Voltaire

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Icoontje doorverwijspagina Zie Voltaire (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Voltaire.
Voltaire
Atelier de Nicolas de Largillière, portrait de Voltaire, détail (musée Carnavalet) -002.jpg
Les beaux esprits se rencontrent
Algemene informatie
Pseudoniemen Voltaire
Geboren Parijs, 21 november 1694
Overleden Parijs, 30 mei 1778
Werk
Genre Romans, Essay
Stroming Verlichting
Bekende werken Essai sur les mœurs et l'esprit des nations, 1756; Candide, 1759
Franstalige schrijvers
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Voltaire, pseudoniem van François-Marie Arouet (Parijs, 21 november 1694 - Parijs, 30 mei 1778), was een Frans schrijver, essayist, filosoof en vrijdenker. Hij kan worden beschouwd als de prominente voortrekker van de Franse Verlichting. Nooit heeft een schrijver zo het intellectuele leven van zijn tijd beheerst als Voltaire. Goethe stelde dat Voltaire de aanstichter was van de Franse Revolutie, omdat hij de oude banden van de mensheid zou hebben losgemaakt.[1]

Levensloop[bewerken]

Voltaire werd geboren als zoon van François Arouet, een notaris, en Marie-Marguerite Daumart of D'Aumard. De jonge Voltaire kreeg les op de prestigieuze jezuïetenschool in Parijs, het lycée Louis-le-Grand. Hij verliet de school op zijn zestiende en niet lang daarna maakte hij al vrienden bij de Parijse aristocraten. Zijn humoristische gedichten maakten hem populair in die kringen. In 1713 reisde hij met de Franse ambassadeur naar Den Haag. In 1716 publiceerde hij een satire waarin hij de regent, Philippe van Orléans grof - en zonder bewijs - beschuldigde van incest met zijn dochter, de hertogin van Berry.[2] Na een waarschuwing (verbanning uit de stad) vroeg hij om pardon, wat hij verkreeg. Terug in Parijs recidiveerde hij: in aanwezigheid van een politie-informant maakte hij opnieuw zeer beledigend opmerkingen over de hertogin van Berry.[3] Hij werd elf maanden opgesloten in de Bastille, een comfortabele gevangenis. Tijdens zijn verblijf aldaar schreef François-Marie Oedipe, dat zijn eerste theatersucces zou worden. De regent en zijn dochter, de hertogin van Berry, waren beiden aanwezig bij de première.[4] Hierna ging hij de naam Voltaire gebruiken. Dat pseudoniem is een anagram van Arouet le jeune, waarbij geen verschil wordt gemaakt tussen i en j, en u en v.

In 1726 beledigde Voltaire een machtige jonge edelman, de Chevalier de Rohan. Rohan liet hem door zijn lakeien aframmelen, en Voltaire eiste genoegdoening met de wapens. Die bedreigingen werden de overheid te gortig, en Voltaire werd een tweede keer opgesloten, ditmaal voor twee weken. Hij kon daarna kiezen: de gevangenis of verbanning. Voltaire koos voor verbanning. Van 1726 tot 1729 woonde hij in Engeland. Voltaire raakte geïnteresseerd in de filosofie van John Locke en de ideeën van de wis- en natuurkundige Sir Isaac Newton. Hij bestudeerde Engelands constitutionele monarchie en de religieuze tolerantie aldaar, die weliswaar niet volledig was, maar wel veel groter dan in Frankrijk. Na zijn terugkeer in Parijs schreef Voltaire de Lettres Philosophiques, waarin hij de Engelse gewoontes en instituties prees en het Newtonianisme als alternatief voor Descartes' rationalisme introduceerde. Het boek werd geïnterpreteerd als kritiek op de Franse overheid en in 1734 moest Voltaire Parijs opnieuw verlaten. Voltaire volgde college in Leiden bij de natuurkundige Willem Jacob 's Gravesande en bij de beroemde medicus Boerhaave. Ondertussen verstuurde hij zijn eerste brief naar de Pruisische koning Frederik de Grote, die tegenwoordig als het beste voorbeeld wordt beschouwd van een 'verlicht despoot'.

Voltaires Lettres sur les Anglois. Dit is het begin van hoofdstuk 10

Na een uitnodiging van een intelligente en ontwikkelde vriendin, de Marquise du Châtelet, ging Voltaire wonen in haar Château de Cirey vlakbij Chaumont in Lotharingen. Voltaire, de markiezin en de markies vormden een hechte "ménage à trois". Verscheidene jaren bestudeerden ze allebei de natuurwetenschappen. Tussen 1740 en 1743 woonde hij in Brussel en ging hij vier keer naar Berlijn. Jean-Philippe Rameau zette het toneelstuk De prinses van Navarra op muziek. In 1746 werd Voltaire toegelaten tot de Académie française. In 1748 verbleef hij aan het hof van Stanislas Lezczinsky, en bezocht de baden en bronnen vanwege kiespijn. In 1749, na de dood van Marquise du Châtelet, die een kind ter wereld bracht van haar minnaar Saint-Lambert, kreeg Voltaire een uitnodiging van Frederik de Grote. Hij nam de uitnodiging naar het hof in Potsdam aan, want beide mannen bewonderden elkaar. Voltaire schreef hem: Wij zijn niet geboren om Plato en Leibniz te lezen, om curven te meten, om feiten in ons hoofd te rangschikken. Wij zijn geboren met een hart dat dorst naar hartstochten en waaraan wij moeten voldoen zonder ons door die verlangens te laten beheersen. Een van de grootste zegeningen die wij de mensheid kunnen brengen is bijgeloof en fanatisme uitroeien, de machthebbers beletten degenen te vervolgen die anders denken.[5] Voltaire kreeg echter verscheidene aanvaringen met Frederik de Grote. Deze liet Voltaires satirische pamflet Akakia verbranden. Hierin werd de wis- en natuurkundige Maupertuis, voorzitter van de Berlijnse Academie van Wetenschappen, als pseudowetenschapper afgeschilderd. Voltaire had zich aan het Berlijnse hof onmogelijk gemaakt en keerde in 1753 terug naar Frankrijk.

Om uit de handen van de Franse autoriteiten te kunnen blijven, verhuisde Voltaire in 1755 naar Genève, waar hij net buiten de stad een huis liet bouwen met uitzicht op het meer van Genève. In dit huis genaamd Les Délices (tegenwoordig: Institut et Musée Voltaire) schreef hij zijn beroemde gedicht Poème sur le désastre de Lisbonne naar aanleiding van de aardbeving van 1755 te Lissabon. Dit gedicht, waarin Voltaire zijn twijfel uitdrukt over de goedheid van God, zou de aanzet worden tot zijn beroemdste verhaal, Candide, ou l'optimisme. Op Les Délices liet Voltaire veel toneelstukken uitvoeren. Maar omdat de Geneefse autoriteiten (evenals trouwens zijn grote tegenhanger Jean-Jacques Rousseau) toneel verderfelijk vonden voor de moraal, week hij een paar jaar later uit naar het Franse Ferney, een stadje net ten noorden van de grens van de Geneefse Republiek, zodat hij in geval van nood altijd makkelijk van land kon wisselen. In 1759 kocht hij daar een landgoed, waar hij tot vlak voor zijn dood zou blijven wonen. Voltaire, die door allerlei beleggingen inmiddels een vermogend man was geworden, breidde het landgoed enorm uit en liet akkers en wijngaarden aanleggen, waardoor het dorp tot grote bloei kwam. Hij werd dan ook al snel de seigneur van Ferney genoemd, en in 1878 zou het stadje worden omgedoopt tot Ferney-Voltaire.

Voltaire was bij het schrijven van zijn Essai sur les Moeurs tot de conclusie gekomen dat de geschiedenis een lange reeks van misdaden en ellende is. De in 1756 uitgebroken Zevenjarige oorlog sterkte hem in die mening.[6] Voltaire was ondertussen allerminst vergeten door de intelligentsia. Vele filosofen kwamen hem in Ferney opzoeken, waaronder de Franse verlichtingsfilosofen d'Alembert, Baron d'Holbach en de Engelse verlichtingsfilosoof David Hume. "Waar Voltaire is, daar is het centrum van de verlichting". Een prominente, maar niet in de smaak gevallen bezoeker was Giacomo Casanova die in zijn memoires een uitgebreid verslag van zijn bezoek geeft. Voltaire deed hem af met de opmerking: "Er was hier een vreemd mannetje te gast".

In 1759 verschijnt dan Candide. In dit verhaal bekritiseerde hij de optimistisch ingestelde monadenfilosofie van Leibniz, die in de gedaante van de mentor Pangloss het hoe en waarom in de wereld probeert uit te leggen aan de hoofdpersoon, Candide. Tijdens een reis door Europa komt Candide telkens in aanraking met de ongerijmdheden en wreedheid van het aardse bestaan, maar iedere keer verzekert Pangloss hem dat alles gebeurt voor een goed doel in deze wereld die de best mogelijke van alle is. Uiteindelijk lijkt Candide zich bij deze filosofie neer te leggen, en concludeert dat "il faut cultiver son jardin" ("Je moet je tuin onderhouden").

Naast zijn literaire inspanningen ging Voltaire zich ook steeds meer bezighouden met allerlei maatschappelijke en juridische misstanden, en werd daarmee één van de eerste voorvechters voor de mensenrechten. Zo mengde hij zich in een zaak in Toulouse, waarbij de protestant Jean Calas onterecht ter dood werd veroordeeld omdat hij de hand zou hebben gehad in de dood van zijn zoon, die zich tot Katholiek zou hebben willen bekeren. Voltaire bestudeerde alle dossiers van de zaak, en hoewel Calas ter dood werd gebracht, werd hij in 1765 postuum toch nog vrijgesproken. Voltaire ging zich daarna meer en meer op gelijksoortige zaken toeleggen. Hij liet in 1762 uittreksels publiceren van Het Testament van Jean Meslier, dat zo subversief was dat hij er een "gekuiste" versie van maakte waarin het radicale atheïsme van Meslier wordt afgezwakt tot het door Voltaire voor maatschappelijk veiliger geachte deïsme. Ook vertaalde hij een geschrift van de Italiaanse jurist Cesare Beccaria (Dei delitti e delle pene) in het Frans, waarin gepleit werd voor afschaffing van de doodstraf en marteling en voor humanisering van de rechtspraak in het algemeen. Hij publiceerde in 1763 zijn Traité sur la Tolérance.

Voorpagina van Voltaires vertaling van Beccaria, 1766

Hoewel Voltaire naarmate hij ouder werd steeds cynischer en sceptischer werd ten aanzien van de wereld en van God, zou hij nooit van zijn geloof vallen. Zo liet hij op de door hem opgerichte kerk in Ferney de tekst "Deo erexit Voltaire" (door Voltaire opgericht voor God) aanbrengen. Het geloof van Voltaire was deïstisch, hoewel hij zichzelf een theïst noemde. Het deïsme houdt in dat God, de zogenaamde 'Dieu Horloger', het universum als een klok geschapen heeft en die aan de gang heeft gebracht, waarna deze zichzelf blijft voortbewegen. Hij geloofde dus niet in een God die direct ingrijpt in het menselijk bestaan.

Op de leeftijd van 83 jaar keerde Voltaire als een held terug in Parijs. Hij woonde in de Comédie Française de opvoering van zijn laatste toneelstuk Irène bij, waarna hij een staande ovatie ontving. Enkele weken later werd hij, ondersteund door Benjamin Franklin, binnengeleid in een loge van de Vrijmetselaars. Voltaire heeft zijn dood verhaast door een al te grote hoeveelheid opium in te nemen. Kort daarop stierf hij. Zijn bibliotheek werd opgekocht door Catharina de Grote en omvatte 22.000 brieven. Zij worden nog altijd bewaard in de Russische Nationale Bibliotheek in Sint-Petersburg. Vanwege zijn kritiek op de kerk mocht hij niet in kerkelijke grond begraven worden. De bisschop van Parijs zou gezegd hebben dat zijn lijk op de mesthoop moest worden geworpen. Hij werd begraven bij een abdij in de Champagne. In 1791 werden zijn overblijfselen door het revolutionaire bewind met veel plechtig vertoon verplaatst naar het Pantheon in Parijs.

Toen dit gebouw in 1815 weer een kerk werd, liet Lodewijk XVIII Voltaire daar rusten, omdat volgens de koning het "hem goed zou doen om af en toe een mis te horen".

Voltaire en de slavenhandel[bewerken]

Vaak is beweerd dat Voltaire zich door middel van de slavenhandel zou hebben verrijkt. Om deze bewering te staven wordt een brief geciteerd die hij aan een slavenhandelaar uit Nantes zou hebben geschreven als dank voor de 600 000 livres die hij dankzij deze handelaar zou hebben verdiend, maar deze brief is apocrief gebleken.[bron?] In werkelijkheid heeft Voltaire de slavenhandel met klem veroordeeld. Zijn bekendste tekst in dit verband is de aanklacht wegens verminking van de Surinaamse slaaf in Candide,[7] maar het oeuvre van de auteur bevat ook tal van andere interessante passages. In zijn Commentaire sur l’Esprit des lois (1777), feliciteert hij Montesquieu ermee dat hij de schandvlek, die deze verfoeilijke praktijk is, heeft aangeklaagd.[8] Voltaire toonde zich ook enthousiast over de bevrijding van de slaven door het Genootschap der Vrienden (Quakers) van Pennsylvania in 1769.

Met zijn advocaat en vriend Christin heeft hij gedurende de laatste jaren van zijn leven gevochten voor de bevrijding van de horigen (houders van een precair pachtrecht, dat niet verkoopbaar, noch erfbaar was) uit de Jura, die de laatste horigen in Frankrijk waren - koning Lodewijk XVI had wel per decreet van 8 augustus 1779 de horigheid afgeschaft, maar niet alle eigenaars vergoed, zodat die het decreet niet van toepassing achtten. Het betreft een van de weinige politieke veldslagen die hij verloren heeft; de horigheid werd pas tijdens de Franse Revolutie, in 1801, vervangen door het pachtecht (louage d'ouvrage; later fermage).

Er zijn echter ook andere, minder menslievende citaten aangaande de slavernij.

  • Essai sur les mœurs et l'esprit des nations (1756):
"We kopen slaven voor het huishoudelijke werk alleen bij de negers; deze handel wordt ons aangewreven. Een volk dat zijn eigen kinderen als koopwaar verhandelt, verdient nog meer afkeuring dan de koper. Deze handel toont onze superioriteit; degene die zich een meester laat opleggen, is geboren om er een te hebben."[9]
  • Il faut prendre un parti (1772)
"In 1757 telde het Franse Saint-Domingue ongeveer 30.000 personen en 100.000 negerslaven of mulatten, die op de suikerplantages werkten. (…) Wij vertellen ze dat ze mannen zijn zoals wij, dat ze vrijgemaakt zijn door het bloed van een God die voor hen gestorven is, en vervolgens laten we ze werken als lastdieren (…) en als ze willen ontsnappen, hakt men ze een been af. (…) Deze handel (…) is ongetwijfeld geen weldaad; maar omdat de mens voor zichzelf nieuwe behoeften heeft gecreëerd, verhindert deze handel dat Frankrijk uit het buitenland duur overbodigheden zou aankopen die tot noodzaak zijn geworden."[10]
Voltaire op zeventigjarige leeftijd

Controverse over Voltaires racisme en antisemitisme[bewerken]

Volstrekt in tegenspraak met de status die hij als zinnebeeld van de Verlichting en als goeroe van de verdraagzaamheid had verworven, werd Voltaire beschuldigd van racistische en antisemitische uitlatingen. Deze beschuldigingen berusten op een onmiskenbaar omvangrijk corpus aan citaten, dat niettemin nadere, contextuele toelichting verdient. Voltaire, die daarmee de vooroordelen van zijn tijd onderschrijft, heeft over de gelijkheid van alle mensen geschreven. Hij heeft echter ook in zijn Traité de métaphysique geschreven:

  • "Ik zie tenslotte mensen die ik hoger acht dan negers, zoals de negers boven de apen staan, en zoals de apen boven de oesters en andere dieren van deze soort staan". ("Enfin je vois des hommes qui me paraissent supérieurs à ces nègres, comme ces nègres le sont aux singes, et comme les singes le sont aux huîtres et aux autres animaux de cette espèce.")

Wat het antisemitisme betreft, schrijft Voltaire bijvoorbeeld in het artikel Tolérance (verdraagzaamheid) van zijn Dictionnaire philosophique:

  • "Met spijt spreek ik over de Joden: dit volk is, in menig opzicht, het verwerpelijkste dat ooit de aarde heeft bevuild" ("C’est à regret que je parle des Juifs: cette nation est, à bien des égards, la plus détestable qui ait jamais souillé la terre.")

De Franse historicus Léon Poliakov, die in zijn Histoire de l'Antisémitisme het derde deel de titel De Voltaire à Wagner gaf, noemt hem "de ergste Franse antisemiet van de 18de eeuw". Volgens hem zouden deze gevoelens bij Voltaire in de loop van de laatste vijftien jaren van zijn leven zijn aangescherpt. Er schijnt een verband te zijn met de strijd van de filosoof tegen de christelijke kerk. Ook financiële problemen en moeilijke verhoudingen met Joodse bankiers worden genoemd als verklaringen, hetgeen onvoldoende gefundeerd lijkt. De politiek filosoof Isaac de Pinto bestreed hem in zijn Apologie pour la Nation Juive ou réflexions critiques sur le premier chapitre du VIIe tome des œuvres de Monsieur de Voltaire au sujet des juifs (Amsterdam, J. Joubert, 1762.

Bernard Lazare merkt echter op: "Als Voltaire een uitgesproken Jodenhater was, dan waren de gedachten die hij en de encyclopedisten vertegenwoordigden, toch niet vijandig ten opzichte van de joden, aangezien het ideeën betrof aangaande vrijheid en universele gelijkheid". ("Si Voltaire fut un ardent judéophobe, les idées que lui et les encyclopédistes représentaient n'étaient pas hostiles aux Juifs, puisque c'étaient des idées de liberté et d'égalité universelle.")

Anderen merken op dat het voorkomen van thans algemeen als verwerpelijk beschouwde passages in de werken van Voltaire geen definitief oordeel mogelijk maken over het vermeende racisme of antisemitisme van de filosoof. Roland Desné schrijft: "Dat sommige zinsneden van Voltaire ons kwellen, betekent niet dat wij hem moeten rekenen tot het grauw van de vervolgers." ("Ce n'est pas parce que certaines phrases de Voltaire nous font mal que nous devrions le confondre dans la tourbe des persécuteurs.")

Voltaire op Sanssouci, het hof van Frederik de Grote

Bibliografie[bewerken]

Selectie uit zijn zevenhonderd in druk verschenen werken:

  • Oedipe (1718)
  • Henriade over Hendrik IV (1723)
  • Histoire de Charles XII (1731)
  • Zaïre (1732)
  • Lettres philosophiques (1734)
  • Alzire ou les Américains (1736)
  • Le Fanatisme ou Mahomet le Prophète (1742)
  • Zadig, ou la destinée. Histoire orientale (1747)
  • Le siècle de Louis XIV (1751)
  • Le Micromégas, een filosofische vertelling (1752)
  • Essai sur les mœurs et l'esprit des nations (1756)
  • Poème sur la loi naturelle et Poème sur le Désastre de Lisbonne (1756)
  • Karel XII (1756)
  • Candide (1759)
  • L'Extrait de sentiment de Jean Meslier (1762)
  • Traité sur la tolérance (1763)
  • Dictionnaire philosophique (1765)
  • L'Ingénu, de argeloze (1767)
  • La Princesse de Babylone (1768)
  • Irène (1778)

Nederlandstalige brief[bewerken]

Op 2 april 2007 werd bekend dat de Leidse onderzoeker dr. C.D. van Strien in de collectie van Tresoar een origineel handgeschreven briefje van Voltaire had gevonden. Het tot dan onbekende briefje is een reactie op een vertaling in het Nederlands die P.A. de Huybert van Kruiningen maakte van een door Voltaire geschreven Frans lofdicht op de Friese politicus en dichter Willem van Haren. Wat het briefje bijzonder maakt, is dat het in het Nederlands geschreven is. Dat Voltaire in Nederland heeft gewoond was bekend, maar niet bekend was dat hij de Nederlandse taal zo machtig was dat hij ook die taal schreef.[11][12]

Voltaire en de vrijheid van meningsuiting[bewerken]

Het ook in Nederland veel gebruikte citaat "Ik ben het niet eens met wat je zegt, maar ik zal het recht om het te zeggen tot de dood toe verdedigen" stelt hem voor als een (mogelijk) en bereidwillig martelaar van de persvrijheid, maar daarvoor was hij nog te veel een man van de 18e eeuw. De uitspraak is niet tot Voltaire te herleiden.

Het citaat is van Evelyn Beatrice Hall die onder het pseudoniem Stephen G. Tallentyre in The Friends of Voltaire (1906) deze maxime gaf als een samenvatting van Voltaires gedachtegoed. In Norbert Gutermans in 1965 gepubliceerde A Book of French Quotations wordt een brief van 6 februari 1770 geciteerd die Voltaire aan Abbé le Riche zou hebben geschreven. Het door Gutterman gegeven citaat "Monsieur l'abbé, je déteste ce que vous écrivez, mais je donnerai ma vie pour que vous puissiez continuer à écrire" komt in die brief (en ook in de verdere correspondentie) echter niet voor.

Literatuur[bewerken]

  • Jeroom Vercruysse, Voltaire et la Hollande, Genève, Institut et Musée Voltaire, 1966, Studies on Voltaire, XLVI
  • Jeroom Vercruysse, Voltaire et les Provinces-Unies, In: Septentrion 1979 (tekst via DBNL)
  • Hubert Leynen, Voetsporen van Voltaire, Het Koninklijk Leesgezelschap Hasselt, 1979
  • Jan Pieter van der Sterre, Voltaire en de Republiek. Teksten van Voltaire over Holland en Hollanders. Amsterdam, Atlas, 2006.
  • Roger Pearson, Voltaire, de almachtige (Amsterdam, De Bezige Bij, 2006, vertaling uit het Engels)
  • Kees van Strien in 'Revue Voltaire' 2010 en 2012 [1]
  • K. van Strien, Voltaire in Holland (1736-1745). Leuven, Peeters, 2011.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Grimm, H. (1874) Goethe, p. 30
  2. Op eind januari 1716 had de hertogin van Berry een meisje ter wereld gebracht en volgens geruchten was dit onwettig kind verwekt door haar eigen vader (E. de Barthélémy, Gazette de la Régence. Janvier 1715-1719, Parijs, 1887, p. 68)
  3. Arouet noemde de dochter van de regent een Messalina en verklaarde dat de prinses, die toen weer zwanger was, zich had teruggetrokken op haar kasteel de la Muette om te bevallen (Jean-Michel Raynaud, Voltaire soi-disant, Presses Universitaires de Lille, 1983, vol. 1, p. 289).
  4. De prinses was zichtbaar in verwachting en deze schandalige zwangerschap inspireerde opnieuw geruchten over incest met haar vader (Philippe Erlanger, Le Régent, Parijs, 1938, p. 240-249).
  5. Gooch, G.P. (1966) Frederik de Grote, p. 164.
  6. Voltaire Verhalen: Zadig/Candide/De argeloze/De prinses van Babylon. Prisma Klassieken, 1979, p. 318.
  7. Chapitre 19 de Candide
  8. Indien iemand ooit heeft gestreden om slaven van allerlei slag hun natuurlijke vrijheid terug te geven, is het vanzelfsprekend Montesquieu. Hij achtte de rede en de mensheid onverenigbaar met welke vorm van slavernij ook: noch die van de negers die men aan de kusten van Guinea ging halen om suiker te winnen op de Caraïben; noch die van de eunuchen om vrouwen te bewaken en om de hoogste stem te zingen in de pauselijke kapel; Œuvres complètes de Voltaire, tome XXXI, Commentaire sur l’Esprit des lois, Section Esclavage, édition de 1893, p. 305.
  9. "Nous n'achetons des esclaves domestiques que chez les Nègres; on nous reproche ce commerce. Un peuple qui trafique de ses enfants est encore plus condamnable que l'acheteur. Ce négoce démontre notre supériorité; celui qui se donne un maître était né pour en avoir."
  10. "On comptait en 1758, dans la Saint-Domingue française, environ trente mille personnes, et cent mille esclaves nègres ou mulâtre qui travaillaient aux sucreries (…) Nous leur disons qu'ils sont des hommes comme nous, qu'ils sont rachetés du sang d'un Dieu mort pour eux, et ensuite on les fait travailler comme des bêtes de somme (…) s'ils veulent s'enfuir, on leur coupe une jambe. (…) Ce commerce (…) n'est pas sans doute un vrai bien; mais les hommes s'étant fait des nécessités nouvelles, il empêche que la France n'achète chèrement de l'étranger un superflu devenu nécessaire".
  11. Tresoar - Een handgeschreven brief van Voltaire
  12. http://www2.tresoar.nl/download/voltaire.pdf Uitleg door C.D. van Strien
Wikiquote Op Wikiquote staan citaten van Voltaire.
Personen die zijn begraven in het Panthéon

1791: Honoré Gabriel de Riqueti, graaf van Mirabeau · Voltaire · 1793: Louis-Michel Lepeletier de Saint-Fargeau · Auguste Marie Henri Picot de Dampierre · 1806: François Denis Tronchet · Claude-Louis Petiet · 1807: Jean-Baptiste-Pierre Bevière · Louis-Joseph-Charles-Amable d'Albert de Luynes · Jean-Étienne-Marie Portalis · Louis-Pierre-Pantaléon Resnier · 1808: Antoine-César de Choiseul-Praslin · Jean-Frédéric Perregaux · Jean-Pierre Firmin Malher · Pierre Jean Georges Cabanis · François Barthélemy Beguinot · 1809: Girolamo Luigi Durazzo · Jean-Baptiste Papin · Joseph-Marie Vien · Pierre Garnier de Laboissière · Justin Bonaventure Morard de Galles · Jean-Pierre Sers · Emmanuel Crétet · 1810: Louis Charles Vincent Le Blond de Saint-Hilaire · Jean Lannes · Giovanni Battista Caprara · Charles Pierre Claret de Fleurieu · Jean-Baptiste Treilhard · 1811: Nicolas Marie Songis des Courbons · Charles Erskine de Kellie · Alexandre-Antoine Hureau de Sénarmont · Michel Ordener · Louis Antoine de Bougainville · Ippolito Antonio Vincenti-Mareri · 1812: Jan Willem de Winter · Jean Marie Pierre Dorsenne · Auguste Jean-Gabriel de Caulaincourt · 1813: Joseph-Louis Lagrange · Jean-Ignace Jacqueminot · Hyacinthe-Hughes Timoléon de Cossé-Brissac · Justin de Viry · Jean Rousseau · Frédéric Henri Walther · 1814: Jean-Nicolas Démeunier · Jean Louis Ébenezel Reynier · Claude Ambroise Régnier · 1815: Claude Juste Alexandre Legrand · Antoine-Jean-Marie Thévenard · 1829: Jacques-Germain Soufflot · 1885: Victor Hugo · 1889: Théophile Malo Corret de La Tour d'Auvergne · Lazare Carnot · Jean-Baptiste Baudin · François Séverin Marceau · 1894: Marie François Sadi Carnot · 1907: Marcellin Berthelot · 1908: Émile Zola · 1920: Léon Gambetta · 1924: Jean Jaurès · 1933: Paul Painlevé · 1948: Paul Langevin · Jean Perrin · 1949: Félix Éboué · Victor Schoelcher · 1952: Louis Braille · 1964: Jean Moulin · 1987: René Cassin · 1988: Jean Monnet · 1989: Henri Grégoire · Gaspard Monge · Nicolas de Condorcet · 1995: Marie Curie · Pierre Curie · 1996: André Malraux · 2002: Alexandre Dumas père · 2011: Aimé Césaire