Béla Bartók
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Béla Viktor János Bartók (Nagyszentmiklós, 25 maart 1881 - New York, 26 september 1945) was een Hongaars componist en pianist. Bartók wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste componisten van de twintigste eeuw. Bartók kreeg ook bekendheid door zijn uiterst nauwgezette transcripties van de Oost-Europese Volksmuziek in samenwerking met Zoltán Kodály en was daarmee een van de grondleggers van de etnomusicologie.
Inhoud |
[bewerk] Biografie
Bartók Béla werd geboren in Nagyszentmiklós, het huidige Sânnicolau Mare, in Roemenië. Al op jonge leeftijd gaf hij er blijk van een muzikaal talent te zijn. Op zijn negende schreef hij zijn eerste – kleine – composities voor piano, meest korte dansen. Zijn moeder stimuleerde zijn muzikale ontwikkeling en was zelfs bereid om te verhuizen, om ervoor te zorgen dat haar zoon les kon krijgen van de beste muziekleraren.
Bartók studeerde piano aan het conservatorium van Presburg (thans: Bratislava) en leerde zichzelf componeren door partituren te lezen. Later studeerde hij aan de Lisztacademie in Boedapest. Nadat hij daar was afgestudeerd, werd Bartók concertpianist en – in 1907 – docent piano aan de eerder genoemde muziekacademie. In zijn vroege werken staat hij sterk onder invloed van werken van Hector Berlioz, Franz Liszt en Richard Strauss, componisten die hij zeer bewonderde.
In 1917 had Bartók, na aanvankelijke tegenslagen, zijn eerste succes met de uitvoering van zijn ballet De houten prins. Het stuk was aanvankelijk geweigerd door de vaste Hongaarse dirigenten van de Opera van Boedapest, maar een Italiaanse gastdirigent, Egisto Tango, durfde het aan. Tijdens de repetities was er bij de uitvoerenden veel weerstand tegen de muziek: zij vonden het 'onspeelbaar', maar de uitvoering werd een groot succes. Een jaar later had hij een soortgelijk succes met de opera Hertog Blauwbaards burcht. Daarna kreeg hij ook al snel internationale bekendheid en maakte vele concertreizen door Europa en Amerika.
Het Duitse Rijk beschouwde Bartóks muziek als "entartet" (ontaard) en verbood uitvoeringen van zijn werken. De politieke ontwikkelingen in Europa in de jaren '30 brachten Bartók er uiteindelijk toe in 1940 te emigreren naar Amerika. Daar heeft hij echter nooit echt kunnen aarden. In de Verenigde Staten werd Bartóks muziek niet gewaardeerd en aan en de transfer van royalty's vanuit Europa kwam een einde, zodat de componist grote moeite had om in het levensonderhoud te voorzien. Voor de Columbia University transcribeerde Bartók vanaf maart 1941 enige tijd Servo-Kroatische volksliederen. Niettemin schreef Bartók in de Verenigde Staten één van zijn populairste werken, het Concert voor orkest. In opdracht van Yehudi Menuhin schreef hij een Sonate voor soloviool (1944). Bartók stierf in september 1945 aan leukemie. De auteursrechtenorganisatie ASCAP betaalde de ziekenhuiskosten en de uitvaartplechtigheid. Zijn laatste werk, het Altvioolconcert (1945), heeft hij niet meer kunnen voltooien. Van dit werk zijn alleen de volledige partij voor de altviool en enkele aanwijzingen voor de instrumentatie gereed gekomen. Het wordt nu meestal uitgevoerd zoals Bartóks leerling Tibor Serly het heeft "ingevuld" volgens zijn aantekeningen. Van het Derde pianoconcert voltooide Serly de orkestratie van de laatste 17 maten. Bartóks muziek werd tijdens het leven van de componist slechts in kleine kring gewaardeerd. Het publiek beschouwde zijn muziek, als het die al te horen kreeg, als atonaal, dissonant en zonder duidelijke melodieën. Vrijwel direct na de dood van Bartók ontstond echter, gestimuleerd door het succes van het Concert voor Orkest en de promotie van Bartóks vioolwerken door Yehudi Menuhin, een grote belangstelling voor zijn werken. Bartók werd in korte tijd een wereldberoemd componist. Het Derde Pianoconcert (1945), de Muziek voor Snaarinstrumenten, Slagwerk en Celesta (1937), het Divertimento voor strijkorkest (1939), het Tweede Vioolconcert (1939), de ballet-pantomime De wonderbaarlijke mandarijn (1918/1919) en de zes strijkkwartetten zijn thans klassiek en worden veelvuldig uitgevoerd.
In 1988 werd het stoffelijk overschot van Bartók overgebracht naar Hongarije en bijgezet op het Farkasreti-kerkhof te Boedapest.
[bewerk] Muziek
[bewerk] Algemene kenmerken
In veel van Bartóks muziek is zijn affiniteit met de volksmuziek van de Pannonische vlakte terug te vinden, zowel in de melodieën als – in grotere mate – in de ritmiek. Maar de grootste invloed gold de harmonie. Zo leidde het gebrek aan gebruikelijke drieklanken in de pentatonische toonladders in de oude Hongaarse volksmuziek tot harmonisatie op basis van kwarten en tot beoordeling van de kleine septiem als consonant en leidden melodieën op basis van modale toonsoorten tot de verrrijking van de gebruikelijke toonladders van zeven tonen met meer noten tot Bartóks eigen weg naar de twaalftoonstoonladder, namelijk op basis van de nevenschikking van alle noten in de majeure, de frygische en de lydische toonladders.
Andere niet zo zeer definiërende als wel typerende kenmerken van Bartóks muziek zijn de volgende.
- In het algemeen zijn Bartóks stukken kort en geconcentreerd. Hij vond het onnodig letterlijke herhaling te componeren. Zeer weinig composities of delen van composities zijn langer dan acht minuten.
- Veel stukken zijn gebaseerd op één klein thema. De gehele compositie bestaat uit een organische ontwikkeling en verwerking hiervan. Bartók noemde deze techniek thematische uitbreiding van het bereik en zag dit als een uitbreiding op de fugatische technieken als inversie en vergroting.
- De meeste composities ontberen uitgebreide coda´s. Net als in veel volksmuziek eindigen veel composities met een laatste presentatie van het hoofdthema en dat is het dan. Een door zijn onbenulligheid humoristisch einde kent het laatste deel van de Sonate voor twee piano's en slagwerk. De thema´s en instrumenten lijken om de beurt geen puf meer te hebben en stoppen er gewoon mee. Wanneer ook de trommels het allemaal wel best vinden, is het stuk ten einde.
- Composities bestaan vaak uit meerdere lijnen die sterk kunnen verschillen in timbre, tonaliteit en ritme. Het lijkt soms alsof de verschillende instrumenten of stemmen een onafhankelijke weg gaan. De kern van de zeggingskracht van zo´n compositie bestaat echter juist uit de muzikale effecten van de samenklank van de vele per stuk vaak vrij eenvoudige ritmische of melodische lijnen. Deze praktijk leidde tot polyritmiek en polytonaliteit. Zoals de bladmuziek echter uitwijst is één lijn het belangrijkst en is bepalend voor maat- en toonsoort.
[bewerk] Jeugd: laat-romantisch stijl (1890-1902)
De werken van zijn jeugd zijn in een laat-romantische stijl gecomponeerd. Tussen 1890 en 1894 (van zijn negende tot zijn detiende levensjaar) schreef hij 31 stukken met overeenkomstige opusnummer. Hij begon zijn werken opnieuw te nummeren met opus 1 in 1894 met zijn eerste grotere werk, een pianosonate. Tot 1902 schreef Bartók in totaal 74 werken in een laat-Romantische stijl. De meeste hiervan zijn geschreven voor solo piano of bevatten de piano ten minste als instrument voor de begeleiding. Daarnaast zijn er enkele kamermuziekcomposities voor snaarinstrumenten. Vergeleken bij zijn latere stukken, zijn deze werken van weinig belang.
[bewerk] Nieuwe invloeden (1903-1911)
Onder invloed van Strauss (onder andere van diens Also sprach Zarathustra), componeerde Bartók in 1903 Kossuth, een symfonisch gedicht in tien tableaus. In 1904 volgde zijn Rapsodie voor piano en orkest dat hij wederom met opus 1 nummerde. Hij gaf hiermee weer dat dit het begin was van een nieuwe episode in zijn werk. Een belangrijkere gebeurtenis van dit jaar was dat hij toevallig het achttien-jarige kindermeisje Lidi Dósa uit Transsylvanië volkswijsjes hoorde zingen. Dit was het begin van zijn levenslange toewijding aan de etnomusicologie. In Bartóks zienswijze kan een componist op drie wijzen volksmuziek in zijn composities verwerken. De eerste optie is om een oorsponkelijke volksmelodie onveranderd te laten en op muziek te zetten, waarbij de componist harmonisatie en begeleiding toevoegt. Hij vergeleek dit werk met het zetten van een edelsteen; een edelsteen is immers ook niet door de juwelier zelf gemaakt. Als hij bekritiseerd werd omdat hij hierbij geen eigen melodieën componeerde, wees Bartók erop dat Molière en Shakespeare hun toneelstukken ook op bekende verhalen baseerden. De tweede optie voor een componist is om in de stijl van volksmuziek te componeren en alles zelf te componeren, inclusief de melodieën. De derde en laatste optie os om traditionele klassieke muziek te componeren, waarvoor elementen van volksmuziek een gesublimeerde inspiratiebron zijn, bijvoorbeeld het ritme of het gebruik van modale toonsoorten.
Bartók leerde Debussys musiek in 1907 kennen en bewonderde zijn muziek zeer. Hij is beïnvloed door Debussy zoals men kan horen in de Veertien Bagatelles (1908) waarover de pianist Wilhelm Backhaus riep ‘Eindelijk iets echt nieuws!’ Tot 1911 componeerde Bartók zeer verschillende werken variërend van de romantische stijl tot aan bewerkingen van volksmuziek en zijn moderniste opera Hertog Blauwbaards burcht. De negatieve receptie van zijn werk leidde ertoe dat hij zich toelegde op pianoles en etnomusicologisch onderzoek na 1911. Op bewerkingen van volksmuziek na stopte hij met componeren.
[bewerk] Nieuwe inspiratie en experimenteren (1916-1921)
Bartóks negatieve houding ten opzichte van componeren verdween dankzij het stormachtige en inspirerende contact met Klára Gombossy in de zomer van 1915. Hij startte weer met componeren waaronder de Suite voor piano opus 14 (1916) en De Miraculeuze Mandarijn (1918) en hij maakte De Houten Prins af (1917).
Bartók ervoer het resultaat van de eerste wereldoorlog als een persoonlijke tragedie. Veel gebieden waar hij sterk aan hechtte werden Hongarije ontnomen: Transylvanië, de Banaat waar hij was geboren en Pozsony waar zijn moeder leefde en tot haar dood in 1939 zou blijven. Voorts maakte de vijandige houding van de opvolgstaten van de Donaumonarchie het hem moeilijk om etnomusicologisch onderzoek te doen. Op zichzelf teruggeworpen experimenteerde hij met steeds verdergaande compositionele technieken. Zijn composities bevatten geen duidelijke melodieën en neigen naar atonaliteit. De muziek van Bartók is echter nooit atonaal. De componist beschouwde atonaliteit als wezensvreemd aan volksmuziek. In een aantal werken wordt echter atonaliteit dicht benaderd, zoals in het Derde strijkkwartet (1927) en de Eerste en Tweede Vioolsonate (1921). Met de vermeldenswaardige Acht Improvisaties op Hongaarse Boeren Liederen (1920), de Tweede Sonata voor Viool en Piano (1922) en de zonnige Danssuite (1923, het jaar van zijn tweede huwelijk), hebben we al Bartóks werken tussen 1919 en 1925 al opgesomd.
[bewerk] Rijpe periode (1926-1945)
In 1926 had Bartók een groot stuk voor piano en orkest nodig dat hij op tournee in Europa en Amerika kon spelen. Als opwarmer voor zijn eerste pianoconcert schreef hij zijn pianosonate, In de Open Lucht en Negen Kleine stukken, alle voor solo piano. In al deze stukken, inclusief het eerste pianoconcert, is de piano voor Bartók een slaginstrument. Deze benadering vond zijn culminatie in de Sonate voor twee piano's en slagwerk. Later zei Bartók dat rond dit ‘pianojaar’ zijn composities van een Beethovenachtige naar een Bachachtige esthetiek verschoven. Hij begon het idioom van zijn rijpe fase te vinden. In de werken vanaf ongeveer 1934 wordt een volledige fusie van Europese kunstmuziek en volksmuziek van de Pannonische vlakte gerealiseerd. De composities worden vanaf medio jaren dertig melodischer, minder dissonant en minder ritmisch complex. Bartóks volwassen stijl is moeilijk te definiëren laat staan onder één noemer te scharen. Het wordt, net als Stravinskys muziek, getypeerd door een synthese van vele invloeden: Bach en nog oudere muziek, classicisme, volksmusiek, muziek als geluid (een invloed van modernisten als Debussy) en zelfs de romantiek. In Bartóks volwassen periode schreef hij relatief weinig werken maar de meeste zijn grootschalige composities voor grote bezetting. Zijn late werken zijn vaak in klassieke vormen en slechts de vocale werken hebben programmatische titels.
[bewerk] Meesterwerken
Van bijzonder belang zijn de zes strijkkwartetten, die tot de muzikale hoogtepunten van de twintigste eeuw worden gerekend en de ontwikkeling van de componist weerspiegelen. Het Eerste kwartet is nog tamelijk traditioneel. In het Tweede strijkkwartet is reeds invloed van de volksmuziek hoorbaar. Het Derde kwartet (1927) en Vierde kwartet (1929) zijn de hoogtepunten in de reeks. In deze kwartetten worden dissonanten toegepast, exotische ritmen, ontleend aan de Balkanmuziek, en nieuwe speeltechnieken, zoals het glissando voor alle instrumenten, het gebruik van kwarttonen en het bekende Bartók-pizzicato. Van de zes strijkkwartetten zijn vele CD-opnamen gemaakt. De bekendste en breed gewaardeerde is die van het Emerson Kwartet.
Voor wat betreft Bartóks rijpe periode zijn enkele Meesterwerken de Cantata Profana (1930, Bartóks favoriete eigen werk), Muziek voor Strijkers, Slagwerk en Celesta (1936), het Concert voor Orkest (1943) en het derde Pianoconcert (1945).
[bewerk] Zie ook
[bewerk] Besproken composities
De composities die besproken zijn vindt u in categorie:compositie van Bartók.

