Lazare Carnot

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Lazare Nicolas Marguerite Carnot

Lazare (Lazarus) Carnot (Nolay, 13 mei 1753Maagdenburg, 22 augustus 1823) was wiskundige en fysicus, maar is toch het meest bekend om zijn militaire rol in de Franse Revolutie.

Hij stamde uit een rijke advocatenfamilie en ging in 1771 in dienst bij het leger, waar hij uitmuntte als ingenieur.

Franse Revolutie[bewerken]

Hij sloot zich aan bij de revolutie, in 1791 werd hij afgevaardigde voor de Pas-de-Calais en in 1792 verkozen in de Conventie. Als lid van het militair comité kwam hij op het idee van de levée en masse, de eerste massale dienstplicht in de geschiedenis, die later de conscriptie zal worden. Hij stemde ook voor de terechtstelling van de koning. In 1793 was hij lid van het Comité de salut public, de nog radicalere regering van Robespierre, waar hij zich bezighield met de oorlogvoering. De Franse roemen hem als de grote Carnot, de organisator van de overwinning. Toen het tij zich tegen de radicalen keerde, nam ook hij afstand van Robespierre, en in 1795 was hij een van de vijf leden van het Directoire. Die regering annexeerde de Zuidelijke Nederlanden, die hem bijzonder interesseerden. Na een politieke ruzie met Paul Barras vluchtte hij naar het toen nog onafhankelijke Zwitserland, maar na de staatsgreep van Napoleon Bonaparte kwam hij weer terug en werd hij minister van Oorlog. In 1802 stemde hij tegen het keizerschap en moest hij ontslag nemen. Hij werd wetenschapper en schreef enkele wiskundige verhandelingen. De Stelling van Carnot is naar hem genoemd.

Carnot stierf in ballingschap in het Pruisische Maagdenburg. Zijn oudste zoon Sadi Carnot was een bekend ingenieur en natuurkundige, zijn tweede zoon Hippolyte Carnot werd parlementslid en minister. Zijn kleinzoon Marie François Sadi Carnot werd president van de Derde Franse Republiek.

Antwerpen[bewerken]

Na de veldtocht van Napoleon naar Rusland van 1812 kreeg Carnot een nieuwe militaire opdracht. Hij werd in 1814 naar Antwerpen gestuurd om de stad te verdedigen. Hij liet wijken buiten de stad, met name delen van het Kiel en Berchem afbranden om de stad verder uit te bouwen tot een belangrijk bolwerk tegen de geallieerde coalities. Na het afzetten van Napoleon op 6 april 1814 in Parijs, bleef Carnot Antwerpen in handen houden, ondanks het bevel van regent Karel X om de stad te ontruimen. Pas op 5 mei konden de Engelsen de stad overnemen. Een jaar later was Napoleon weer terug en was ook Carnot weer minister van Oorlog tijdens de Honderd Dagen (1815).

Alhoewel hij een bezetter was heeft Antwerpen hem een straatnaam gegeven, de Carnotstraat, toen buiten de stadsmuren, nu niet ver van het Centraal Station.


Voorganger:
Louis-Alexandre Berthier, prins van Neuchâtel
Minister van Oorlog
1800-1807
Opvolger:
Louis-Alexandre Berthier, prins van Neuchâtel