Nationale Conventie (Frankrijk)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Nationale Conventie (20 september 1792- 26 oktober 1795) was de opvolger van de wetgevende vergadering, en gekozen middels algemeen mannenkiesrecht. (Vrouwen en diegenen die weinig belastingen betaalden waren passieve burgers en hadden geen stemrecht. Minder dan 10% van de bevolking stemde) De volgende dag, op 21 september werd de monarchie afgeschaft. Op 22 september volgde de instelling van de Franse Republikeinse Kalender. De Conventie hield zich vervolgens bezig met de veroordeling van de koning, het debat over de Franse Grondwet van 1793 en met de voortgang van de oorlog in het buitenland. Al deze onderwerpen verscherpten de tegenstellingen.

De Conventie telde 749 afgevaardigden:

  • Girondijnen: liberalen, federalisten of conservatieven, met ongeveer 140 afgevaardigden
  • de Plaine, of 'Marais': een onafhankelijke middengroep van republikeinen met ongeveer 350 afgevaardigden
  • Montagnards: links en extreem links met ongeveer 160 afgevaardigden.

De montagnards en de girondijnen waren elkaars tegenstanders. De montagnards wilden verandering in en centralisering van het bestuur en de girondijnen verzetten zich tegen de invloed van de hoofdstad met de sansculotten. De Plaine was de onafhankelijke meerderheid, zij bleven neutraal.

Op straat was een heel andere groep de baas, namelijk de sansculottes. Ze waren herkenbaar aan hun rood – wit gestreepte broeken. Zij waren het meest revolutionair van allemaal.

Volgens Albert Soboul was de Conventie door een gedachte bezield: een einde maken aan het bestaan van de aristocratie en terugkeer van het Ancien Régime voor altijd onmogelijk te maken.

In 1793 bereikte de Franse Revolutie een dieptepunt toen de koning Lodewijk XVI in januari werd terechtgesteld en het land in een chaos terecht kwam. Het kampte met binnenlandse opstanden en militaire verliezen in het buitenland.

Op 24 mei besloten de girondijnen een onderzoek te doen naar de anarchie binnen de Commune van Parijs en de activiteiten van de sansculotten. Er werd een commissie (van twaalf girondijnen) geformeerd die Jacques-René Hébert, woordvoerder van het volk, gevangen liet nemen, vanwege zijn oproep tot geweld. Hébert moest onder druk van de Commune van Parijs worden vrijgelaten. Op 26 mei riep Robespierre het volk op tot verzet. Hij spoorde de sans-culottes aan om de Conventie een lesje te leren.[1] Op 27 mei werd de Conventie omsingeld door een grote menigte en eiste vrijlating van minstens twee (?) gevangenen. Op 29 mei organiseerden de secties hun verdediging en is door de postbode Varlet een comité van opstand opgericht.[2]

Op 31 mei legden vertegenwoordigers van de Commune van Parijs een programma voor ter verdediging van de revolutie. Zij eisten arrestatie van de girondijnen; stemrecht uitsluitend voor sansculotten, een vaste broodprijs, en de oprichting van een revolutionair leger. Alleen het voorstel om de commissie van twaalf op te heffen werd aangenomen. Brissot probeerde de jakobijnen het zwijgen op te leggen, door de club te laten sluiten, [3] en het ontbinden van de Parijse gemeenteraad.

Op zondag 2 juni was het definitief afgelopen met de macht van de girondijnen. Na een tumultueuze vergadering en bij een hoofdelijke stemming onthield 2/3 van de afgevaardigden zich van stemmen. Enkel de montagnards en een aantal buitenlanders in de Conventie stemden voor. Toen de afgevaardigden naar naar buiten wilden treden, bleek de Conventie door 80.000 man Nationale Garde (en een joelende menigte?) omsingeld. De afgevaardigden werden door François Hanriot naar binnen gejaagd. Marat dicteerde in de Conventie een lijst met de namen met 29 girondijnen alsmede twee ministers (Charles-François Lebrun), die gevraagd werd hun zetel op te geven.[4] 31 man kregen huisarrest; een twintigtal vluchtte naar Caen en zetten hun opstand tegen de Parijse dictatuur voort.

De strijd tussen de montagnards en de girondijnen was beëindigd. De sansculotten hadden aanzienlijk aan invloed gewonnen.

In juli 1793 volgde de instelling van een Schrikbewind onder leiding van Maximilien Robespierre, dat een terreur uitoefende.

Op 4 februari 1794 bekrachtigde de Nationale Conventie het voorstel van Léger-Félicité Sonthonax om slavernij af te schaffen.

De Nationale Conventie werd op 22 augustus 1795 opgeheven toen een nieuwe Franse Grondwet van 1795 werd ingevoerd. De Conventie had haar laatste zitting op 26 oktober en op die dag is een algemene amnestie afgekondigd. Op 2 november begon het Directoire met haar werk.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. http://www.republikanisme.nl/burgerschap.html
  2. In Marseille en Lyon hadden de Girondijnen grote invloed en werden de afgevaardigden van de Montagnards de stad uitgezet, wat in Bordeaux en Nantes niet was gelukt.
  3. Rosendaal, J.G.M.M. (2005) De Nederlandse Revolutie. Vrijheid, volk en vaderland 1783-1799, p. 401.
  4. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel. Getuigenissen en documenten over de Franse Revolutie, p. 193.