen. Op 30 september verkondigde hij: De monarchie is vernietigd, adel en geestelijkheid zijn verdwenen, het tijdperk van de gelijkheid vangt aan.[15] Op 25 oktober 1792 werd hij beschuldigd van eerzucht en dictatoriale neigingen. Robespierre stelde in het debat: Men kan geen revolutie nastreven zonder revolutie.[16] Olympe de Gouges, die de Verklaring van de rechten van de vrouw en burgeres had geschreven, bekritiseerde Robespierre.

Eind november had Robespierre verklaard dat een veroordeling van de koning "tot de dood" het enige middel was om de rust in Frankrijk te herstellen.[17] Op 11 december 1792 begon het proces tegen de koning; op 3 december had hij het standpunt van Saint-Just overgenomen en werd De Gouges naar het schavot geleid. Victurnien Vergniaud stelde een volksraadpleging voor. Robespierre wees op het gevaar: de Republiek zou onnodig in opschudding worden gebracht. Bij de hoofdelijke stemming over het lot van de koning, een zitting die 24 uur duurde, stemde Robespierre op 17 januari 1793 voor de doodstraf.[18]

Het schrikbewind[bewerken]

Robespierre met kniebroek en kousenbanden

In het machtsvacuüm begonnen de girondijnen een aanval op Georges Danton, een tegenstander van de oorlog. Ook Robespierre en Marat waren tegen de Coalitieoorlog, en bekritiseerden de generaals en de girondijnen. Op het platteland werd gerebelleerd door royalisten, leidend tot eerdergenoemde opstand in de Vendée. Het antwoord van de revolutionaire regering op de chaos was dat de staat moest worden verdedigd tegen de contrarevolutionaire krachten. Op 11 maart werd een Revolutionair Tribunaal ingesteld. Generaal Dumouriez, die op 18 maart een nederlaag in de Tweede Slag bij Neerwinden had geleden, trok op naar Parijs in een poging tot een staatsgreep. Hij bracht de voorstanders van de oorlog in diskrediet toen hij overliep naar de tegenstander. Op 3 april zette Robespierre de aanval in op Jacques Pierre Brissot, een voorstander van de oorlog. Op 7 april werd Philippe Égalité, verdacht vanwege zijn connecties met Dumouriez, gearresteerd. Op 2 juni werden 31 girondijnen (met steun van de Parijse Commune) uit de Conventie gezet. Charlotte Corday, die erin geslaagd was Marat te vermoorden in zijn bad, gaf bij het verhoor daarover te kennen dat zij Robespierre als verdediger had gewenst.

Op de 9e Thermidor van het jaar I (= 27 juli 1793) werd Robespierre in de plaats van Danton lid van het "Comité van algemeen welzijn", een revolutionair orgaan dat alle benoemingen controleerde en zodoende de functie van regering vervulde. Frankrijk dreigde uiteen te vallen en half Europa keerde zich tegen het land. Op 1 augustus liet de "wezel met de scherpe tanden" Marie-Antoinette opsluiten in de Conciergerie. Weerspannige priesters, die geen eed wilden afleggen op de ondergeschiktheid van de kerk op de staat, kregen een termijn van twee weken om Frankrijk te verlaten.[19] Robespierre voerde in september een schrikbewind (la Terreur) dat gebaseerd was op de "deugd". Omdat hij overal om zich heen corruptie en verraad zag (of meende te zien), liep zijn ijver voor de "deugd" uit op terreur tegen allen die in zijn ogen onvoldoende ijver voor de revolutionaire beginselen aan de dag legden.[20] De Terreur was voor hem niets anders dan de parate, strenge, onbuigzame gerechtigheid.

Vanaf 5 september tot de val van Robespierre kwamen in Parijs ruim 2600[21] mensen onder het "nationale scheermes" terecht. In heel Frankrijk zijn 15.000 personen onthoofd, in de meeste gevallen beschuldigd van federalisme. Johan Frederik Rudolph van Hooff werd gevangengenomen, maar wist aan de dood te ontsnappen door een schrijffout in zijn naam. Sébastien Mercier en Thomas Paine werden opgesloten, maar wisten aan de guillotine te ontkomen. De overblijfselen van Mirabeau werden op initiatief van Robespierre in november 1793 uit het Pantheon verwijderd toen bekend werd dat hij in zijn laatste maanden in het geheim had samengespannen met het hof van Lodewijk XVI. Robespierre benoemde Vivant Denon tot etser der natie en verleende Filippo Buonarroti het staatsburgerschap. Paul Barras, die bij Robespierre op bezoek ging en geen stoel kreeg aangeboden, schilderde hem af als een tijgerkat.[22] De dolle priester Jacques Roux, Nicolas de Condorcet en Nicolas Chamfort zouden in de daaropvolgende maanden zelfmoord plegen.

Robespierre, gravure uit 19e-eeuws boek

Op 5 of 24 oktober werd de revolutionaire kalender ingesteld; jaar I, dat begon met het uitroepen van de Franse Republiek, was al achter de rug. Burgerlijke feesten op de tiende dag moesten de zondag vervangen. Op 6 november verklaarde de Conventie dat de gemeente het recht had de katholieke godsdienst af te schaffen. 's Avonds werd in de Club der Jakobijnen fel van leer getrokken tegen de priesters. De aartsbisschop van Parijs, Jean-Baptiste Gobel, kreeg 300.000 pond aangeboden als hij zijn priesterbrevet de daaropvolgende dag in de Nationale Vergadering zou verscheuren.[23] Op 7 november 1793 deed Gobel, op initiatief van Anacharsis Cloots, samen met 14 van zijn priesters, mogelijk de hele Parijse clerus, effectief afstand van zijn ambt.[24] Dat kon worden beschouwd als het (gedwongen) afzweren van het christendom. Zij hadden in het openbaar hun roomse gewaad uitgetrokken. De Notre-Dame werd de tempel van de rede. In de kathedraal werd niet meer een christelijke God, maar de Cultus van de Rede aanbeden. Op 10 november kwam het tot een orgie in de zijbeuken; Robespierre keurde de uitspattingen af.[25] In zijn redevoering op 21 november verkondigde hij dat als God niet bestond deze uitgevonden zou moeten worden.

Vijf dagen eerder, op 16 november, waren in Nantes 90 gevangen geestelijken verdronken, en eind november waren alle kerken in de hoofdstad aan de Cultus van de Rede gewijd.[26] De Commune van Parijs bekrachtigde de sluiting van alle kerken. Op 7 december vaardigde Robespierre een besluit uit dat de vrijheid van godsdienst veilig stelde.[27] Op 4 of 12 december kwam er een einde aan de zelfstandigheid van de departementen, een diepingrijpende beslissing tegen de zelfstandigheid van de municipaliteiten en het federalisme. Na het Beleg van Toulon wist Napoleon de stad te heroveren. Er werden 213 rebellen gefusilleerd.

1794[bewerken]

Zelfportret in pastel van Éléonore Duplay, de dochter van zijn huurbaas, huishoudster en vriendin van Robespierre,[28] uit het Musée Carnavalet

In januari 1794 was Robespierre in aanvaring geraakt met Camille Desmoulins, die het had opgenomen voor weerloze burgers die in de gevangenissen waren opgesloten als zijnde verdacht. De aanval van Desmoulins op Jacques-René Hébert paste in het straatje van Robespierre.[29] Robespierre vond dat het blad van Desmoulins verbrand moest worden. Op 4 februari van dat jaar bekrachtigde de Nationale Conventie het voorstel van Léger-Félicité Sonthonax om de slavernij af te schaffen. Een dag later, op 5 februari, verklaarde Robespierre een soort Nieuw Jeruzalem te willen stichten in Frankrijk.[30]

Robespierre nam een middenpositie in; hij moest naar eigen zeggen twee klippen uit de weg gaan: het teweinig en het teveel. In het voorjaar van 1794 zat Robespierre steviger in het zadel dan ooit. Van het radicale atheïsme aan de linkerzijde moest hij weinig hebben. De radicale Jacques-René Hébert en enkele van zijn buitenlandse vrienden, onder wie Johannes Conradus de Kock, raakten in ongenade en werden beschuldigd van landverraad. Zij kwamen op 24 maart aan hun einde onder de guillotine. Er waren mogelijk 400.000 mensen getuige van deze terechtstelling. De commune van Parijs stond vanaf 30 maart 1794 onder invloed van Robespierre.[31] Op 1 april werd de commune gezuiverd[32] en geleid door een volgeling van Robespierre.

Voor Robespierre waren er maar twee partijen: het volk en zijn vijanden. Robespierre raakte vervreemd van zijn vroegere strijdgenoot Georges Danton, een in wezen sympathieke levensgenieter die de revolutie wilde stopzetten. Danton was naar zijn zeggen corrupt en voor Robespierre mogelijk de personificatie van de ondeugd. Robespierre liet hem dan ook, als hoofd van een samenzwering, en diens aanhangers, onder wie Desmoulins, zijn oude schoolkameraad, tot de guillotine veroordelen op 5 april 1794. Danton beet de beul toe een van de riemen waarmee hij zou worden vastgebonden te bewaren voor Robespierre.

Het radicale atheïsme werd voor Robespierre een decadent, aristocratisch verschijnsel, onverenigbaar met de ware aard van het het door hem zo hoog geschatte volk. De voormalige aartsbisschop van Parijs, Gobel, werd op 13 april 1794, samen met twee generaals en de weduwen van Desmoulins en Hébert, geëxecuteerd. Joseph Fouché werd sindsdien de belangrijkste tegenstander van Robespierre.

Op 6 mei van datzelfde jaar hield Robespierre een van zijn beste redevoeringen ooit, over het Opperwezen en de onsterfelijkheid van de ziel.[33] Vervolgens trad Robespierre op als een soort hogepriester van de Cultus van het Opperwezen, de vervanger van de Cultus van de Rede. Omdat hij het christendom beschouwde als hopeloos aangetast door het oude bestel, propageerde hij een "rationele godsdienst": een Eredienst van het Opperwezen, een 'verlichte' en deïstische staatsreligie. Hij poogde om de Moedergodincultus door die van een allegorische Godin van het Verstand te vervangen. Op 8 juni 1794 ging hij voor in het grootse Fête de l'Etre suprême op het Champ-de-Mars. Bij de eerste feestelijkheden vertolkte een actrice de Godin in de Parijse kathedraal, de Notre-Dame. De verklaring van deze Cathérine Théot dat Robespierre de de zoon van het Opperwezen en de beloofde Messias was, verwekte veel hilariteit in de Conventie. Robespierre voelde zich belachelijk gemaakt en eiste dat het onderzoek naar Théot zou worden gestaakt.

Twee dagen later, op de 22e Prairial van het jaar II (= 10 juni 1794), werd een beruchte wet aangenomen in de Nationale Conventie. Deze staat bekend als La loi de la grande terreur. De wet die in beginsel iedereen tot een verdachte maakte en die de gerechtelijke procedures aanmerkelijk vereenvoudigde[34] was ingediend door Georges Auguste Couthon. In negen weken werden er 1258 personen tot de guillotine veroordeeld, ongeveer evenveel als in de voorafgaande 14 maanden. Dat betekende dat er aan het einde van de Terreur iedere dag twintig mensen naar het schavot werden gereden. Om het werk te bespoedigen zou een guillotine in de Conciergerie worden opgesteld.

Neergang en val[bewerken]

De arrestatie van Robespierre, die een pistool voor zijn mond houdt
De nacht van de 9e op de 10e Thermidor van het jaar II

Na de Slag bij Fleurus op 26 juni begon het tij zich tegen hem te keren. De Franse legers waren in de oorlog aan de winnende hand, zodat de noodzaak van een terreurregime minder evident werd. Het feit dat het "Comité voor nationale redding" op onvoorspelbare wijze, ter linker- en ter rechterzijde, echte en vermeende vijanden uitschakelde, deed vrijwel alle leden van de Conventie vrezen dat zij bij de volgende ronde aan de beurt zouden kunnen zijn. In juli maakten de adel en de bourgeoisie samen de helft van het aantal slachtoffers uit. Het aantal veroordeelden overtrof het aantal vrijgesprokenen.[35] Zowel personen die aanvankelijk vurige voorstanders van de terreur waren geweest, zoals Joseph Fouché en Barras, als minder vurige revolutionairen van het midden ("le Marais") sloegen de handen ineen.

In het voorjaar en de zomer van 1793 was Robespierre in de politiek en in het Comité de Salut Public weinig actief. Zijn teruggetrokken leven wordt verklaard vanuit teleurstelling en depressie.

Op 26 of 27 juli 1794, precies een jaar na zijn aantreden, verscheen Robespierre plotseling weer in de Conventie waar hij zich sinds 3 juli nauwelijks had laten zien. Robespierre had zich tijdelijk teruggetrokken uit het openbare leven en wandelde meestal door de velden met zijn Newfoundlander, maar hield op die snikhete dag een twee uur durende toespraak.

Saint-Just had een paar dagen eerder verklaard dat de revolutie was vastgelopen en had zich in onderhandeling met Bertrand Barère bereid verklaard om concessies te doen. Robespierre hield echter voet bij stuk en kondigde in een warrige toespraak een nieuwe zuiveringsgolf aan, zonder namen te willen noemen, met als gevolg dat de hele Conventie zich bedreigd voelde. Hij herhaalde zijn rede 's avonds in de Club der Jakobijnen, nadat de Conventie besloten had de tekst niet te laten drukken noch te verspreiden.

De volgende dag werd Saint-Just, van wie men verwachtte dat die de namen bekend zou maken, al snel het woord ontnomen.[36] Barras, Tallien en Fouché, een jeugdvriend uit Arras, hadden een complot gesmeed om Robespierre en zijn aanhangers te arresteren, onder wie Lucien Bonaparte.

De Conventie werd afwisselend voorgezeten door de parlementsleden. Op 26 juli was Collot voorzitter. Hij maakte gebruik van deze positie door Robespierres aanhang niet aan het woord te laten. Een besluit om de radicale Jakobijnen buiten de wet te verklaren werd snel aangenomen.

Een aanklacht was vlug gereed. Na een schermutseling werden Robespierre, de onverstoorbare Saint-Just, Le Bas en de kreupele Georges Couthon naar buiten gesleept door de gendarmes. De samenzweerders hadden genoeg van de Terreur, maar belangrijker leek dat ze hun eigen leven wilden redden.[37] De gevangenen werden naar de Tuilerieën gebracht, terwijl de Conventie over hun lot debatteerde. De Commune van Parijs besloot de mannen te bevrijden; ze deed brieven uitgaan om sansculotten te rekruteren, waarop nauwelijks werd ingegaan. Niettemin lukte het hen de mannen naar het Hôtel de Ville over te brengen.[38]

Wat volgde staat bekend als de machtsgreep van de 9e Thermidor van het jaar II (= 27 juli 1794): Barras greep in. De Conventie rekruteerde zesduizend man om de ontsnapte Robespierre en diens aanhangers te arresteren. Bij aankomst troffen ze in het stadhuis Le Bas aan die zelfmoord had gepleegd; Robespierre, die hetzelfde had willen doen, schoot zich een kogel door de mond - of werd getroffen door een kogel afkomstig van een gendarme - en raakte daarbij ernstig gewond aan zijn kaak. Zijn broer Augustin, die zich eerder die dag vrijwillig had aangegeven, sprong uit het raam en brak zijn beide benen op een berg afval. De kreupele Couthon kroop onder de tafel of gleed van de trap af met zijn rolstoel en had een gat in zijn hoofd. Alleen Saint Juste kon 'gaaf' worden gegrepen, terwijl hij naar het schijnt met zijn pistool speelde. De groep werd overgebracht naar de Conciergerie. Daar werd Robespierre, die ernstig gewond was en veel pijn leed, verbonden door een chirurgijn.

De executie van Robespierre

Om elf uur 's ochtends werden Robespierre en 23 van zijn volgelingen, onder wie ook Augustin de Robespierre, een burgemeester en een schoenmaker,[39] voor het Revolutionair Tribunaal geleid. Robespierre was niet meer in staat om te spreken of iets te ondertekenen. De gevangenen werden als groep vervolgd volgens de regels van de door Robespierre tijdens de Terreur gehanteerde Wet van de 22ste Prairial. De taak van de rechter en de jury beperkte zich tot het herkennen van de verdachten. Zij werden snel veroordeeld. 's Middags werden de 24 veroordeelden, die zich volgens Albert Soboul te veel vereenzelvigd hadden met de sansculotten,[40] in karren geladen.[41] Om zeven uur 's avonds bereikten ze de guillotine. Nadat zijn hoofd aan de menigte werd getoond, brak een luid gejuich uit waaraan geen einde leek te komen; het duurde naar verluidt 15 minuten.

Thermidoriaanse reactie[bewerken]

Een Franse spotprent: Robespierre onthoofdt de beul na heel Frankrijk te hebben laten guillotineren

De volgende dagen kwam een 'vracht' van 81 aanhangers aan de beurt, de grootste van de Revolutie.[37] Toen werden de gevangenissen opengezet en royalisten, hébertisten, girondijnen, en dantonisten bevrijd.[42]

De executie van Robespierre markeerde het eindpunt van de radicale fase van de Franse Revolutie. De mannen die op 9 Thermidor de macht grepen, zouden – door de omstandigheden gedwongen – een veel behoudender koers gaan varen. De Club der Jakobijnen werd in november gesloten. Er ontstond een Witte Terreur, zodat er nog honderden slachtoffers vielen, maar er kwam ook een veel liberaler beleid voor in de plaats. Veel economische maatregelen die het volk moesten bevoordelen werden teruggedraaid. De maximumprijs op de levensmiddelen werd afgeschaft. De Nationale Conventie werd in oktober 1795 ontbonden. Na een uitzonderlijk strenge winter en een tweetal oproeren begon op 1 november 1795 de periode van het Directoire, waarbij de burgerij het heft in handen nam.

Varia[bewerken]

  • Robespierre heeft met zijn schrikbewind weliswaar te veel persoonlijke vijanden gemaakt, maar zijn bewind heeft wel enig effect gehad. De republiek zat stevig in het zadel, nadat de koning en de koningin ter dood waren veroordeeld en het royalistisch of federalistisch verzet in de provincie was bedwongen.
  • Het testament van Marie-Antoinette, dat bestemd was voor haar schoonzusje Madame Elizabeth, heeft nooit de geadresseerde bereikt en werd jaren later in de paperassen van Robespierre teruggevonden. In dit document vroeg zij haar kinderen de dood van hun vader en moeder niet te wreken.
  • Van de Sovjet-revolutionairen Trotski en Lenin staat vast dat zij de Franse Revolutie goed hebben bestudeerd, en dat ze beducht waren voor hun eigen 'Thermidor'.
  • Romain Rolland schreef een toneelstuk getiteld Robespierre.
  • Bij de verkiezing van de grootste Fransman aller tijden eindigde Robespierre op de 72e plaats.

Bibliografie[bewerken]

  • Béraud, Henri. Mijn vriend Robespierre, uitgeverij W. de Haan - Utrecht, z.j.
  • Bruyn, Peter de Toen was terreur heel gewoon, in NRC Handelsblad, Cultureel Supplement, 14 juli 2006.
  • Hibbert, C. (1980) The French Revolution.
  • Scurr, Ruth. Fatal Purity, Robespierre and the French Revolution, Chatto&Windus, 369 blz. (Nederlandse vertaling bij uitg. Bert Bakker in september 2006).
  • Sieburg, Friedrich, Robespierre, terreur en ondergang. Utrecht/Antwerpen: Prisma-Boeken 665, 1961.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 147.
  2. Het tuinhuisje hing vol met portretten van Robespierre, misschien het werk van zijn huishoudster en minnares Éléonore Duplay en haar moeder. Zie Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 148.
  3. Vanwege die royalistische opstand nam het aantal executies in de maanden december '93 en januari '94 onder de boeren aanzienlijk toe.
  4. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 113.
  5. Robespierre, sterk beïnvloed door de filosofen van de Verlichting, stond een ongedeelde volkssoevereiniteit voor. Met Rousseau beschouwde Robespierre de volonté générale of de algemene wil van het volk als de grondslag van politieke legitimiteit.
  6. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 42.
  7. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 99.
  8. De "Derde stand" omvatte destijds 25 miljoen Fransen, naast 130.000 leden van de clerus en 110.000 leden van de adel. De Staten-Generaal werden door koning Lodewijk XVI voor het eerst weer sinds 1614 bijeen geroepen, om een uitweg te vinden uit de financiële crisis en de bestuurlijke onmacht van het land.
  9. Redevoering in de Constituante in 1791: "DISCOURS SUR LA PEINE DE MORT" de Maximilien de Robespierre prononcé le 30 mai 1791 devant l’Assemblée constituante
  10. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 147.
  11. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 139.
  12. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 133.
  13. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 71.
  14. Robespierre had ontbinding van de Assemblée Nationale geëist en werd initiatiefnemer tot de Conventie, een nieuwe volksvergadering die door mannen van 25 jaar en ouder werd verkozen.
  15. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 224.
  16. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 222.
  17. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 118.
  18. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 229.
  19. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel. Getuigenissen en documenten over de Franse Revolutie, p. 229, 164.
  20. In de oren van Robespierre en zijn fanatieke geestverwanten had het woord "Terreur" overigens een positieve bijklank. Men verklaarde de Terreur "tot de orde van de dag", noodzakelijk om de revolutie te doen slagen.
  21. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 245 en 253
  22. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 221.
  23. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 237-238.
  24. http://www.gettyimages.nl/detail/113627014/Hulton-Archive
  25. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 151.
  26. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 217.
  27. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, p. 148, 151.
  28. Hippolyte Buffenoir, Les Portraits de Robespierre, Ernest Leroux, 1910, p. 121
  29. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 201.
  30. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 228.
  31. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 207.
  32. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 321.
  33. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, p. 170.
  34. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 245.
  35. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 255-256.
  36. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 248-249.
  37. a b http://www.angelfire.com/ca6/frenchrevolution89/thermidor.html
  38. Omdat de gang van zaken niet echt helder is kan het ook zijn dat Robespierre en zijn volgelingen van de Conventie naar het stadhuis vluchtten en daar 's nachts werden weggehaald.
  39. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 176
  40. Soboul, Albert (1979) De Franse Revolutie II, p. 349-350
  41. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 224
  42. Dowd, D.L. (1966) De Franse Revolutie, p. 143.