Nederlandse gulden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gulden
Land Vlag van Nederland Nederland tot 2002,
Vlag van Suriname Suriname tot 1962,
Vlag van Nederlandse Antillen Nederlandse Antillen tot 1940,
Vlag van Luxemburg Luxemburg tot 1839,
Vlag van België België tot 1832
Verdeling 100 cent, 160 duiten tot 1816
ISO 4217-code NLG
Afkorting of valutateken ƒ, fl [1]
Opvolgende munteenheid Belgische frank (België en Luxemburg),
Luxemburgse frank (Luxemburg en België),
Euro (Nederland)
Wisselkoers EUR 1 = NLG 2,20371[2]
Actuele wisselkoers (en) XE.com
(en) Yahoo Finance
Gulden 006.JPG
Gulden 014.JPG
Portaal  Portaalicoon   Economie

De gulden was vanaf de middeleeuwen tot januari 2002 een Nederlandse munteenheid en wettig betaalmiddel. Op 1 januari 2002 werd de gulden vervangen door de euro, sindsdien de munteenheid van de EMU. De omwisselverhouding was bepaald op 2,20371 gulden per euro (ongeveer 45 eurocent per gulden).

Het muntgeld, waaronder de dubbeltjes, kwartjes en munten van vijf gulden, kon tot 1 januari 2007 worden ingeleverd bij de banken, maar verloor daarna alle instrumentele waarde. Papiergeld (lees: bankbiljetten) in guldens blijft nog tot 1 januari 2032 inwisselbaar bij De Nederlandsche Bank.

Geschiedenis[bewerken]

De benaming gulden komt van gulden florijn (gouden florijn) genoemd naar de Florentijnse munt fiorino d'oro. Daarmee is ook de herkomst verklaard van het sindsdien gebruikte valutateken ƒ of de letter f of de letters fl voor de gulden. In 1378 kwam de Hollandse gulden van graaf Willem V in omloop. Daarna voerden verschillende vorsten en heersende edellieden hun eigen gulden in. De naar keizer Karel V genoemde munt werd carolusgulden of carolus genoemd. Na de gouden carolus van 1521 kwam in 1582 de zilveren carolus, die tot 1680 gold als (eerste) eenheidsmunt voor de Zeventien Provinciën. Deze munt was de eerste met een 'kop' (van de keizer). In 1694 kwam de generaliteitsgulden in omloop, met de Nederlandse maagd-met-lans.

Vanaf 1818 (koning Willem I) tot 2002 (de invoering van de euro) zijn voor elke Nederlandse vorst of vorstin guldens geslagen, met een portret omcirkeld door de tekst 'koning(in) der Nederlanden'. Ook werd in 1818 het kantschrift God zij met ons ingevoerd.

Nuvola single chevron right.svg Zie ook: geschiedenis van de Nederlandse gulden

Zie voor het verloop van de waarde van de gulden van 1450 tot heden de externe link.

(Voormalige) koloniën[bewerken]

Nederlands-Indië had zijn eigen gulden. Deze bestond tot 1949. In dat jaar werd de Nederlands-Indische gulden door de Indonesische roepia vervangen. Op 30 maart 1950 werd de Nederlands-Nieuw-Guineese gulden ingevoerd.

In Suriname bestond de Surinaamse gulden tot 1 januari 2004. Sinds de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 verminderde de waarde van de Surinaamse gulden sterk. Daarom besloot de Surinaamse regering de Surinaamse gulden door de Surinaamse dollar te vervangen.

In de voormalige Nederlandse Antillen was de Antilliaanse gulden de munteenheid, gekoppeld aan de Amerikaanse dollar. Curaçao en Sint Maarten zijn sinds 10 oktober 2010 autonome landen, in deze landen zal de Antilliaanse gulden worden vervangen door de Caribische gulden. In Aruba, waar tot 1986 ook met de Antilliaanse gulden werd betaald, is deze vervangen door de Arubaanse florin. De BES-eilanden (tegenwoordig bijzondere gemeentes van Nederland) gebruikten de Antilliaanse gulden totdat op 1 januari 2011 de Amerikaanse dollar de officiële munteenheid werd.

Devaluatie van de gulden[bewerken]

In 1949 besloot minister Piet Lieftinck tot devaluatie van de Nederlandse gulden met dertig procent, kort nadat het Engelse pond sterling met 30% was gedevalueerd.[3]

De aanleiding voor de devaluatie werd door Lieftinck op 20 september 1949 zelf gegeven:

Aanhalingsteken openen

Koerswijziging is gunstig voor de gulden. De regering heeft besloten het Engelse percentage (30%) aan te houden. De Nederlandse diensten ... mogen niet te duur worden. Als we dat niet zouden doen zou er een loon- en prijsslag volgen met risico’s van grote werkloosheid. Devaluatie vraagt offers: flinke prijsstijgingen ivm duurdere import uit de VS. Die invoer zal dus moeten inkrimpen tot herstel van betalingsbalans... Voordeel zit in de verruiming van handel.[4]

Aanhalingsteken sluiten

De economie in de Verenigde Staten haperde wat. Lonen en prijzen aldaar daalden, nadat ze een aantal jaren waren gestegen.

Amerikaanse bedrijven wilden meer exporteren naar Europa. Vooral de Britse regering vreesde concurrentie voor de eigen economie en besloot tot devaluatie. Daardoor zouden de eigen producten voor het buitenland goedkoper worden. Als een olievlek breidde de devaluatie zich over Europa uit, waarbij ook Nederland het Britse voorbeeld volgde.

Het bijzondere aan deze gebeurtenis was dat ze een nieuwe fase in de economische naoorlogse geschiedenis van Nederland markeerde. De ergste armoede was voorbij, de Nederlandse economie kon haar vleugels uitslaan. Door industrialisatie en export kon de welvaart snel groeien.

Nederland was straatarm uit de oorlog gekomen. Er was gebrek aan alles. De productie lag nagenoeg stil. Nederland was voor zowat alle noodzakelijke goederen afhankelijk van import uit het buitenland. Maar geld om dat te bekostigen was er nauwelijks. De regering hield de economie daarom in een ijzeren greep. De lonen moesten laag blijven, tal van goederen bleven, net als in de oorlog, op de bon. Anders zou er een oncontroleerbare inflatie ontstaan, vreesde de regering.

De onvrede onder de bevolking was groot. Dat uitte zich onder meer in een grote populariteit van de communistische CPN. Dat baarde de Amerikaanse regering weer grote zorgen. Die zag met lede ogen aan dat Midden-Europa onder invloed van de Sovjet-Unie communistisch werd. Dat moest niet ook met West-Europa gebeuren.

Het veelbesproken Marshallplan moest uitkomst bieden. Alleen al Nederland kreeg vanaf 1948 bijna een miljard dollar aan schenkingen en leningen om de economie er bovenop te helpen.

Deze geldinjectie bood de Nederlandse economie net het steuntje in de rug dat zij nodig had om er bovenop te komen. Zo kon de regering al in 1949 zich weer op de export concentreren. Niet langer hoefde zij zich het hoofd te breken over de vraag hoe zij door middel van import de vele monden van de Nederlandse bevolking moest voeden - de tijden van onbekommerde welvaart zaten er aan te komen.

Ook in de jaren zeventig van de vorige eeuw was de gulden zwak en devalueerde hij ten opzichte van de Duitse mark. In 1965 was een gulden ongeveer 1,10 DM. Rond 1973 was 1 gulden ongeveer 1 DM en later, in de jaren tachtig en negentig tot de invoering van de euro, ongeveer 0,88 DM (1 DM = 1,12 gulden).

Papiergeld[bewerken]

Tienguldenbiljet uit 1930

De gulden verscheen als muntgeld, muntbiljetten en bankbiljetten. Het 25-guldenbiljet van 1860 (tot 1923) was geel van kleur, en werd daarom al snel het geeltje genoemd. Die bijnaam is tot 2002 in zwang gebleven, ondanks anders gekleurde ontwerpen. Ook de bijnaam rooie of rooie rug (en vandaar, enigszins vulgair, alleen rug) voor een biljet van duizend gulden vindt zijn oorsprong in de 19e eeuw, toen deze biljetten een rode achterzijde hadden. Bekende ontwerpers van het naoorlogs Nederlandse bankpapier zijn R. Oxenaar (de eerste felgekleurde biljetten) en Jaap Drupsteen. De meeste bankbiljetten droegen portretten van historisch bekende Nederlanders, zoals Baruch Despinoza (1000 gulden, 1973-2002), admiraal Michiel de Ruyter (100 gulden, 1970-1986), componist Jan Pieterszoon Sweelinck (25 gulden, 1971-1995), schilder Frans Hals (10 gulden, 1971-2002) en Joost van den Vondel (5 gulden, 1966-1988).

Nuvola single chevron right.svg Zie ook: Geschiedenis van de Nederlandse bankbiljetten

Muntgeld[bewerken]

De cent werd in 1817 voor het eerst geslagen en in 1980 officieel afgeschaft, maar was tot 1983 in omloop. De overige munten die vanaf 1945 circuleerden, waren de stuiver (5 cent), het dubbeltje (10 cent), het kwartje (25 cent), de gulden (100 cent) en de rijksdaalder (tweeënhalve gulden, ook wel riks of knaak genoemd). In 1988 werd het vijf-guldenbiljet van 1973 vervangen door een munt met dezelfde waarde. De laatste gulden, ontworpen door de destijds twaalfjarige Tim van Melis, beleefde van 21 juli t/m 31 december 2001 nog een kort bestaan.

Vóór de rijksdaalder bestond er ook een "gewone" daalder en die was geen ƒ 2,50 maar ƒ 1,50 waard. De daalder was vooral bekend van de slagzin "Op de markt is je gulden een daalder waard".

In de loop van de eeuwen is de gulden regelmatig opnieuw onderverdeeld in verschillende muntstukken. Het decimale stelsel werd in Nederland op 18 september 1816 ingevoerd.

Tot 1816[bewerken]

Hier volgt een opsomming van het tot 1816 gangbare muntstelsel, waarbij de stuiver steeds als referentie is gebruikt:

  • 10 gulden-munt = (200 stuivers)
  • 5 gulden-munt = (100 stuivers)
  • 1 goudgulden = (65 stuivers)
  • 3 gulden-munt = (60 stuivers)
  • 1 daalder = (30 stuivers)
  • 1 zilveren florijn = (28 stuivers)
  • 1 gulden = (20 stuivers)
  • 1 halve gulden = 1/2 gulden = (10 stuivers)
  • 1 schelling = (6 stuivers)
  • 1 kwartje = 1/4 gulden = (5 stuivers)
  • 1 dubbeltje = (2 stuivers)
  • 1 stuiver = (1/20 gulden)
  • 1 halve stuiver = (1/2 stuiver)
  • 1 oord = (1/4 stuiver)
  • 1 duit = (1/8 stuiver)

Sinds 1816[bewerken]

Voorkant van een drieguldenstuk uit 1820
Achterkant van een drieguldenstuk uit 1820, met portret van koning Willem I
Nederlandse munten 1816-2002
Decimaal stelsel: 1 gulden = 100 cent
Waarde
(gulden)
Waarde
(cent)
Naam in omloop van in omloop tot
ƒ 0,005 0,5 Halfje 1818 1948
ƒ 0,01 1 Cent 1817 1983
ƒ 0,0125 1,25 oortje 1818 1898 (of eerder)
ƒ 0,025 2,5 2½ Cent, Halve stuiver 1877 1948
ƒ 0,05 5 Stuiver 1818 2002
ƒ 0,10 10 Dubbeltje 1818 2002
ƒ 0,25 25 Kwartje 1817 2002
ƒ 0,50 50 Halve gulden 1818 1948
ƒ 1 100 Gulden 1818 2002
ƒ 2,50 250 Rijksdaalder 1840 2002
ƒ 3 300 Drie gulden 1817 1839
ƒ 5 500 Vijfje 1826 1912
1988 2002
ƒ 10 1000 Tientje 1875 1933
1970 2002
ƒ 50 5000 Vijftig gulden 1982 2002

Trivia[bewerken]

  • Opmerking: de naoorlogse 10- en 50-guldenmunten waren speciale uitgiften die wel wettig betaalmiddel waren, maar nauwelijks in omloop waren.
  • De indeling uit 1818 in cent stuiver, dubbeltje, kwartje, gulden, rijksdaalder, tientje werd ingevoerd op advies van J.H.van Swinden. Deze advocaat van het tientallig stelsel bracht op 2 december 1815 op 73 pagina's advies aan koning Willem I met als titel Bedenkingen over het muntwezen

Onderscheidende kenmerken[bewerken]

Een nagenoeg uniek kenmerk van guldenmunten en -biljetten was dat ze een stelsel vormden dat verdeeld was in kwarten. Dus in plaats van coupures van 0,20, 2, 20 en 200 kende de gulden munten van ƒ 0,25 (kwartje) en ƒ 2,50 (rijksdaalder) en bankbiljetten van ƒ 25 en ƒ 250. Alleen in de eerste jaren (tot 1832) werden er munten van ƒ 3 gebruikt in plaats van ƒ 2,50.

Een ander opvallend kenmerk van de gulden was het relatief grote belang van muntgeld. Het laagst gewaardeerde bankbiljet had een waarde van ƒ 10 en de hoogst gewaardeerde munt was ƒ 5 waard. Als de laatstgenoemde op dit moment nog een wettig betaalmiddel zou zijn, zou zij een van de hoogst gewaardeerde (€ 2,27) munten in algemene omloop zijn.[5]

Volksnamen van de munten en bankbiljetten[bewerken]

De munten en bankbiljetten van de gulden hebben volkse namen gekend, die met de komst van de euro grotendeels zijn verdwenen. Alleen de termen dubbeltje en stuiver worden tegenwoordig ook gebruikt voor de munten van 10 en 5 eurocent.

  • Spie (1-centmunt)
  • Stuiver (5-centmunt)
  • Dubbeltje (10-centmunt, duppie, beissie): hoe een dubbeltje rollen kan, zo plat als een dubbeltje
  • Kwartje (25-centmunt, maffie[6], heitje: heitje voor 'n karweitje): begint het kwartje te vallen
  • Gulden (piek, pegel, pop) (Nederlandse 1 gulden)
  • Daalder (lammetje) (1½-guldenmunt)
  • Rijksdaalder (knaak, riks, achterwiel, karrenwiel) (2½-guldenmunt)
  • Vijfje (bas, dikke stuiver, fiets) (2 rijksdaalders) (5-guldenmunt)
  • Vijfje (5-guldenbiljet)
  • Tientje, (joetje, mattenklopper, prent) (10-guldenbiljet)
  • Geeltje (25-guldenbiljet; een eerdere versie van 1861-1909 had een gele kleur)
  • Zonnebloem, bram, brammetje (50-guldenbiljet)
  • Meier, mutje, snip, bank(ie)/bankje (100-guldenbiljet)
  • Vuurtoren (250-guldenbiljet, met een afbeelding van de vuurtoren van Haamstede)
  • Rooie rug of rug (1000-guldenbiljet, dat later echter groen werd)

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. De afkorting fl is afkomstig van de oorspronkelijke benaming van de munt: gulden florijn.
  2. ec.europa.eu :: Overzicht wisselkoersen van de Euro
  3. www.nieuwsdossier.nl
  4. audio
  5. Op drie na: 5 CHF (± € 4,00), 5 CUC (± € 3,65) en 2 GBP (± € 2,45).
  6. Mijnwoordenboek.nl
Euro
Hoofdpagina's: Euro · Euromunten · Eurobankbiljetten · Eurozone · Euroteken · Euro-herdenkingsmunt · Herdenkingsmunten van € 2 · Meerwaardeherdenkingsmunten
Gerelateerde pagina's: Ding flof bips · Eonia · Euribor · ECB · Sms ff bondige clips · Stabiliteits- en Groeipact
Geschiedenis: Europees Monetair Systeem (I: ECU, II: WKM, III: WKM II, IV: EMU) · Europees Monetair Instituut · Invoering van de euro
Eurozone: EU: België · Cyprus · Duitsland · Estland · Finland · Frankrijk · Griekenland · Ierland · Italië · Letland · Luxemburg · Malta · Nederland · Oostenrijk · Portugal · Slovenië · Slowakije · Spanje
Niet-EU: Andorra · Monaco · San Marino · Vaticaanstad
EU-lidstaten die euro gaan invoeren: Bulgarije · Hongarije · Litouwen · Polen · Roemenië · Tsjechië · Zweden
Overige: EU: Denemarken · Verenigd Koninkrijk
Niet-EU: Kosovo · Montenegro
Pre-Euro munteenheden: ECU · Belgische frank · Cypriotische pond · Duitse mark · Estische kroon · Finse mark · Franse frank · Griekse drachme · Iers pond · Italiaanse lire · Letse lats · Luxemburgse frank · Maltese lire · Monegaskische frank · Nederlandse gulden · Oostenrijkse schilling · Portugese escudo · San Marinese lire · Sloveense tolar · Slowaakse kroon · Spaanse peseta · Vaticaanse lire
Resterende munteenheden ERM II: Deense kroon · Litouwse litas
Resterende munteenheden EU: Brits pond · Bulgaarse lev · Hongaarse forint · Kroatische kuna · Poolse złoty · Roemeense leu · Tsjechische kroon · Zweedse kroon