Jan Pieterszoon Sweelinck

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Jan Pieterszoon Sweelinck

Jan Pieterszoon Sweelinck (Deventer, [??] mei 1562 - Amsterdam, 16 oktober 1621) was een Nederlands componist, organist, klavecinist, muziekpedagoog, muziekorganisator en ensembleleider. Hij geldt als de belangrijkste Nederlandse componist van de vroeg-moderne geschiedenis.

Inhoud

[bewerken] Leven

Jan Pieterszoon Sweelinck was de oudste van drie kinderen van Pieter Sywertszoon of Swibbertszoon en Elsgen Sweling, dochter van de Deventer stadschirurgijn Johan Zwelick. De kinderen kregen de naam van hun moeder als achternaam vooral vanwege de vooraanstaande positie van deze familie in Hanzestad Deventer. Vader Pieter was zoon van Swibbert van Keyzersweerd, die in de vroege 16de eeuw vanuit (het toen nog Nederlands-sprekende) Nederrijnland naar Deventer verhuisde, aldaar organist van de Grote of Sint Lebuïnuskerk werd en bij een vriendin zeven kinderen verwerkte waaronder zijn latere opvolger als organist van de Deventer stadskerk, Pieter. Pieter verhuisde in 1564 met zijn familie naar Amsterdam waar hij organist werd van de zeer belangrijke Oude of Sint Nicolaaskerk.

In 1590 trouwde Jan Pieterszoon Sweelinck met Claesgen Puyner (?? - 2 januari 1637) uit Medemblik. Zij kregen zes kinderen: Dirk (1591-1652), Pieter (1593 - 1670), Dyeuwer (1596-1597), Ysbrandt (ca. 1600 - 1662), Jan (circa 1602 - 1662), en Elsge (1602-1664).

Sweelinck leerde het orgelspel van zijn vader Pieter die tot aan zijn dood in 1573 organist was aan de parochiekerk St. Nicolaas te Amsterdam. Pieter Swibbertszoon werd opgevolgd door Cornelis Boskoop, maar op 15-jarige leeftijd werd Jan Pieterszoon van stadswege aangesteld als organist van de kerk. In ieder geval was hij er vanaf 1580 'voor vast' aan verbonden. Zijn oudste zoon, Dirk volgde hem na zijn dood in deze functie op.

Na de dood van zijn vader heeft Sweelinck vermoedelijk les gehad van Jan Willemszoon Lossy (ca. 1545-1629), stadsspeelman van Haarlem. Mogelijk ook van de organisten van de Grote of Sint Bavokerk Claas Albrechtszoon van Wieringen en Floris van Adrichem die beiden dagelijks speelden op het toenmalige grote orgel van de kerk.

Het is vooralsnog een raadsel bij wie Sweelinck zijn enorme vaardigheid in het componeren van ensemblemuziek heeft ontwikkeld. Het hoge niveau van deze composities - waaronder meerstemmige toonszettingen van het gehele Geneefse psalter en van rooms-katholieke liturgische teksten en gezangen - kan niet terug te voeren zijn op uitsluitend zelfstudie.

In dit verband kan grote waarde worden gehecht aan de mededeling van de 18e-eeuwse Duitse musicograaf Johann Mattheson dat Sweelinck in Venetië bij Gioseffo Zarlino gestudeerd heeft. Tegenwoordig zijn er onderzoekers die menen dat dit op een misverstand berust. Wel was Sweelinck in elk geval zeer goed bekend met de leerboeken over muziek van Zarlino. Sweelinck's tractaat met compositieregels, dat door verschillende Duitse leerlingen werd afgeschreven en waarop zij en later hun leerlingen voortborduurden, blijkt gebaseerd op de derde druk van Zarlino's beroemde en wijd en zijd in Europa verspreide muziek- en compositieleer 'Istitutioni harmoniche'.

Dat hij op zeer jonge leeftijd (tussen zijn 11de en 15de levensjaar) voor studiedoleinden toch in Venetië kan zijn geweest staat namelijk niet op zichzelf. Van andere belangrijke zestiende eeuwse musici zoals Nicolaus Ammerbach en John Bull weten wij dat zij op zeer jonge leeftijd op studiereis gingen naar verre oorden; in dit geval naar respectievelijk Venetië en Spanje. Uit het beroemde Schilder-Boeck uit 1604 van Carel van Mander weten wij dat Sweelinck's broer Gerrit (kunstschilder) voor studie in Italië is geweest, zoals zo veel Noord- (en Zuid-)Nederlandse kunstschilders dat deden in die tijd. Niet valt uit te sluiten dat hij dit in gezelschap van zijn broer Jan heeft gedaan.

Sweelincks reputatie in Amsterdam was zeer groot. Hij had de bijnaam de Amsterdamse Orpheus en verkeerde o.a. onder rijke en ontwikkelde kooplieden in Amsterdam, en in de Muiderkring.

[bewerken] Werken en invloed

Sweelinck was als componist en als muziekpedagoog tot ver buiten de landsgrenzen bekend en beroemd. Reeds tijdens zijn leven verschenen vele van zijn vocale werken in druk en verspreidden zich over geheel Europa. Van alle reizen die Sweelinck gemaakt heeft, staat er slechts een naar het buitenland geregistreerd: zijn dienstreis naar Antwerpen in 1604, bekostigd door de stad Amsterdam, waar hij bij de klavecimbelbouwers Ruckers in opdracht van het Amsterdamse stadsbestuur een nieuw klavecimbel kocht. Het beschilderde deksel van dit stadsklavecimbel is bewaard gebleven.

Opmerkelijk genoeg zijn tijdens Sweelincks leven geen, meestal in Duitse handgeschreven bronnen overgeleverde, klavierwerken (orgel, klavecimbel) uitgegeven. Wel verzorgde zijn oud-leerling Samuel Scheidt de uitgave van een verzameling van driestemmige fantasieën, daarvan is tot nog toe geen enkel exemplaar in een bibliotheek aangetroffen.

Sweelinck moet niet alleen voortreffelijk musicus zijn geweest: over zijn talenten als briljant improvisator aan het klavecimbel en op orgel werd bij zijn leven reeds hoog opgegeven. Maar ook ging een sterke roep van hem uit als muziekpedagoog. Vooral uit noordelijk Duitsland stroomden leerlingen naar Amsterdam toe om bij Sweelinck het orgelspel en compositie te leren. Dit gebeurde vooral in de periode van het Twaalfjarige Bestand (1609-1621) tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Hierdoor oefende hij grote invloed uit op de ontwikkeling van de orgelmuziek in noordelijk Duitsland. Zijn invloed zou zelfs reiken tot aan de jonge Johann Sebastian Bach die in de orgelmeesters Johann Adam Reincken uit Hamburg en in Dieterich Buxtehude uit Lübeck - die zelf leerlingen waren geweest van Sweelincks oud-leerling Heinrich Scheidemann - inspirerende voorbeeldfiguren vond.

Samuel Scheidt
Paduana van Melchior Schildt

Leerlingen van Sweelinck waren onder andere: Sweelinck's zoon en later opvolger aan de Oude Kerk in Amsterdam Dirck Janszoon Sweelinck, de Deventer organist Lucas van Lenninck (was de eerste leraar van de eveneens in Deventer geboren Johann Adam Reincken), de blinde Utrechtse Domorganist Gerrit Wijerszoon en de eveneens blinde organist Pieter de Vooys uit Den Haag. Andere Nederlandse Sweelinck-leerlingen: Barend Andriessen uit Zwolle en Jan Pieterszoon Rijnsburg, organist van de Sint Peterskerk in Leiden. Uit Duitsland: onder andere Jacob Praetorius II, Paul Siefert, Heinrich Scheidemann, Samuel en Gottfried Scheidt en Melchior Schildt. Doordat op zeker moment alle organistenplaatsen van de grote stadskerken van Hamburg bezet werden door oud-leerlingen van Sweelinck, kreeg de Amsterdamse musicus in Noordduitsland de erenaam Hamburgs organistenmaker.

Het is aan deze groep hoogbegaafde jonge Duitse musici te danken dat een belangrijk deel van Sweelinck's klaviercomposities bewaard bleef: door middel van handgeschreven kopieën die zij van compositie-originelen van hun leraar zelf, respectievelijk van afschriften daarvan uit diens leerlingenkring vervaardigden. In Nederland zelf is vrijwel geen handschrift met klaviercomposities van Sweelinck (als autograaf of in kopie) bewaard gebleven.

Van Sweelinck zijn meer dan 70 composities voor 'klavier' (orgel, klavecimbel) overgeleverd. De belangrijkste hiervan zijn:

  • 13 Koraalvariaties, over melodieën uit het Geneefse Psalter, uit de Luthers-protestantse kerkliedtraditie en uit het Gregoriaans. (waaronder "Puer nobis nascitur", "Onse Vader in Hemelrijck", "Erbarm dich mein, o Herre Gott", "Allein Gott in der Hoh' sei Ehr", "Nun freut euch, lieben Christen gmein", "Christe qui est lux et dies", "Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ").
  • 14 Monothematische fantasieën, waaronder de beroemde chromatische fantasie.
  • 6 Echofantasieën.
  • 15 Toccata's
  • 8 Variatiereeksen over wereldlijke liederen (waaronder "Unter der Linden grune", "Est-ce Mars?", "Ick voer al over Rhijn", "Mein junges Leben hat ein End")
  • Ballo del granduca (variatiereeks)
  • Engelsche fortuyn (variatiereeks)
  • More palatino (variatiereeks)

In deze werken verbond Sweelinck variatiekunst en de virtuoze stijl van de Engelse virginalisten met de Spaanse orgelstijl en met die van Italiaanse meesters zoals Claudio Merulo. Hierdoor ontwikkelde Sweelinck een geheel eigen stijl. De fantasieën vertonen al veel kenmerken van de klassieke fuga en kunnen als voorlopers ervan worden beschouwd.

Het gebruik van echo's in de muziek was rond 1600 vrij populair in de klassieke muziek. Ook Sweelinck heeft aan dit genre bijdragen geleverd. In de Oude Kerk beschikte Sweelinck over een orgel uit 1539 met drie manualen en pedaal dat volop mogelijkheden bood deze effekten te realiseren. Sweelinck is de eerste componist waarvan bekend is dat hij de mogelijkheden, die veel orgels al sinds het einde van de 15e-eeuw boden, op deze wijze benutte.

Als organist van de Oude Kerk was Sweelinck in dienst - als 'stadtmusicyn' - van het gemeentebestuur van Amsterdam. Dit betekende dat hij alleen voor en na kerkdiensten het orgel van de Oude Kerk diende te bespelen, maar niet tijdens. De protestantse samenzang -gebaseerd op het 'Geneefse Psalter' in een Nederlandse vertaling- weerklonk in zijn tijd zonder orgelbegeleiding. Een voorzanger met krachtige stem leidde de meestal massale samenzang tijdens kerkdiensten.

Buiten kerkdiensten verzorgde hij in het monumentale gebouw doordeweekse orgelbespelingen, die in de loop van de tijd uitliepen op concerten met meerdere musici in ensemblevorm. Voor dit doel werd lang na Sweelinck's dood onder het grote orgel van de Oude Kerk een aparte podiumtribune gebouwd, waarop onder andere stadsmusici (die in vaste dienst van Amsterdam waren) regelmatig musiceerden.

Deze burger-concertpraktijk in de Oude Kerk - waardoor de eerste 'burgerconcertzaal' van heel noordelijk Europa tot stand kwam - heeft grote gevolgen gehad op de ontwikkeling van de klassieke muziek. Kooplieden, onder andere uit het Oostzeegebied, die in Amsterdam regelmatig vertoefden zetten deze Amsterdamse burger-concertpraktijk in een monumentale kerk voort in eigen woon- en leefsituaties.

Dieterich Buxtehude

Het ontstaan van de zogeheten 'Abendmusiken' in de Marienkirche in Lübeck - waarmee altijd de naam van Sweelinck's 'kleinzoon-leerling' Dieterich Buxtehude historisch verbonden zal zijn - is direct op de concertpraktijk van orgelvirtuoos en ensembleleider Jan Pieterszoon Sweelinck (en zijn opvolgers) in de Oude Kerk van Amsterdam terug te voeren.

In het milieu van rijke, kunstlievende en intellectueel-geaarde kooplieden trad Sweelinck regelmatig in ruime Amsterdamse grachtenpanden op; ofwel als klavecimbelvirtuoos dan wel als leider van een Collegium Musicum. Zijn ensemblecomposities op Franse en Italiaanse teksten waren in aanleg bedoeld voor min of meer vaste groepen van goed-muzikaal ontwikkelde muziekliefhebbers uit dit milieu.

Sweelincks ensemblewerken -in aanleg voor zangstemmen bedoeld - zijn in zekere zin veel minder vernieuwend en staan nog geheel in de traditie van de Nederlandse School. Zijn ruim 250 vocale ensemblewerken - solistisch bezet - kunnen als volgt ingedeeld worden:

  • Vier verzamelingen van stemboeken die a capella bewerkingen voor vier tot acht stemmen behelsen van alle oorspronkelijke Franstalige psalmliederen uit het 16de eeuwse Calvinistisch-protestantse psalmgezangboek.
  • De Cantiones Sacrae voor vijf stemmen, op teksten uit de Rooms-katholieke liturgie, waaraan de uitgever, om voorkoopbaarheidswille, een basso continuopartij toevoegde.
  • De Rîmes (bevat deels bewerkingen van Italiaanse madrigalen van andere componisten), Chansons en Madrigalen op wereldlijke Franse en Italiaanse teksten.
  • Gelegenheidscomposities: canons en bruiloftsmotetten.
Gedenkplaat in de Oude Kerk in Amsterdam

[bewerken] Over Sweelinck

In het biografische muziekwoordenboek Grundlage einer Ehren-pforte (1740) van Johann Mattheson valt in de hoofdstukken over Sweelincks leerlingen Jacob Praetorius II (hier Schulz geheten) en Heinrich Scheidemann te lezen (hier in vertaling):

Toen hij (d.i. Jacob Praetorius II) vernam dat in Amsterdam een voortreffelijke organist was, verlangde hij om daar naartoe te reizen en door hem te worden onderwezen. De kerkraad van de Sankt Jacobikirche (in Hamburg) moedigde hem daartoe aan en beloofde de helft van de kosten te zullen dragen. Het was de beroemde Jan Pieterszoon Sweelinck bij wie hij in de leer ging en die hem onder andere een geheel eigen manier van vingerzettingen leerde die toen heel ongebruikelijk was maar zeer goed. Schulz nam Sweelincks gebruiken en houding over die bijzonder aangenaam en achtenswaardig waren. Zo speelde hij zonder het lichaam veel te bewegen waardoor het leek alsof het moeiteloos gebeurde. Zijn natuurlijke wezen - ernstig, ordentelijk en bescheiden - was hem daarbij zeer behulpzaam. Het was niet alleen een lust om hem te horen, maar ook om hem te zien wanneer hij aan het orgel zat. Hans Scheidemann, de wakkere organist van de Sankt Catharinenkirche (in Hamburg), stuurde in dezelfde tijd zijn zoon Heinrich naar Holland. Zo kwamen de twee jonge, ambitieuze Hamburgers samen in Sweelincks school. Zij studeerden om het hardst, wat de meester zeer verheugde.

[bewerken] Sweelincks orgels

Interieur van de Oude Kerk rond 1700 met het orgel waarop Sweelinck speelde. Gravure van Jan Goeree (1670-1731)

Sweelinck speelde en componeerde in een tijd waarin algemeen de middentoonstemming in gebruik was, een stemming met in de gangbare toonsoorten vrijwel reine (trillingsvrije) tertsen. Tegenwoordig zijn er nog maar weinig orgels in deze stemming, zodat een historische uitvoering van Sweelincks werken tot de zeldzaamheden behoort. Veel van de levendigheid van de middentoonstemming gaat verloren bij een uitvoering in een moderne stemming, waarin de karakteristieke verschillen tussen de toonsoorten zijn verdwenen.

In Sweelincks tijd stonden in de Oude Kerk tenminste twee orgels: het grote orgel met drie manualen (of handklavieren) tegen de toren- of westwand, dat tussen 1539 en 1545 door Hans van Keulen, Hendrik en Hermann Niehoff en Jasper Janszoon was gebouwd. En een tweemanualig koororgel dat in de jaren 1544 en 1545 door de Hendrik Niehoff en Jaspar Janszoon was gebouwd.

Het grote orgel had de volgende dispositie:

  • Hoofdwerk: Prestant 16', Octaaf 8'+4', Mixtuur, Scherp
  • Bovenwerk: Prestant 8', Holpijp 8', Open fluit 4', Nasard 2 2/3', Sifflet 1', Cimbel, Trompet 8', Zink 8' (discant)
  • Rugpositief: Prestant 8', Octaaf 4', Mixtuur, Scherp, Quintadena 8', Holpijp 4', Sifflet 1 1/3', Regaal 8', Baarpijp 8', Schalmij 4'
  • Pedaal: Nachthoorn 2', Trompet 8'

Het koororgel had de volgende dispositie:

  • Hoofdwerk: Holpijp 8' Prestant 4', Octaaf 2', Mixtuur, Scherp, Quintadeen 8', Gemshoorn 2', Sifflet 1 1/3 ', Schalmei 4'
  • Borstwerk: Holpijp 4', Kromhoorn 8', Regaal 8'
  • Pedaal: Trompet 8'

[bewerken] Trivia

Joost van den Vondel schreef het volgende grafschrift voor hem:

Dits Sweelinck's sterfelyk deel; ten troost ons nagebleven;
't Ontsterfelyk hout de maet by Godt in 't eeuwig leven;
Daer streckt hy, meer dan hier omvatten ons gehoor,
Een goddlycke galm in aller Enghlen oor.

Sweelinck is de enige Nederlandse componist wiens beeltenis op papiergeld heeft gestaan: hij stond op het biljet van 25 gulden, dat in 1972 in omloop kwam[1].

Zijn afbeelding komt ook voor op een postzegel in de serie Zomerzegels van 1935.

Naar hem is een belangrijke muziekonderscheiding, de Sweelinck-Prijs genoemd.

Het is onduidelijk of Sweelinck ooit daadwerkelijk Protestants en Calvinist is geworden. Hij werd als katholiek geboren en opgevoed, en zijn vader stond als organist en kerkmusicus geheel in de rooms-katholieke traditie. Sommige auteurs menen dat zijn Cantiones bewijs van zijn blijvende katholieke sympathieën vormen, evenals zijn verbondenheid met de uitgesproken bekeerling tot het katholicisme Vondel. Sweelinck is volgens sommige historici binnen de Nederduytsch Gereformeerde kerken vanwege zijn grote talent in muziek en kerkzang (die ook onder sommige katholieken in de volkstaal reeds langer gebruikelijk was) altijd benoemd gebleven. Zijn persoonlijke theologische opvattingen speelden daarbij een ondergeschikte rol.

[bewerken] Externe links


[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  • Dirksen, P. (1997) - The Keyboard Music of Jan Pieterszoon Sweelinck – Its Style, Significance and Influence, Utrecht, Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis
  • Dirken, P. (2001) - Sweelinck Studies, Proceedings of the Sweelinck Symposium Utrecht 1999, Utrecht
  • Hilst, R. van der (2000) - Een engel uit de hemel - driehonderd jaar Bach en Nederland, Amsterdam
  • Höweler, Caspar (1961), Inleiding tot de muziekgeschiedenis, Amsterdam
  • Kamp, H. van der (ed., 2008), Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621) - De Wereldlijke Werken, San Lorenzo de El Escorial/Heidelberg
  • Noske, F. (1990) - Sweelinck, Oxford
  • Peeters, F.; Vente, M. A. - De Orgelkunst in de Nederlanden, van de 16de tot de 18de eeuw, Amerongen, Gaade
  • Van Ravenzwaaij, G. en Sam Belinfante (z.j.) - Muzikale Ommegang, Amsterdam, Bigot & Kamp; Van Rossum.
  • Sigtenhorst Meyer, B. van den (1946) - Jan. P. Sweelinck en zijn instrumentale muziek, Den Haag, Servire
  • Sigtenhorst Meyer, B. van den (1948) - De vocale muziek van Jan P. Sweelinck, Den Haag, Servire
  • Tollefsen, R.H. (1971) - Jan Pieterszoon Sweelinck, a bio-bibliography 1604-1842 (Tijdschrift voor Nederlandse Muziekgeschiedenis XXII)
  • Tusler, R. L. (1958) - The Organ Music of Jan Pieterszoon Sweelinck, twee delen, Bilthoven, A.B. Creyghton
  • Willemze, T. (1981) - Componisten Lexicon, Utrecht, Uitgeverij Het Spectrum
 
Persoonlijke instellingen
Boek maken