Richard Wagner

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Richard Wagner
Richard Wagner, afgebeeld door Cäsar Willich in 1862
Richard Wagner, afgebeeld door Cäsar Willich in 1862
Algemene informatie
Volledige naam Wilhelm Richard Wagner
Geboren 22 mei 1813
Overleden 13 februari 1883
Land Vlag van Duitse Keizerrijk Duitse Rijk
Werk
Jaren actief 1833-1882
Genre(s) Opera
Beroep(en) Componist
Portaal  Portaalicoon   Muziek

Wilhelm Richard Wagner (Leipzig, 22 mei 1813Venetië, 13 februari 1883) was een Duits componist.

Richard Wagner was een belangrijk vernieuwer in de muziek van zijn tijd. Hij componeerde als belangrijkste werken een aantal opera's die hij zelf liever als muziekdrama's aanduidde en waarvoor hij ook de teksten (libretti) schreef. Hij streefde naar een Gesamtkunstwerk, de ideale vereniging van woord, muziek en toneel. Op den duur ontstonden daaruit zijn grootse muziekdrama's die uiteindelijk in een speciaal hiervoor gebouwd theater werden (en worden) opgevoerd in de Beierse stad Bayreuth.

Wagner heeft vrijwel zijn hele leven in politieke en financiële moeilijkheden verkeerd; pas in de latere jaren van zijn leven kwam hij tot welstand en aanzien. Hij was aanvankelijk getrouwd met Minna Planer, had later een (platonische?) verhouding met Mathilde Wesendonck, en trouwde uiteindelijk met Cosima, de dochter van Franz Liszt, veel jonger dan hij (hij was zelf van de generatie van Liszt), die hem tientallen jaren heeft overleefd. Hij had zelf één zoon, Siegfried Wagner. Diens zonen Wolfgang en Wieland Wagner hebben na hun oma Cosima nog decennialang de gang van zaken in Bayreuth bestierd. Tevens had Wagner twee dochters bij Cosima, Isolde (1864) en Eva (1867), die beiden door Cosima's eerste echtgenoot, Hans von Bülow erkend werden.

Wagner, als persoon en als musicus, blijft onderwerp van controverse en emotionele discussies; zowel verafgoding als volstrekte verwerping komen voor. Zijn betekenis als componist en muzikaal vernieuwer staat echter buiten kijf. Er is omvangrijke literatuur over Wagner die deze controverse weerspiegelt.

Biografie[bewerken]

Wagner en zijn zoon Siegfried

Richard Wagner werd op 22 mei 1813 geboren te Leipzig. Zijn vader Karl Friedrich Wilhelm Wagner, die klerk was bij de politie, overleed toen Richard vijf maanden oud was. Zijn moeder Johanna Rosine Pätz verhuisde naar Dresden en hertrouwde in 1814 met de toneelspeler en schilder Ludwig Geyer. Na het overlijden van Geyer keerde het gezin terug naar Leipzig, waar in 1830 een door Wagner geschreven ouverture in het plaatselijke theater werd uitgevoerd door Heinrich Dorn. Het lot der vaderloosheid zal een toonaangevend thema zijn voor zijn helden: Tristan, Siegmund en Sieglinde, Siegfried, Parsifal.

De jonge Richard Wagner had ambitie toneelschrijver te worden. In 1831 schreef hij zich echter in aan de Universiteit van Leipzig om muziek te studeren. De muziek van Beethoven had een belangrijke muzikale invloed op hem, in wiens stijl Wagner aanvankelijk trachtte te componeren.

In 1833 werd Wagner benoemd tot koormeester aan het theater van Würzburg en in hetzelfde jaar voltooide hij zijn eerste opera, Die Feen, met daarin duidelijke invloeden van Carl Maria von Weber. Hij had korte dienstverbanden in Maagdenburg en Koningsbergen. Hij trouwde met de actrice Minna Planer in 1836. Het jaar daarop verhuisden zij naar Riga waar hij dirigent van de opera werd. Minna had een korte, rampzalige verhouding met een legerofficier. Toch zou het nog dertig jaar duren voor het huwelijk eindigde. Door schuldeisers op de hielen gezeten vluchtten ze in 1839 via Noorwegen en Londen naar Parijs. De lange stormachtige zeereis was een inspiratie voor de opera Der Fliegende Holländer die hij in 1841 schreef. De Wagners woonden twee en een half jaar in Parijs, waar hij geld verdiende met het schrijven van artikelen en het bewerken van opera's van anderen. In de herfst van 1840 schreef Wagner Rienzi.

In 1842 verhuisden de Wagners voor een periode van zes jaar naar Dresden, waar Richard Kapellmeister (operadirigent) was. De première van Rienzi vond in 1842 plaats in Dresden. Dit werd een van de grootste triomfen in Wagners leven en legde de grondslag voor zijn beroemdheid. Enkele maanden later werd er in Dresden een opera opgevoerd, die de "eigenlijke Wagner" Der fliegende Holländer noemde. Bij de première van zijn opera Tannhäuser (1845) in Dresden gaf het publiek hem weer de voorkeur.

Richard was echter zeer politiek actief en had connecties met revolutionairen en anarchisten, waaronder Michail Bakoenin. In het jaar 1848, waarin het overal in Europa gistte en de revolutie voortdurend op uitbreken stond, was hij politiek actief zodat hij, toen de oude staatsorde uiteindelijk toch weer de overhand kreeg, moest vluchten omdat er een arrestatiebevel tegen hem was uitgevaardigd.

Hij zocht asiel in Zwitserland, waar Mathilde Wesendonck, een vurig bewonderaarster, die gehuwd was met een rijke mecenas en industrieel, hem hulp schonk. Zij was zijn muze bij het schrijven van Tristan und Isolde en de Wesendonck-Lieder. Ook werkte hij aan de tekst en de muziek van Der Ring des Nibelungen. Twaalf jaar heeft hij in Zwitserland gewoond en hier zijn veel belangrijke werken (deels) ontstaan.

In 1862 vestigde Wagner zich in Biebrich, waar hij aan Die Meistersinger werkte. Tegen het eind van dat jaar was hij evenwel in Wenen, waar hij tot begin 1864 is gebleven.

Uiteindelijk streek hij tegen het einde van zijn leven neer in het Noord-Beierse Bayreuth, waar hij met de steun van de Beierse koning en Wagnerliefhebber Ludwig II een operagebouw kon laten bouwen. In dit Festspielhaus, waar uitsluitend zijn eigen werk ten gehore wordt gebracht, bevindt het orkest zich onzichtbaar in een orkestbak onder het toneel. Jaarlijks worden de Bayreuther Festspiele gehouden. Wie een kaartje wil bemachtigen komt op een jarenlange wachtlijst. Om als musicus te worden uitgenodigd daarbij te komen zingen of spelen wordt beschouwd als een grote eer.

Richard Wagner in Bayreuth

Wagner stierf aan een hartinfarct na een ruzie met Cosima, zijn echtgenote, op 13 februari 1883 in het Palazzo Vendramin-Calergi te Venetië.

De componist werd begraven in de tuin achter het Haus Wahnfried op een daartoe door hemzelf uitgekozen plek. Bij de opening van de Festspiele is er gezang van het festivalkoor aan het met lauwerkransen voorziene graf van de meester en zijn hondjes Marke en Russ.

Wagners woonhuis in Bayreuth, Haus Wahnfried, is thans een museum.

Betekenis van Wagner voor de muziek[bewerken]

Wagner liet de klassieke muziek in een heel andere staat achter dan hij deze aantrof. Harmonieën die voor zijn tijd niemand had durven proberen, opera's die in bijna niets leken op wat er voor die tijd onder die naam bekendstond, orkestraties en melodieën die niemand eerder had geprobeerd, oerthema's uit de mythologie met een universele geldigheid en aantrekkingskracht. Wagner introduceerde in zijn Ring het idee van het Leitmotiv (de gebruikelijke term, Wagner sprak zelf echter altijd over Gefühlsmoment), een fragmentje, melodische lijn of thema dat voor een bepaald idee of persoon staat. Hierdoor gaat de muziek een eigen leven leiden naast de tekst; de hoofdpersoon zweert op het toneel mondeling trouw, maar het orkest gromt onder het toneel al over 'verraad'; Wodan heeft het over een contract en het orkest onderstreept dit met het thema van zijn speer waarin de runen van het verdrag staan gegrift. De motieven muteren langzaam naarmate hun rol verandert of anders wordt toegepast. Dit maakt het bijwonen van een opvoering van de Ring (vier avondvullende opera's) tot een volstrekt unieke ervaring waarin de luisteraar geheel wordt ondergedompeld. Het vergt wel grote volharding om tot een dergelijke waardering van de kunst van deze componist te komen. Voor beginners zijn wellicht Der fliegende Holländer en Lohengrin een goede keuze. Wagner heeft ook een grote invloed gehad op de cultuurfilosofie van Friedrich Nietzsche, die aanvankelijk idolaat van hem was, maar zich later rigoureus van Wagner afkeerde.

Wagner en de politiek[bewerken]

Wagner beperkte zich niet tot componeren, hij was ook politiek actief (hij heeft samen met zijn Russische vriend en revolutionair Bakoenin deelgenomen aan de vruchteloze opstand in Dresden tijdens de revolutie in 1848-1849). Siegfried, de held van Wagners Der Ring des Nibelungen is deels gebaseerd op het karakter van Bakoenin.

Tevens had hij een scherp oog voor zijn eigen belang; hij was jaloers op zijn collega-componisten die (naar zijn mening onterecht) gemakkelijke successen behaalden. Hij ageerde sterk tegen Joden en heeft een lang antisemitisch artikel Das Judenthum in der Musik (1850) geschreven. Hij is dan ook wel betiteld als een van de voorlopers van het antisemitisme zoals dat zich in de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw in Europa openbaarde. Wanneer hij iemand niet mocht, dan "concludeerde" hij dat diegene "dus" wel een Jood moest zijn, of toch anders mínstens diens móeder een Jodin.[1] Het antisemitisme van Wagner sloot aan bij een lange Europese traditie en werd volgens journalist Jonathan Carr ook in de hand gewerkt door de schulden die Wagner voortdurend bij Joodse bankiers had uitstaan. Toch was zijn houding tegenover Joden eerder ambivalent zoals blijkt uit zijn contacten met de populaire Joodse operacomponist Giacomo Meyerbeer en nog andere Joodse muzikale vrienden. Het was veeleer Cosima Liszt, Wagners echtgenote, die een jodenhaatster was zoals later is gebleken uit haar dagboeken. Zij was het die, na zijn dood, de beeldvorming van Richard en zijn gedachtegoed manipuleerde en hem tot een bruikbare mascotte voor de latere 'Blut und Boden'-aanhangers kneedde.

Anders dan zijn operateksten zijn Wagners politieke geschriften nauwelijks leesbaar. Wagner had grote invloed op koning Lodewijk II van Beieren, die hem in de loop der jaren (tot bezorgdheid van diens ministers) veel geld ter beschikking heeft gesteld om zijn idealen te verwezenlijken.

Wagner en de literatuur[bewerken]

In de literatuur van het Nederlandse fin de siècle heeft Wagner grote invloed gehad, zozeer zelfs, dat er gesproken kan worden van een zogeheten Wagnercultus. Zijn muziek was zo heftig, pompeus en opzwepend, dat ze in literatuur voor krankzinnigen bestemd is. Literatoren zagen de componist als "de gids voor het labyrint van de menselijke ziel", die het gestoorde los kan maken in de mens. Een goed voorbeeld daarvan kan worden aangetroffen in het korte verhaal De binocle (1920) van Louis Couperus, waarin de muziek van Wagner een man ertoe drijft een zware binocle te gooien op het hoofd van een kale man, die in het concertgebouw onder het balkon zit.

Nietzsche en Wagner[bewerken]

De relatie tussen Wagner en Friedrich Nietzsche was zeer opvallend. De jonge Nietzsche zag aanvankelijk de grote vernieuwer in Wagner, dé figuur die het decadente Duitsland van destijds naar een bloeiende renaissance kon leiden. De tijd die ze samen doorbrachten in Tribschen behoorde tot de beste tijd van zijn leven, aldus Nietzsche.[2] Het tij keerde drastisch bij de opening van de opera in Bayreuth, een gegeven dat Nietzsche niet anders kon zien dan als de verloochening van hun beider ideeën over kunst en cultuur. Het is zeker dat Nietzsche steeds van Wagner is blijven houden maar zijn taak als filosoof dwong hem er toe door te dringen in de muziekwereld van Wagner. Dit resulteerde in steeds fellere kritiek op het werk van de geroemde componist, tot uiteindelijk de vriendschap volledig stukliep. De kritiek die Nietzsche gaf op Wagner kreeg (en krijgt nog steeds) weinig bijval, waarschijnlijk mede omdat ze door de persoonlijke achtergrond tussen de twee mannen geassocieerd wordt met vadermoord.

Nietzsche had het vooral over Wagners decadentie; de moraal in Wagners verhalenkeuze alleen al was volgens Nietzsche volledig verkeerd:

"Wie anders dan Wagner leerde ons, dat de onschuld bij voorkeur interessante zondaren verlost? (het geval in Tannhäuser). Of dat zelfs de Wandelende Jood verlost wordt, huiselijk wordt, wanneer hij trouwt? (het geval in de Vliegende Hollander). Of dat verdorven oude vrouwspersonen er de voorkeur aan geven door kuise jongelingen verlost te worden? (het geval Kundry). Of dat mooie meisjes het liefst gered willen worden door een ridder die Wagneriaan is? (het geval in de Meistersinger). Of dat ook getrouwde vrouwen graag gered worden door een ridder? (het geval Isolde). Of dat "de oude god", nadat hij zich op alle mogelijke manieren gecompromitteerd heeft, uiteindelijk door een vrijdenker en immoralist verlost wordt? (het geval in de Ring). Verbaast U zich vooral over deze laatste diepzinnigheid! Begrijpt U het? Ik — pas er wel voor op, dat te begrijpen..."[3]

Het meest verbolgen was hij misschien nog wel over de manier waarop Wagner in zijn laatste drama Parsifal opnieuw toenadering zocht tot het christendom, een religie die in Nietzsches visie nu juist overwonnen moest worden.

Maar ook op muzikaal gebied was er kritiek. Voor Nietzsche gold dat muziek "de geest moet doen dansen", "met lichte voeten". Vandaar dat hij ook herhaaldelijk opmerkte dat de opera Carmen van Georges Bizet torenhoog uitstak boven de donkere en logge wereld van Wagner. Verder kon een "Gesamtkunstwerk" nooit ten goede komen aan de afzonderlijke delen, maar er eerder ten koste van gaan en ten slotte leiden tot goedkoop effectbejag.

De bijdrage van Wagner aan de muziek is volgens Nietzsche enkel gelegen in zijn kundigheid als miniaturist. In sterk contrast met het algemeen heersende beeld van Wagner als grootmeester in het theatrale, is zijn muziek volgens Nietzsche in werkelijkheid niets anders dan een aantal korte muzikale pareltjes die samenhangen met veel te lange, saaie, zichzelf herhalende en overbodige muziekblokken.

Composities[bewerken]

Voltooide opera's en toneelmuziek[bewerken]

jeugdwerken[bewerken]

middenperiode[bewerken]

latere werken[bewerken]

Onvoltooide opera's, niet gecomponeerde libretti en toneelstukken[bewerken]

  • Leubald, Trauerspiel in vijf bedrijven 1826-1828
  • Schäferoper (fragment, verloren gegaan) 1830
  • Die Hochzeit, opera (onvoltooid) 1832-1833 (première van het voltooide deel 1933)
  • Die hohe Braut, opera in vijf bedrijven (tekst: naar de gelijknamige roman van Heinrich Koenig) 1836/1842
  • Männerlist grösser als Frauenlist oder Die glückliche Bärenfamilie, komische opera in twee bedrijven (tekst: naar Duizend-en-één-nacht) 1838?
  • Die Sarazenin, opera in vijf bedrijven 1841?/1843
  • Die Bergwerke zu Falun, opera in drie bedrijven (tekst: naar de gelijknamige vertelling van Ernst Theodor Amadeus Hoffmann) 1842
  • Friedrich I. in vijf bedrijven 1846/1848-1849
  • Jesus von Nazareth in vijf bedrijven 1849
  • Achilleus in drie bedrijven 1849-1850
  • Wieland der Schmied, Heldenopera in drie bedrijven 1849-1850
  • Die Sieger 1856
  • Luthers Hochzeit 1868
  • Ein Lustspiel in één bedrijf 1868
  • Eine Kapitulation, "Lustspiel in antiker Manier" in één bedrijf 1870

Toneelmuziek[bewerken]

  • Ouvertüre van Friedrich Schillers treurspel met koren "Die Braut von Messina" (verloren gegaan) 1830
  • Ouvertüre in e-moll und Theatermusik, naar Ernst Raupachs historisch treurspel in vijf bedrijven "König Enzio" (toneelmuziek verloren gegaan) 1831-1832 (première 1832)
  • Entractes tragiques nr. 1 in D-groot ; nr. 2 in c-klein 1832?
  • Musik zu Wilhelm Schmales allegoriscch Festspiel "Beim Antritt des neuen Jahres 1835" in één bedrijf 1834 (première 1835)
  • Ouverture in Es-Dur und Theatermusik zu Theodor Apels historischem Drama "Columbus" in vijf bedrijven 1834-1835 (première 1835
  • Theatermusik zu J. Singers romantisch-historischem Schauspiel mit Gesang "Die letzte Heidenverschörung in Preussen oder Der Deutsche Ritterorden in Königsberg" in vier delen 1837 (première 1837?)

Orkestwerken[bewerken]

  • Ouverture in B-groot Paukenschlag-Ouvertüre (verloren gegaan) 1830 (première 1830)
  • Ouverture Politische Ouvertüre (verloren gegaan) 1830?
  • Orkestwerk in e-klein 1830?
  • Ouverture in C-groot (in 6/8-maat) (verloren gegaan) 1830
  • Orkestratie van een sonate voor piano à quatre mains in Bes-groot (verloren gegaan) 1831
  • Ouverture in Es-groot (verloren gegaan) 1831
  • Ouverture in d-klein Konzert-Ouvertüre Nr. 1 1831 (première 1831)
  • Ouverture in C-groot Konzert-Ouvertüre Nr. 2 1832 (première 1832?)
  • Symfonie in C-groot 1832 (première 1832)
  • Symfonie in E-groot (fragment) 1834
  • Ouverture in C-groot Polonia 1836 (première 1836-1837? of 1905
  • Ouverture in D-groot Rule Britannia 1837 (première 1838?)
  • Eine Faust-Ouvertüre in d-klein 1839-1840 (première 1844), herwerking 1855 (première 1855)
  • Trauermusik nach Motiven aus Carl Maria von Webers "Euryanthe" 1844 (première 1844)
  • twee of drie symfoniefragmenten 1846-1847
  • Träume voor solo-viool en orkest in As-groot (bewerking van de Fünf Gedichte für eine Frauenstimme mit Pianoforte-Begleitung: nr. 2 (later nr. 5)) 1857 (première 1857)
  • Romeo und Julie tussen 1868 en 1879?
  • Siegfried-Idyll in E-groot 1870 (première 1870)
  • plannen voor ouverturen en symfonieën tussen 1874 en 1883

Werken voor harmonieorkest[bewerken]

Werken voor kamermuziek[bewerken]

  • strijkkwartet in D-groot (verloren gegaan) 1829

Werken voor piano[bewerken]

  • sonate in d-klein (verloren gegaan) 1829
  • sonate in f-klein (verloren gegaan) 1829
  • sonate voor piano à quatre mains in Bes-groot (verloren gegaan) 1831
  • sonate in Bes-groot, opus 1 1831
  • fantasie in fis-klein 1831
  • polonaise in D-groot 1831-1832
  • polonaise voor piano à quatre mains in D-groot 1831-1832
  • Grosse Sonate in A-groot, opus 4 1832
  • Klavierstück (Albumblatt für E.B. Kietz "Lied ohne Worte" 1840?
  • polka in G-groot 1853
  • sonate in As-groot 1853
  • Züricher Vielliebchen-Walzer in Es-groot 1854
  • In das Album der Fürstin M[etternich] (Albumblatt) in C-groot 1861
  • Ankunft bei den schwarzen Schwänen (Albumblatt) in As-groot1861
  • Albumblatt in Es-groot 1875

Werken voor koor[bewerken]

  • Volks-Hymne (Nicolay) in G-groot (tekst: Harald von Brakel) 1837 (première 1837
  • Gesang am Grabe (verloren gegaan) (tekst: Harald von Brakel) 1838-1839 (première 1839
  • Festgesang "Der Tag erscheint" (tekst: Christoph Christian Hohlfeld) versie voor mannenkoor a capella 1843 (première 1843), versie voor mannenkoor en koperblazers 1843? (première 1911?)
  • Das Liebesmahl der Apostel, een bijbelse scene 1843 (première 1843)
  • Gruss seiner Treuen an Friedrich August den Geliebten "Im trauen Sachsenland" versie voor mannenkoor en harmonieorkest 1844 (première 1844
  • An Webers Grabe, zangstuk voor mannenkoor in Des-groot 1844 (première 1844
  • Wahlspruch für die deutsche Feuerwehr, lied voor mannenkoor in G-groot (tekst: Franz Gilardone) 1869

Werken voor solo zangstem en orkest[bewerken]

  • aria (verloren gegaan) 1829
  • aria voor sopraan en orkest (verloren gegaan) 1830
  • scène en aria voor sopraan en orkest (verloren gegaan) 1832 (première 1832

Werken voor solo zangstem of koor en piano[bewerken]

  • vier fragmenten van Lieder tussen 1828 en 1830
  • Sieben Kompositionen zu Goethes "Faust" 1831:
    • nr. 1 voor mannenkoor en piano
    • nr. 2 voor sopraan, tenor, gemengd koor en piano
    • nr. 3 voor bas, unisono mannenkoor en piano
    • nr. 4 voor bas, unisono mannenkoor en piano
    • nr. 5 voor bas en piano
    • nr. 6 voor sopraan en piano
    • nr. 7 voor recitante en piano
  • Glockentöne, lied voor zangstem en piano (tekst: Theodor Apel (verloren gegaan) 1832
  • Der Tannenbaum, lied voor zangstem en piano in es-klein (tekst: Georg Scheurlin) 1838?
  • Dors mon enfant, lied voor zangstem en piano in F-groot (tekst: NN) 1839
  • Extase, lied voor zangstem en piano in D-groot (tekst: Victor Hugo) 1839
  • Attente, lied voor zangstem en piano in G-groot (tekst: Victor Hugo) 1839
  • La tombe dit à la rose, lied voor zangstem en piano in e-klein (tekst: Victor Hugo) 1839
  • Mignonne, lied voor zangstem en piano in E-groot (tekst: Pierre de Ronsard) 1839
  • Tout n'est qu'images fugitives (Soupir), lied voor zangstem en piano in Bes-groot (tekst: Jean Reboul) 1839
  • Les deux grenadiers, lied voor bariton en piano in a-klein (tekst: Heinrich Heine in vertaling van François Adolphe Loeve-Veimar) 1839-1840
  • Adieux de Marie Stuart, lied voor sopraan en piano in Es-groot (tekst: Pierre Jean de Béranger 1840
  • Fünf Gedichte für eine Frauenstimme mit Pianoforte-Begleitung ("Wesendonck-Lieder") (tekst: Mathilde Wesendonck) eerste versie 1857-1858, tweede versie 1857-1858, derde versie 1858:
    • nr. 1 Der Engel in G-groot
    • nr. 2 Träume in As-groot (later nr. 5)
    • nr. 3 Schmerzen in Es-groot (later nr. 4)
    • nr. 4 Stehe still! in c-klein (later nr. 2)
    • nr. 5 Im Treibhaus in d-klein (later nr. 3)
  • Es ist bestimmt in Gottes Rat, Lied voor zangstem en piano in a-klein (tekst: Ernst Freiherr von Feuchtersleben) 1858

Andere korte lied- en koorcomposities[bewerken]

  • Der Worte viele sind gemacht (Kraft-Lied), unisono Lied in F-groot 1871
  • Kinder-Katechismus versie voor kinderstemmen en piano 1873 (première 1873), versie voor kinderstemmen en orkest 1874 (première 1874)
  • Willkommen in Wahnfried, du heil'ger Christ, lied voor kinderstemmen in C-groot 1877 (première 1877)
  • Ihr Kinder, geschwinde, geschwinde, lied voor drie kinderstemmen in G-groot 1880? (première 1880)

Toneelwerk[bewerken]

  • Neues Schlussallegro zur Arie Nr. 15 (Aubry) aus Heinrich Marschners grosser romantischer Oper in zwei Akten "Der Vampyr" voor tenor en orkest 1833 (première 1833
  • Instrumentation einer Kavatine aus Vincenzo Bellinis Oper in zwei Akten "Il parata" (verloren gegaan) 1833
  • Arie "Sanfte Wehmut will sich regen" als Einlage (Max) in Carl Blums komische Oper in einem Aufzug "Mary, Max und Michel" (tekst: Karl von Holtei) voor bas en orkest in G-groot 1837 (première 1837)
  • Arie (Gebet) als Einlage in Joseph Weigls lyrische Oper in drei Aufzügen "Die Schweizerfamilie" (verloren gegaan) (tekst: NN) voor bas en orkest 1837 (première 1837?)
  • instrumentatieverbeteringen in Vincenzo Bellini's "Norma" 1837 (première 1837?)
  • transcriptie van de harppartij uit de cavatine "Robert toi que j'aime" (nr. 18C) uit Giacomo Meyerbeers "Robert le diable" voor strijkers 1838 (première 1838?)
  • herinstrumentering van het Jagerskoor (nr. 18) uit Carl Maria von Webers "Euryanthe" voor mannenkoor en 12 hoorns 1839 (première 1839
  • Arie "Norma il predise" mit Männerchor als Einlage (Orovist) in Vincenzo Bellini's Tragedia lirica in zwei Akten "Norma" (tekst: NN) voor bas, mannenkoor en orkest in G-groot 1839
  • suites voor cornet à pistons (operapotpourris) 1840?
  • arrangementen voor Gaetano Donizetti's opera in vier bedrijven "La Favorite" 1840-1841
  • arrangementen voor Fromental Halévy's opera in drie bedrijven "Le Guitarrero" 1841
  • arrangementen voor Fromental Halévy's opera in vijf bedrijven "La Reine de Chypre" 1841-1842?
  • arrangementen voor Daniel François Esprit Aubers opera in drie bedrijven "Zanetta ou Jouer avec le feu" 1842
  • Chor "Descendons gaiment la courtille" als Einlage in Marion Dumersans und Dupeutys Vaudeville-Ballett-Pantomime in zwei Bildern "La descente de la courtille" (tekst: Dumersan?) voor gemengd koor en orkest 1841? (première 1841)
  • instrumentatieaanvulligen in Gaspare Spontini's tragédie lyrique in drie bedrijven "La Vestale" 1844 (première 1844)
  • bewerking van Christoph Willibald Glucks tragédie lyrique in drie bedrijven "Iphigénie en Aulide" voor soli en orkest 1846-1847 (première 1847
  • bewerking van Wolfgang Amadeus Mozarts dramma giocoso in twee bedrijven "Don Giovanni" 1850 (première 1850)

Andere werken[bewerken]

Studiewerken[bewerken]

  • vierstemmige vocale fuga "Dein ist das Reich" 1831-1832
  • vierstemmige dubbelfuga in C-groot 1831-1832
  • contrapuntoefeningen?

Losse thema's en melodieën[bewerken]

  • thema in As-groot (vaak ten onrechte "Porazzi-Thema" genoemd) 1858
  • enkele thema's voor symfonieën (waaronder het "Porazzi-Thema") tussen 1874 en 1883

Geschriften[bewerken]

Richard Wagners geschriften werden deels reeds tijdens zijn leven verzameld en uitgegeven. Na zijn dood werd de uitgave voortgezet.

  • Richard Wagner: Gesammelte Schriften und Dichtungen (deel I tot X) (Leipzig, 1871-'73, 1883); deze eerste uitgave werd door Wagner zelf gesuperviseerd
  • vanaf de vijfde uitgave (1911): Richard Wagner: Sämtliche Schriften und Dichtungen (met toevoeging van deel XI en XII)
  • vanaf de zesde uitgave (1914): idem (met toevoeging van deel XIII tot XVI)

Inhoud van de verschillende delen (telkens chronologisch):

Deel I:

  • "Das Liebesverbot": Bericht über eine erste Opernaufführung (1836)
  • Über deutsches Musikwesen (1840)
  • Der Virtuos und der Künstler (1840)
  • Über die Ouvertüre (1840)
  • Eine Pilgerfahrt zu Beethoven (novelle, 1840)
  • "Der Freischütz": an das Pariser Publikum (1841)
  • "Le Freischütz" in Paris: Bericht nach Deutschland (1841)
  • Rossini's "Stabat mater" (1841)
  • Der Künstler und die Öffentlichkeit (1841)
  • Ein Ende in Paris (novelle, 1841)
  • Ein glücklicher Abend (novelle, 1841)
  • Bericht über eine neue Oper (1842)
  • Autobiographische Skizze (1842)
  • Vorwort zur Gesamtausgabe (1871)

Deel II:

  • Bericht über die Heimbringung der sterblichen Überreste Karl Maria von Weber's aus London nach Dresden (1844)
  • Trinkspruch am Gedenktage des 300jährigen Bestehens der königlichen musikalischen Kapelle in Dresden (1848)
  • Die Wibelungen: Weltgeschichte aus der Sage (1848, herzien 1849)
  • Der Nibelungen-Mythos als Entwurf zu einem Drama (1848)
  • Entwurf zur Organisation eines deutschen National-Theaters für das Königreich Sachsen (1849)

Deel III:

  • Die Kunst und die Revolution (1849)
  • Das Kunstwerk der Zukunft (1849)
  • Kunst und Klima (1850)
  • Wieland, der Schmied (proza-ontwerp van een opera, 1850)
  • Oper und Drama (1851)

Deel IV:

  • Eine Mitteilung an meine Freunde (1851)
  • Oper und Drama (herzien 1868)

Deel V:

  • Das Judenthum in der Musik (1850, herzien 1869)
  • Ein Theater in Zürich (1851)
  • Über die 'Goethe-Stiftung': Brief an Franz Liszt (1851)
  • Erinnerungen an Spontini (1851)
  • Über musikalische Kritik: Brief an den Herausgeber der "Neuen Zeitschrift für Musik" (1852)
  • Über die Aufführung des "Tannhäuser": eine Mitteilung an die Dirigenten und Darsteller dieser Oper (1852)
  • Bemerkungen zur Aufführung der Oper "Der fliegende Holländer" (1852)
  • Beethovens "Heroische Symphonie" (1852)
  • Ouvertüre zu "Koriolan" (1852)
  • Vorspiel zu "Lohengrin" (1853)
  • Ouvertüre zum "fliegenden Holländer" (1853)
  • Gluck's Ouvertüre zu "Iphigénie in Aulis" (1854)
  • Über Franz Liszts Symphonische Dichtungen: Brief an M. W." (1857)
  • "Tristan und Isolde": Vorspiel (1859)
  • Nachruf an L. Spohr und Chordirektor W. Fischer: brieflich an einen älteren Freund in Dresden (1860)

Deel VI:

  • Vorwort zur Herausgabe der Dichtung des Bühnenfestspieles "Der Ring des Nibelungen" (1862)
  • Epilogischer Bericht über die Umstände und Schicksale, welche die Ausführung des Bühnenfestspieles "Der Ring des Nibelungen" bis zur Veröffentlichung der Dichtung desselben begleiteten (1871)

Deel VII:

  • Ein Brief an Hector Berlioz (1860)
  • 'Zufkunftsmusik': an einem französischen Freund als Vorwort zu einer Prosa-Übersetzung meiner Operndichtungen (1860)
  • Bericht über die Aufführung des "Tannhäuser" in Paris (1861)
  • Das Wiener Hofoperntheater (1863)

Deel VIII:

  • Über Staat und Religion (1864)
  • Bericht an Seine Majestät den König Ludwig II. von Bayern über eine in München zu errichtende deutsche Musikschule (1865)
  • Censuren I: "W. H. Riehl: Neues Novellenbuch" (1867)
  • Censuren II: "F. Hiller: Aus dem Tonleben unserer Zeit" (1867)
  • Deutsche Kunst und deutsche Politik (1867)
  • Meine Erinnerungen an Ludwig Schnorr von Carolsfeld (1868)
  • Censuren III: Eine Erinnerung an Rossini (1868)
  • Über das Dirigieren (1869)
  • Censuren IV: "E. Devriendt: Meine Erinnerungen an Felix Mendelssohn-Bartholdy" (1869)
  • Censuren V: Aufklärungen über "Das Judenthum in der Musik": an Frau Marie Muchanoff, geb. Gräfin Nesselrode (1869)
  • Censuren: Vorbericht (1872)

Deel IX:

  • Beethoven (1870)
  • Eine Kapitulation: Lustspiel in antiker Manier (gedicht, 1870)
  • Über die Bestimmung der Oper (1871)
  • Erinnerungen an Auber (1871)
  • Brief an einen Italiënischen Freund über die Aufführung des "Lohengrin" in Bologna (1871)
  • An Friedrich Nietzsche (1872)
  • Über Schauspieler und Sänger (1872)
  • Schreiben an den Bürgermeister von Bologna (1872)
  • Brief über das Schauspielerwesen an einen Schauspieler (1872)
  • Ein Einblick in das heutige deutsche Opernwesen (1872)
  • Über die Benennung 'Musikdrama' (1872)
  • Einleitung zu einer Vorlesung der "Götterdämmerung" vor einem auserwählten Zuhörerkreise in Berlin (1873)
  • Zum Vortrag der neunten Symphonie Beethovens (1873)
  • Schlussbericht über die Umstände und Schicksale, welche die Ausführung des Bühnenfestspieles "Der Ring des Nibelungen" bis zur Gründung von Wagner-Vereine begleiteten (1873)
  • Das Bühnenfestspielhaus zu Bayreuth: nebst einem Bericht über die Grundsteinlegung desselben (1873)

Deel X:

  • Was ist deutsch ? (1865-'78)
  • Über eine Opernaufführung in Leipzig: Brief an den Herausgeber des "Musikalischen Wochenblattes" (1874)
  • An die geehrten Vorstände der Richard Wagnervereine (1877)
  • Entwurf, veröffentlicht mit den Statuten des Patronatvereines (1877)
  • Zur Einführung (1878)
  • Modern (1878)
  • Publikum und Popularität (1878)
  • Das Publikum in Zeit und Raum (1878)
  • Ein Rückblick aus die Bühnenfestspiele des Jahres 1876 (1878)
  • Ein Wort zur Einführung der Arbeit Hans von Wolzogens "Über Verrottung und Errettung der deutschen Sprach" (1879)
  • Erklärung an die Mitglieder des Patronatvereines (1879)
  • Zur Einführung in das Jahr 1880 (1879)
  • Wollen wir hoffen ? (1879)
  • Über das Dichten und Komponieren (1879)
  • Über das Opern-Dichten und Komponieren in Besonderen (1879)
  • Über die Anwendung der Musik auf das Drama (1879)
  • Offenes Schreiben an Herrn Ernst von Weber, Verfasser der Schrift "Die Folterkammern der Wissenschaft" (1879)
  • Religion und Kunst (1880)
  • Zur Mitteilung an die geehrten Patrone der Bühnenfestspiele in Bayreuth (1880)
  • Zur Einführung der Arbeit des Grafen Gobineau "Ein Urteil über die jetzige Weltlage" (1881)
  • Ausführungen zu "Religion und Kunst": 'Erkenne dich selbst' ; Heldentum und Christentum (1881)
  • Brief an H. v. Wolzogen (1882)
  • Offenes Schreiben an Herrn Friedrich Schön in Worms (1882)
  • Das Bühnenweihfestspiel in Bayreuth 1882 (1882)
  • Bericht über die Wiederaufführung eines Jugendwerkes: an den Herausgeber des "Musikalischen Wochenblattes" (1882)
  • Brief an H. v. Stein (1883)

Deel XI:

  • Die hohe Braut (proza-ontwerp voor een opera, 1836 en 1842)
  • Männerlist grösser als Frauenlist, oder Die glückliche Bärenfamilie (gedicht voor een komische opera, 1837)
  • Die Sarazenin (proza-ontwerp voor een opera, 1841-'43)
  • Die Bergwerke zu Falun (proza-ontwerp voor een opera, 1841-'42)
  • Friedrich I. (proza-ontwerp voor een toneelstuk, 1846-'48)
  • Jesus von Nazareth (proza-ontwerp voor een toneelstuk, 1849)
  • Die Sieger (prozaschets, 1856)

Deel XII:

  • Die deutsche Oper (1834)
  • Pasticcio (1834)
  • Aus Magdeburg (1836)
  • Der dramatische Gesang (1837)
  • Bellini (1837)
  • Über Meyerbeers "Hugenotten" (1837 ?)
  • "Stabat mater" de Pergolèse par Lvoff (1840)
  • Pariser Amüsements (1841)
  • Pariser Fatalitäten für Deutsche (1841)
  • [9] Pariser Berichte für die "Dresdner Abendzeitung" (1841)
  • Halévy und die französische Oper (1842)
  • "La reine de Chypre" d'Halévy (1842)
  • Das Oratorium "Paulus" von Mendelssohn Bartholdy (1843)
  • Die Königliche Kapelle betreffend (1846)
  • Zu Beethoven's Neunter Symphonie (1846)
  • Künstler und Kritiker, mit Bezug auf einem besonderen Fall (1846)
  • Wie verhalten sich republikanische Bestrebungen dem Königthume gegenüber ? (1848)
  • Deutschland und seine Fürsten (1848)
  • Über Eduard Devriendt's "Geschichte der deutschen Schauspielkunst" (1849)
  • Theater-Reform (1849)
  • Nochmals Theater-Reform (1849)
  • Der Mensch und die bestehende Gesellschaft (1849)
  • Die Revolution (1849)
  • Achilleus (toneestuk, 1849-'50, fragment)
  • schetsen en ontwerpen voor prozageschriften (1849-'58)
  • Beethoven's cis moll-Quartett (1854)
  • Zur Erwiderung des Aufsatzes "Richard Wagner und die öffentliche Meinung" (1865)
  • Das Münchener Hoftheater: zur Berichtigung (1869)
  • Persönliches: warum ich den zahllosen Angriffen auf mich und meine Kunstansichten nicht erwidere (1869)
  • Die Meistersinger von Nürnberg: Vorspiel zum 3. Akt (1869)
  • An die Patrone der Bühnenfestspiele in Bayreuth (1873)
  • An die geehrten Patrone der Bühnenfestspiele von 1876 (1876)
  • Ansprache an die Abgesandten des Bayreuther Patronats (1877)
  • Ankündigung der Aufführung des "Parsifal" (1877)
  • Parsifal: Vorspiel (1882)
  • Über das Weibliche im Menschlichen (1883, onvoltooid)

Deel XIII:

  • Mein Leben (deel I en II) (1865-'71, privé-uitgave samen met deel III 1870-'75)(*)

Deel XIV:

  • Mein Leben (deel III) (1875, privé-uitgave samen met deel I en II 1870-'75) (*)

Deel XV:

  • "Tannhäuser", I: Einzug der Gäste auf Wartburg ; II: Tannhäusers Romfahrt (1853)
  • Mein Leben (deel IV) (1879-'80, privé-uitgave 1881) (*)

(*) De ingekorte autobiografie Mein Leben (alle delen) werd uitgegeven in München in 1911. De gecensureerde stukken eruit werden in 1929-1930 uitgegeven. De volledige versie verscheen in 1963. Deel XVI:

  • Leubald (gedicht, 1828, fragment)
  • "Lohengrin", I: Männerszene und Brautzug ; II: Hochzeitmusik und Brautlied (1853)
  • "Die Walküre", I: Siegmunds Liebesgesang ; II: Der Ritt der Walküren ; III: Wotans Abschied und Feuerzauber (1864)
  • "Götterdämmerung", I: Vorspiel ; II: Hagens Wacht ; III: Siegfrieds Tod ; IV: Schluss des letzten Aktes (1875)
  • gedichten, aforismen, fragmenten (1840-'42) in de delen VIII, IX, XII en XVI
  • schetsen, libretti, ontwerpen en teksten voor opera's en Musikdramen (1832-'77) in de delen I, II, V, VII, X en XI

Niet opgenomen in de gezamenlijke uitgave:

  • Über die Aufführung des Bühnenfestspieles "Der Ring des Nibelungen" (1871)
  • Luthers Hochzeit (toneelstuk, 1868, fragment)
  • vele artikelen die oorspronkelijk verschenen in "Neue Zeitschrift für Musik" (1834, 1841-'42, 1850-'61, 1868-'70), in "Gazette musicale" (1840-'42), in "Dresdner Abendzeitung" (1841-'42), in "Musikalisches Wochenblatt" (1870-'75, 1883) en in "Bayreuther Blätter" (1878-'82).

Citaten[bewerken]

  • Gioacchino Rossini: Wagner heeft mooie momenten, maar vervelende kwartiertjes.
  • Mark Twain: Wagner's music is better than it sounds.
  • Friedrich Nietzsche: Den hab ich mal sehr geliebt.
  • Pjotr Iljitsj Tsjaikovski: Na de laatste tonen van de Götterdämmerung voelde ik me alsof ik was vrijgelaten uit een gevangenis. Kan zijn dat de Nibelungen een magnifiek werk is, maar het is zeker dat er nog nooit een werk zo eindeloos en langdradig uitgesponnen is.[4]

Media[bewerken]

Externe links[bewerken]

Noot
  1. Jacob Katz Richard Wagner - Vorbote des Antisemitismus, uitg. Jüdischer Verlag Athenäum Königstein/Ts. (1985) ISBN 3-7610-8374-2
  2. In een brief aan zijn zus, februari 1882
  3. Friedrich Nietzsche, Der Fall Wagner, p. 3., Leipzich 1888
  4. In een brief aan zijn broer Modeste Tsjaikovski, augustus 1876. Zie Modeste Tsjaikovsky, The Life and Letters of Peter Ilich Tchaikovsky, p. 184, John Lane, Londen 1906