Wetgevende Vergadering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Wetgevende Vergadering (Frans: assemblée legislative) is het eerste modern functionerende parlement van Frankrijk. Het bestond uit 745 leden en zat van 1 oktober 1791 tot 20 september 1792. Het was een van de parlementen die zitting hield tijdens de Franse Revolutie en werd voorgegaan door de Assemblée Nationale, de Nationale Grondwetgevende Vergadering en opgevolgd door de Nationale Conventie. De Vergadering was vooral samengesteld uit mensen zonder ervaring, anti-klerikaal, onder de dertig en uit de middenklasse. De Législative kende weinig mensen uit de adel: alle monarchisten waren gevlucht naar het buitenland en de geestelijkheid was in veel gevallen uitgetreden. De vergadering hield zich vooral bezig met de financiële crises door middel van confiscatie van de kerkelijke goederen, met een rationele administratieve structuur en een nieuwe grondwet.

Geschiedenis[bewerken]

Er werden opnieuw verkiezingen gehouden en een Assemblée Législative trad aan. De Assemblée splitste zich op in een gematigde vleugel (feuillants), een deel "onbeslisten", de girondijnen, en de rabiate jacobijnen (montagnards, sansculotten). In de nieuwe assemblée was geen sympathie voor de koning. Girondijnen en jacobijnen streefden naar een nieuwe, republikeinse grondwet.

Op 1 oktober kwam de Assemblée Législative voor het eerst bijeen; de Constituante staakte haar werk, nadat koning Lodewijk XVI de eed op de door deze vergadering opgestelde grondwet had afgelegd. Dezelfde dag nam de Wetgevende Vergadering de wetgevende taak op zich, zoals voorgeschreven in de grondwet. De Franse grondwet van 1791 zou onuitvoerbaar blijken omdat alle deelnemers verschillende belangen hadden. Hij hield nog geen jaar stand.

Al vrij snel na het begin van de zittingen tekende het politieke landschap zich af. Aan de rechterzijde bevonden zich de monarchistische Feuillants (264-165 leden), die conservatief en voor strikte naleving van de constitutie waren. Aan de linkerzijde bevonden zich de jakobijnen, die republikeins waren en een bont gezelschap van ca. 330 man vormde. De jakobijnen zouden uiteenvallen in liberale girondijnen onder leiding van Jacques Pierre Brissot en Nicolas de Condorcet en radicalen, geleid door Robespierre, die de naam jakobijnen hielden. Naast deze twee stromingen was er ook een grote groep die tot geen enkele partij behoorde (ca. 250 man), de onafhankelijken of constitutionelen, zonder markante figuren, zonder uitgesproken mening, en die het vaakst met links meestemde, omdat die het machtigst waren.

Drie groepen werden vijandelijke doelwitten van de Vergadering: de koninklijke familie, de adel die naar het buitenland was gevlucht, de zogenaamde émigrés en de geestelijkheid.

De koning, soms ook Lodewijk de Laatste genoemd, was zeer ontevreden over de grondwet van 1791, maar zijn traagheid en goede aard zorgden ervoor dat hij geen actie ondernam. Koningin Marie Antoinette voelde zich vernederd en wilde niets lever dan de Kroon verlossen van zijn impotentie. Om dit doel te bereiken organiseerde zij een Oostenrijks comité en correspondeerde met haar broer keizer Jozef II hopend op buitenlandse hulp.

De émigrés waren neergestreken in Zwitserland, de Oostenrijkse Nederlanden en de keurvorstendommen Trier en Mainz en werden geleid door de broers van de koning, de graaf van Provence en de graaf van Artois, die een reactionaire beleidslijn aanhingen. De graaf van Provence nam de houding aan van een regent en omringde zich met een heus ministerie. Zij waren niet altijd even welkom voor de heersers van wier gastvrijheid de émigrés misbruik maakten.

De geestelijken die geen trouw hadden gezworen werden lastig gevallen door de lokale autoriteiten, maar door vele katholieken nog gerespecteerd en vertrouwd. Een commissaris van de Grondwetgevende Vergadering gaf aan een opvolger uit de Wetgevende Vergadering door dat deze groep niets anders wenste dan met rust gelaten te worden. De Wetgevende Vergadering had echter een te antiklerikale basis voor zulke politiek.

De ministers van de koning, die door de koning benoemd werden en uitgesloten van de Vergadering, waren geen van alle bekenden, maar de machtigste van hen was minister van oorlog, graaf de Narbonne, die enige invloed op de gang van zaken kon uitoefenen.

In november 1791 werden twee verordeningen aangenomen, de ene betrof de terugkeer van de émigrés voor 1 januari 1792, die wanneer ze dat niet deden voor de doodstraf of voor confiscatie van hun goederen in aanmerking kwamen. De andere betrof het bevel aan de ongezworen geestelijken om alsnog binnen acht dagen de eed op de grondwet af te leggen, met als sanctie verlies van hun pensioen of deportatie als ze het niet deden. Beide verordeningen werden door de koning met zijn veto getroffen, met als grond gewetensbezwaren. De veto’s werkten Lodewijks vijanden in de Vergadering in de hand, daar deze konden bewijzen dat de sympathieën van de koning lagen bij de oude orde. Deze nederlaag van de koning was niet belangrijk, daar de belangrijkste agendapunten buitenlandse aangelegenheden waren.

Om verschillende redenen wilden verschillende politici aansturen op oorlog met Oostenrijk, ten eerste de koning, die een dubbel motief had (als Frankrijk won dan zou hij een populaire opperbevelhebber zijn, als Frankrijk verloor, dan zouden de Oostenrijkers hem in zijn oude rechten herstellen), en ten tweede de Girondijnen, die de Revolutie wilden exporteren.

Ondertussen stegen de prijzen van de levensmiddelen, begonnen de onlusten in de steden en probeerde de Vergadering de financiën op orde te brengen door assignaten uit te geven, die echter snel in waarde daalden, inflatie was het gevolg. Het kostte de graaf van Narbonne veel moeite de jakobijnse meerderheid, die tegen oorlog was, over te halen voor oorlog te kiezen, waarop hij op 9 maart 1792 ontslagen werd door de koning, die daarop noodgedwongen een Girondijns ministerie moest formeren.

Op 20 april 1792 kwam Lodewijk naar de Vergadering met het voorstel om Oostenrijk de oorlog te verklaren. Het voorstel werd met gejuich ontvangen en snel aangenomen. De oorlog bleek een ramp te zijn, daar het leger door de revolutionaire perikelen alle discipline had verloren. In de zomer van 1792 werd het land bijna onder de voet gelopen door Oostenrijkse en Pruisische troepen. Hun commandant, de hertog van Brunswijk, maakte bekend de oude orde te willen herstellen, hetgeen argwaan tegen de koning opleverde. Doordat de Pruisisch-Oostenrijkse coalitie niet doorzette, konden de Fransen hun leger verbeteren.

Ondertussen had de Vergadering drie wetten aangenomen: een bevel tot deportatie van de geestelijkheid, een bevel tot ontbinding van de koninklijke garde, en een kamp van féderés vlakbij Parijs. De koning trof het eerste en het derde voorstel met een veto, wel was hij bereid zijn garde op te geven. Het Girondijnse ministerie kwam in opstand, maar de koning wist hen te ontslaan.

Op 25 juli kregen de mensen in Parijs lucht van Brunswijks verklaring en Georges Danton, een rechts-nationalistisch, maar jakobijns parlementslid, stookte de gemoederen op. Op 10 augustus werd het paleis aan de Tuileriën bestormd en de koning gevangengezet. Op 20 september 1792 kwam de Nationale Conventie bijeen; de monarchie werd afgeschaft, en werd de Wetgevende Vergadering ontbonden.