Chrétien-Guillaume de Lamoignon de Malesherbes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Buste van Malesherbes in het Louvre

Chrétien-Guillaume de Lamoignon de Malesherbes, beter bekend als Malesherbes of Lamoignon-Malesherbes (Parijs, 6 december 1721 - 22 of 23 april 1794) was een fiscalist, hoofd van het boekwezen, beschermheer van Jean-Jacques Rousseau, minister en in 1793 de verdediger van Louis XVI.

Malesherbes was een sleutelfiguur met betrekking tot het ontstaan van het Franse auteursrecht. Hij drukte zijn stempel op het belastingstelsel, de verhouding van de Franse staat tot het protestantisme, het strafrecht, het misbruik van de Lettres de cachet, en de wantoestanden in de Franse gevangenissen.

Hij stierf, evenals zijn dochter en kleinkinderen, tijdens de Terreur van de Franse Revolutie onder de guillotine.

Biografie[bewerken]

Geboren in Parijs in een familie van advocaten behorend tot noblesse de robe, was hij voorbestemd tot een rechtenstudie. Malesherbes richtte zich evenwel op de natuurkunde. In 1750 werd zijn vader, Guillaume de Lamoignon van Blancmesnil, tot kanselier benoemd, en Malesherbes werd belast met de leiding over het departement van de censuur (Directeur van de Bibliotheek) en Eerstaanwezend Voorzitter van het Hof van Beroep (voor Financiën , 'Cour des aides). Hij had ongeveer 130 man onder zich.[1]

Château de Malesherbes.

Van 1750 tot 1763 bepaalde Malesherbes wat er in Frankrijk aan boeken op de markt kwam. Malesherbes was filosofisch en liberaal en liet toe dat de eerste zeven delen van de Encyclopédie door Diderot en d'Alembert werd uitgegeven. Vervolgens ging de onderneming ondergronds en volgden nog negen delen.

Malesherbes en de Verlichting[bewerken]

Malesherbes zag met enige zorg dat het werk van de populaire schrijver Jean-Jacques Rousseau in Amsterdam werd uitgegeven. Hij bood Rousseau gebruikt te maken van de diplomatieke post, voor het verzenden van de drukproeven van Julie.[2] Malesherbes schrapte meer dan honderd bladzijden in de Parijse editie en in het exemplaar dat bestemd was voor Madame de Pompadour, schrapte hij een hele zin en liet een nieuwe pagina drukken en inplakken.

Rousseaus brievenroman Julie was een ongekende hype en Malesherbes liet in het geheim zijn volgende boek Emile in Frankrijk uitgeven.[3] Het boek over de opvoeding verscheen met zijn stilzwijgende goedkeuring. Rousseau veroorzaakte met zijn door een Savoyaardse kapelaan verkondigde ketterse ideeën een publiek schandaal.

In dezelfde tijd kwamen ook de Jezuïeten in Frankrijk onder druk te staan. Rousseau, die leed aan angsten en waanvoorstellingen en een probleem had met zijn katheter, was bang dat ze zich met de uitgave van zijn nieuwste boek bemoeiden. Malesherbes kwam persoonlijk langs in Montmorency om hem gerust te stellen. Rousseau schreef hem vier brieven, misschien het enige in zijn leven dat hij moeiteloos had geschreven.[4] Malesherbes liet de brieven in Parijs circuleren.

De rechtbank kwam in actie en besloot tot opsporing en aanhouding van de schrijver. Volgens sommige leden moesten niet de boeken, maar de schrijver worden verbrand. Rousseau vluchtte in juni 1762 naar Zwitserland.

Guillaume-Chrétien de Lamoignon de Malesherbes

In 1763 moest Malesherbes opstappen en het beleid ten voordele van de Verlichtingsfilosofen werd teruggedraaid. Dit beleid, vaak liberaal of verlicht genoemd, had ook duistere kanten. Geleid door intriges van Voltaire werd schrijvers zoals Laurent de Beaumelle en Élie-Cathérine Fréron, die niet door één deur met Voltaire konden, het leven zuurgemaakt, met opsluiting in de Bastille, en inbeslagname van boeken (Voltaire kende slechts één soort persvrijheid: de zijne). Na de opname van Voltaire in de Académie française leidde Voltaire als insider politierazzia's tegen boekhandelaren en uitgevers, waarvan sommigen opgesloten en geruïneerd werden[5].

Onder Lodewijk XVI[bewerken]

In 1771 werd het Parlement van Parijs hervormd door minister Maupeou - hun macht ingeperkt en de verkoopbaarheid van de ambten afgeschaft. Malesherbes pleitte voor het voortbestaan, maar werd verbannen naar zijn buitenverblijf. Malesherbes hield zich bezig met botanie en concentreerde zich op zijn beroemde oprijlaan. In 1775 werd Malesherbes verkozen tot lid van de Académie française.

Malesherbes was een overtuigd monarchist en was tweemaal minister onder Lodewijk XVI, negen maanden in een kabinet Anne Robert Jacques Turgot (1775-1776), die menig voorstel deed tot hervorming en aanzwengelen van de economie, maar ontslag nam toen ze werden weggestemd. De koning, die zichzelf niet geschikt achtte voor de kroon, prees hem als een gelukkig mens.[6] Hij was nog een de tweede keer minister (1787) onder Étienne Charles de Loménie de Brienne.

Toen Lodewijk XVI in de problemen was geraakt - Malesherbes had eerder de positie van de koning met die van Karel I van Engeland vergeleken - en de Nationale Conventie eind december 1792 over zijn lot wilde beslissen, bood de oude en gepensioneerde Malesherbes aan hem te verdedigen, samen met de bekwame advocaten Raymond de Sèze en François Tronchet. Ze kregen maar tien dagen de tijd om de stukken te bestuderen. Ze klampten zich vast aan het argument, dat de Conventie niet het recht had de koning te berechten omdat het geen erkend juridisch college was. De diepe indruk die de bekwame verdedigers maakte, noopten de Sansculotten de spelregels van het proces te wijzigen om Lodewijk tóch veroordeeld te krijgen.[7]

Trivia[bewerken]

  • Hij raadde de erfgenamen van Jean de La Fontaine aan een proces te beginnen tegen de uitgever, hetgeen leidde tot de beslissing dat rechten op zijn werk zich leenden voor vererving.[8]
  • Eén van zijn kleindochters werd de moeder van Alexis de Tocqueville.[9]
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Leo Damrosch (2011) ”Jean Jacques Rousseau. Een rusteloos genie”, p. 291
  2. Rousseau, J.J. (1996) Bekentenissen, p. 561-562. Vertaald en bezorgd door Leo van Maris. Arbeiderspers.
  3. Peeperkorn, D. (2009) Jean-Jacques Rousseau en zijn uitgever Marc-Michel Rey. Een verhaal uit de prehistorie van het auteursrecht, p. 107.
  4. Rousseau, J.J. (1996) Bekentenissen, p. 620-622. Vertaald en bezorgd door Leo van Maris. Arbeiderspers.
  5. Xavier Martin, Voltaire méconnu, uitg. Dominique Martin Morin, 2006.
  6. Madelin, L. (1932) De Franse Revolutie, p. 37
  7. Dowd, D.L (1966) De Franse Revolutie, p. 97-98.
  8. Peeperkorn, D. (2009) Jean-Jacques Rousseau en zijn uitgever Marc-Michel Rey. Een verhaal uit de prehistorie van het auteursrecht, p. 29
  9. Schama, S. (19) Burgers, blz. 817, 840.