Septembermoorden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De septembermoorden
Een gevangenis in de Rue Saint-Antoine

De Septembermoorden vonden plaats in Parijs van 2 tot 6 september 1792. Een hysterische menigte trok van de ene naar de andere gevangenis om tegenstanders van de Franse Revolutie uit de weg te ruimen. Elfhonderd gevangenen werden afgeslacht, onder wie 30 aristocraten, 250 priesters en drie bisschoppen. Het merendeel van de slachtoffers waren evenwel gewone gedetineerden, misdadigers, bedelaars, onder wie vrouwen, kinderen en geestelijk gestoorden om ruimte in de gevangenissen te creëren. De prostituees zouden zijn vrijgelaten.[1] Bovendien vielen er 150 slachtoffers op het platteland, van wie naar schatting een kwart priester was. Al gauw deden er verhalen de ronde in het buitenland dat er 12.000 slachtoffers zouden zijn gevallen.

Context[bewerken]

In een gevangenis op de Boulevard Saint-Germain werden 326 mensen vermoord
Het Revolutionair Tribunaal

Omdat het revolutionaire Frankrijk in de Eerste Coalitieoorlog betrokken was met Oostenrijk en Pruisen, en de buitenlandse legers Parijs bedreigden, heerste een paniekstemming in de stad. De buitenlandse dreiging werd zo groot geacht dat op 11 juli 1792 de mobilisatie van de Nationale Garde werd afgekondigd: La Patrie en danger! (Het land [was] in gevaar).

Op 10 augustus werden de Tuilerieën aangevallen. Drie dagen later werd de koninklijke familie opgesloten in het fort Tour du Temple. Vanaf half augustus vond een groot aantal arrestaties plaats onder de royalisten en geestelijken die niet bereid waren een eed af te leggen op een republikeinse Franse Grondwet. Op 17 augustus werd het Revolutionair Tribunaal opgericht.

Het Pruisische leger had op 20 augustus bij Rédange de grenzen overschreden: Longwy capituleerde op de 26e en Thionville werd omsingeld. Rijsel werd zwaar gebombardeerd door de Oostenrijkers. Op 28 augustus begonnen de huiszoekingen naar wapens bij verdachte burgers.[2] Er zouden 3.000 personen worden gearresteerd.

Het nieuws van de val van Verdun op 29 augustus of 2 september (in handen van de Oostenrijkers en Pruisen) leidde tot een golf van paniek. De stadspoorten werden gesloten, en de kerkklokken werden geluid. De regeringsleiders dachten erover Parijs te verlaten.[2] Op zondag 2 september 's middags begonnen de gruwelijkheden bij het transport van 24 weerspannige priesters naar de gevangenis. Twee uur later werd ook in andere gevangenissen waar vermeende 'verraders' opgesloten zaten, huisgehouden. Om zes uur 's avonds waren 115 personen met sabels en pieken afgeslacht. De Parijse Commune van 1792 stelde een soort volksrechtbanken in; de ondervragingen door de voorzitter Maillard waren kort. De slachtoffers werden naar buiten gesleurd en geëxecuteerd.

Een van de slachtoffers was Prinses de Lamballe, een goede vriendin van Marie Antoinette. Zij had haar leven kunnen redden door een eed van haat af te leggen tegen de koning, de koningin en de monarchie, maar weigerde.

Receptie[bewerken]

De autoriteiten schijnen verrast te zijn geweest, en wisten niet hoe ze moesten reageren op de lynchpartij die doorging tot vier uur 's ochtends. De montagnards probeerden na afloop gebruik te maken van de ontstane situatie en de girondijnen in een kwaad daglicht te stellen. De krant van Jacques Pierre Brissot was de enige die de Septembermoorden veroordeelde.

De politieke leiders (Robespierre, Danton, Pétion, de bierbrouwer Antoine Joseph Santerre en Roland, de minister van Binnenlandse Zaken) hadden het bloedbad kunnen voorkomen, maar sloten de ogen. Er is geprobeerd Danton en Jean-Paul Marat van alle blaam te zuiveren.[1][3]

Jules Michelet poogde later de moorden te minimaliseren, te vergoelijken, of ze terug te voeren op spontane incidenten, omdat er geen geschreven bevelen gevonden zijn.[bron?] De moorden vonden niet alleen simultaan op verschillende plaatsen, en tijdens [bron?] of vlak voor de verkiezingen voor de Nationale Conventie. Heel wat kiezers - de stemming was niet geheim - werden geïntimideerd door de Septembermoorden; de toekomstige Conventieleden waren wel degelijk onder de indruk van de realiteit van de dreigementen van de Montagnards.[bron?] Volgens Winock kan men wel een doel en een zekere mate van coördinatie vermoeden.[4]

Zie ook het artikel over de Septembermartelaren.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 108.
  2. a b Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 211.
  3. Dowd, D.L. (z.j.) De Franse Revolutie, p. 95.
  4. Winock, M. (1991) L’échec au roi, 1791-1792, p. 312.