Michiel de Ruyter

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Icoontje doorverwijspagina Zie Michiel de Ruyter (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Michiel de Ruyter.
Michiel Adriaenszoon de Ruyter
Michiel de Ruyter door Ferdinand Bol in 1667. Hij draagt zijn Orde van de Heilige Michaël
Michiel de Ruyter door Ferdinand Bol in 1667. Hij draagt zijn Orde van de Heilige Michaël
Bijnaam Bestevâer
Geboren 24 maart 1607
Vlissingen
Overleden 29 april 1676
Baai van Syracuse
Begraven Nieuwe Kerk, Amsterdam
Land/partij Statenvlag.svg Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
Onderdeel Staatse vloot (Marine)
Dienstjaren 1637-1676
Rang Luitenant-admiraal-generaal
Slagen/oorlogen Engels-Nederlandse Oorlogen
Onderscheidingen Orde van de Heilige Michaël
Portaal  Portaalicoon   Marine

Michiel Adriaenszoon de Ruyter (Vlissingen, 24 maart 1607 - Baai van Syracuse, 29 april 1676) was een Nederlands admiraal.

Michiel de Ruyter (bijgenaamd Bestevâer, ofwel grootvader) is een van de bekendste zeehelden in de Nederlandse geschiedenis. Hij wordt algemeen beschouwd als de grootste admiraal van zijn tijd. In de eerste drie Engels-Nederlandse Oorlogen speelde hij een belangrijke rol. Daarnaast nam hij deel aan diverse oorlogen in de Oostzee en tegen piraterij in de Middellandse Zee. De Ruyter was afwisselend in dienst van de staat en van reders, en was zelfs een tijdlang als zelfstandig ondernemer actief in de walvisvaart.

Levensloop[bewerken]

Michiel Adriaenszoon werd in Vlissingen geboren. Hij was de zoon van bierdrager Adriaen Michielszoon en Alida Jansdochter. De naam "Michiel Adriaensen Ruyter" zou hij pas rond 1636 aannemen. Zijn naam werd, zoals in de 17e eeuw gebruikelijk, ook door hemzelf op verschillende wijzen geschreven. Het verhaal dat hij op een lijnbaan werkte, is van De Ruyter zelf en daarom vermoedelijk authentiek. Hij werd daar wegens slecht gedrag weggestuurd en om dezelfde reden van school verwijderd. De jonge Michiel was volgens zijn eerste biograaf, Gerard Brandt (een vriend van de familie), een branie en vechtersbaas. De Ruyter leerde redelijk lezen en schrijven, zij het met vele Zeeuwse dialectismen.

Naar zee[bewerken]

Eerste portret van De Ruyter door Berckman uit 1655. Collectie: Zeeuws maritiem muZEEum.

Op elfjarige leeftijd, op 3 augustus 1618, ging hij als hoogbootsmansjongen voor het eerst naar zee. Hij werd op een latere reis door de Spanjaarden gevangengenomen, ontsnapte en liep met een paar kameraden terug naar Nederland. Jeugdboekenauteur John Brosens trof er in Spaanse archieven gegevens over aan en schreef er het boek Koers pal Noord over. Al op vijftienjarige leeftijd had hij zich opgewerkt tot schipper, de hoogste onderofficiersrang op een schip.

In 1622 kwam hij onder de hoede van een oom die "ruiter" was in het leger van Prins Maurits. Met zijn oom nam hij als busschieter (een woord dat zowel een musketier als een kanonnier kon aanduiden) deel aan de strijd rond het Beleg van Bergen op Zoom. Op 2 oktober 1622 deed hij mee aan het ontzet van deze stad waar de familie van zijn moeder vandaan kwam.

De traditie wil dat Michiel om deze oom, die hij graag mocht, te eren, later de naam "De Ruyter" aannam (de schrijfwijze stond niet vast, evenmin als het voorvoegsel "de").

In 1622 voer hij voor het eerst uit als hoogbootsmansmaat op een oorlogsschip. Het is onbekend hoe lang zijn eerste zeedienst bij de marine geduurd heeft. Tot 1631 was De Ruyter in Dublin handelsagent voor het Vlissingse koopmanshuis Lampsins. Uit die tijd stamt vermoedelijk het beroemde verhaal dat hij een aanval van de Duinkerker Kapers afsloeg door het dek van zijn boot met boter in te smeren.

Op 16 maart 1631 trouwde hij met de boerendochter Maayke Velders. Zijn vrouw stierf op 31 december in het kraambed en zijn eerste kind, Alida of Aaltje, overleed drie weken later.

Stuurman[bewerken]

Michiel de Ruyter (1668)

In 1633 nam De Ruyter als stuurman dienst op een walvisvaarder van de Noordse Compagnie, met als bestemming Jan Mayen. In 1635 voer hij, nog steeds als stuurman, naar Spitsbergen. Later dat jaar gaat hij op de Graeuwen Heynst op kaapvaart in dienst van de Lampsins. Hij is verder actief op de route naar Zuid-Amerika.

In 1636 komt Michiel Adriaenszoon voor het eerst onder de naam 'Ruyter' in een document voor. De herkomst van die naam was in zijn tijd al een raadsel en hierover deden diverse verhalen de ronde. Eén daarvan was dat hij aan zijn naam kwam omdat zijn grootvader of zijn oom van moederszijde als ruiter had meegevochten in het leger. Maar volgens de historicus Van Loo komt de naam De Ruyter waarschijnlijk uit de kaapvaart en is zij ontleend aan het "ruiten" oftewel roven door zijn kaperschip. Het lijkt er op dat de bijnaam vooral door anderen is gegeven: pas in april 1637 ondertekende Michiel zover bekend voor het eerst met deze naam.

Op 1 juli 1636 huwde hij Neeltje Engels (1607-1650), een bemiddelde regentendochter. Op 27 september 1637 wordt een zoon geboren, Adriaen (1637-1655), en twee jaar later een dochter, Cornelia (Neeltje, 1639-1720). In 1641 krijgen ze een derde kind dat na enkele dagen ongedoopt overlijdt. In 1642 komt er nog een dochter, die zij Alida of Aaltje (1642-1679) noemen, zoals zijn allereerste dochter. Op 2 mei 1649 wordt hun laatste kind Engel (1649-1683) geboren, ruim een jaar later overlijdt zijn echtgenote.

De Ruyter had toen al een kapitaal opgebouwd van vele duizenden guldens en het poorterschap (burgerrecht) van Vlissingen verworven. Kapers wilden nog wel eens piraterij begaan en in dit jaar zouden de Engelsen wegens (althans beweerde) verdenking hiervan De Ruyters schip, terwijl hijzelf de stad Calais bezocht, met bemanning en al prijs hebben genomen en naar de marinebasis Sandwich in Engeland hebben gevoerd. Michiel zou zijn mannen achterna zijn gereisd om te protesteren. Sinds 1634 voerde Karel I van Engeland een pro-Spaanse politiek en kwamen dit soort vijandelijkheden steeds vaker voor.

Het is in een brief van Albert Joachimi over dit incident dat voor het eerst sprake is van een Michiel Trouhant alias Ruijter. Vermoedelijk betreft het hier de voornoemde kapitein Trouwhand uit Kortemark en heeft Joachimi ten onrechte verondersteld dat deze en De Ruyter één en dezelfde persoon waren.

Kapitein[bewerken]

Op 23 april 1637 zeilde De Ruyter uit als kapitein van een directieschip: een particuliere oorlogsbodem van de Vlissingse reders Lampsins. Het particulier initiatief moest de zwakke oorlogsvloot bijstaan in de strijd tegen de Duinkerker Kapers. Zeeland had geen officiële directiekamer en daarom is deze tocht als kaapvaart te omschrijven.

In 1640 werd hij kapitein op de koopvaarder Vlissinge, opnieuw een schip van Lampsins, en maakte een aantal tochten naar West-Indië.

Schout bij nacht[bewerken]

De Ruyters derde vrouw, Anna van Gelder (1668)

In 1641 was hij onder admiraal Gijsels schout-bij-nacht en kapitein op De Haze, tijdens de Zeeslag bij Kaap Sint-Vincent om de Portugezen bij te staan in hun opstand tegen Spanje.

Van 1644 tot en met 1651 maakte De Ruyter met zijn schip de Salamander vele handelstochten op Marokko en West-Indië voor eigen rekening. In 1650 verbleef De Ruyter meer dan acht maanden in Santa Cruz (het huidige Agadir). De reden is niet bekend. Wel liet De Ruyter optekenen dat hij daar "met veel verdriet" was.[1] Zijn reizen naar Marokko waren zeer profijtelijk. Hij verkocht wapens, peper, bijlen, zilveren kroezen, kistjes en hoeden aan Sidi Ali ben Mohammed, de leider van een opstandige zuidelijke provincie. Later verjoeg hij de Algerijnse zeerovers die met hun boten de haven van Salé blokkeerden. Hij werd vervolgens met de grootste eer in die stad ontvangen. Van zijn intocht maakte Herman Padtbrugge een gravure (collectie Maritiem Museum Rotterdam).

Na de dood van zijn tweede vrouw op 15 september 1650 hertrouwde hij op 8 januari 1652 met de weduwe Anna van Gelder (1614-1687). Zij had een dochter en een zoon uit een eerder huwelijk. Hij kocht een fraai huis en besloot te gaan rentenieren. Later dat jaar wordt Margaretha geboren. Zij trouwt met ds. Bernardus Somer.

Voorgoed bij de marine: Eerste Engelse Zeeoorlog[bewerken]

In 1652 brak de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog uit. De Admiraliteit van Zeeland deed een beroep op zijn plichtsbesef en hij ging op 29 juli, zij het met tegenzin, weer in zeedienst. De provincie Zeeland rustte een particulier betaald hulp-eskader van directieschepen uit en De Ruyter werd commandant. Hij werd vicecommandeur (onderbevelhebber) onder Witte de With; tijdens diens afwezigheid voerde hij een eskader aan dat op 23 augustus 1652 in de Slag bij Plymouth admiraal Ayscue versloeg.

Dit was de eerste Nederlandse overwinning in deze oorlog en de onbekende De Ruyter was plotseling een zeeheld geworden. Op 1 december 1652 werd hij benoemd tot commandeur bij de Zeeuwse admiraliteit. Hij vocht als eskadercommandant mee in de Slag bij de Hoofden, de Slag bij de Singels, de Driedaagse Zeeslag en de Zeeslag bij Nieuwpoort. Bij de Slag bij Ter Heijde was hij de enige commandant die Tromps vlaggenschip de Brederode kon bereiken om met eigen ogen het lijk van Maarten Tromp te aanschouwen. Hij adviseerde Egbert Bartolomeusz Kortenaer het sneuvelen van de bevelhebber geheim te houden.

Viceadmiraal[bewerken]

Schilderij van Willem van de Velde de Oude, (v.l.n.r.): Tijdverdriff of Huis Tijdverdriff en Olifant of Witte Olifant (op de voorgrond); Gouden Leeuw, Hof van Zeeland en Vrijheid (midden); en Zeven Provincien (op de achtergrond).

Na de oorlog wees hij een aanbod af om bevelhebber te worden, ondanks grote druk van Johan de Witt, maar bleef in dienst bij de marine: op 2 maart 1654 werd hij viceadmiraal bij de admiraliteit van Amsterdam. De Ruyter en zijn gezin verhuisden in 1655 naar die stad. Hetzelfde jaar maakte hij met de Tijdverdrijf een expeditie naar de Middellandse Zee tegen Algiers. In 1656 viel hij de Zweden aan bij Danzig. In 1657 en 1658 voerde hij acties uit tegen Portugal. In 1659 commandeerde hij een hulpvloot die luitenant-admiraal Jacob van Wassenaer Obdam moest bijstaan bij het heroveren van de Deense eilanden na diens overwinning in de Slag in de Sont. Hij bevrijdde Nyborg op Funen. Uit dankbaarheid werd hij door Frederik III van Denemarken in de adelstand verheven. Hij kreeg ook het recht handel te drijven op Noorwegen en richtte daartoe in 1660 de Noordkaapse Compagnie op die tot 1664 actief bleef. De compagnie richtte zich op de walvisvaart, daarnaast op de handel in lever en kuit van kabeljauw.

In 1659 trouwt zijn oudste dochter Cornelia (1636) met Johan de Witte (1635-1683), kapitein bij de Admiraliteit van Amsterdam. Zij geven hem twee kleinzonen, Cornelis (1660) en Michiel (1662).

Afrika[bewerken]

Familieportret uit 1662

Van 1661 tot 1663 was De Ruyter actief tegen de Barbarijse zeerovers en dwong hen een verdrag af. Die verbraken dat verdrag bijna onmiddellijk nadat hij uit het zicht verdwenen was, zodat hij er in 1664 opnieuw op uitgestuurd werd. Weer in de Middellandse Zee aangekomen, vernam hij al snel dat er dringender zaken waren. De Engelsen hadden de Nederlandse factorijen in West-Afrika veroverd. De vloot van De Ruyter werd er in het geheim op af gestuurd en hij heroverde de bezittingen voor Nederland. Daar ontmoette hij onverwacht een oude jeugdvriend uit Vlissingen: Jan Compagnie, die als kind tot slaaf gemaakt vanuit Afrika naar Zeeland vervoerd was en nu als zetbaas van de WIC aan de Goudkust bleek te werken. Om de Britten te straffen, verwoestte De Ruyter de Britse factorijen. Het scheepsjournaal dat De Ruyter tijdens deze expeditie bijhield (en dat tot de interessantste reisbeschrijvingen van de zeventiende eeuw behoort), werd in 1961 uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging.

In 1663 trouwt zijn dochter Alida of Aaltje met Johan Schorer (1628-1664).

Amerika[bewerken]

Vanuit Afrika stak de vloot de Atlantische Oceaan over om de Engelse koloniën in Amerika te teisteren. De Ruyter zag af van een herovering van Nieuw-Nederland omdat zijn krachten daartoe ontoereikend waren, maar plunderde de kust en onderschepte een haringvloot. In 1665 werd St. John's, in wat nu Canada heet, voor korte tijd veroverd. Bij terugkeer in Delfzijl werd hij als een held ontvangen. Intussen hadden zich stormachtige ontwikkelingen voorgedaan in de Nederlandse republiek.

Tweede Engelse Zeeoorlog[bewerken]

Michiel de Ruyter in de Atlas Blaeu - Van der Hem

De Tweede Engels-Nederlandse Oorlog, die eigenlijk al een jaar in de koloniën was uitgebroken, was nu de openlijke fase ingegaan. In de Slag bij Lowestoft had de Nederlandse vloot een zeer zware nederlaag geleden, waarbij Jacob van Wassenaer Obdam, de opperbevelhebber van de marine, was gesneuveld. Er was een nieuwe bevelhebber voor de staatse vloot nodig. Cornelis Tromp had al een voorlopige benoeming op zak. Ingrijpen van raadpensionaris Johan de Witt leidde ertoe dat De Ruyter op 11 augustus werd aangesteld, want Tromp was hem te Oranjegezind. Tromp raakte hierdoor erg jaloers op De Ruyter en had grote moeite zich in de omstandigheden te schikken, hoewel hij kennelijk geen speciale antipathie tegen de man zelf voelde. De Ruyter kreeg zo een bijzonder lastige tweede man, eenzelfde situatie die zich had voorgedaan tussen Maarten Tromp en Witte de With: een die weliswaar zijn best deed te gehoorzamen, maar daar eigenlijk niet toe in staat was.

De Ruyter, die al eerder als informeel adviseur van zijn voorganger, Jacob van Wassenaer Obdam, invloed had gehad bij de modernisering van de vloot, zette na zijn aanstelling dat proces voort. Onder zijn leiding werd geoefend in het formatievaren (in navolging van de tactiek van de Engelse admiraal Robert Blake) en werd een systeem van seinvlaggen ingevoerd. Tot dan was een zeeoorlog vooral een ongecoördineerd gevecht van boot tegen boot geweest.

In augustus 1665 lukte het hem om met Deense steun de retourvloot uit Indië, die in de haven van het Noorse Bergen door de Engelsen geblokkeerd werd, te ontzetten in de Slag in de baai van Bergen.

In 1957 vertoont het Polygoon journaal een verslag van de reconstructie van de aankomst van Michiel de Ruyter in Vlissingen na de Vierdaagse Zeeslag.

In 1666 nam hij het vlaggenschip De Zeven Provinciën in gebruik, waarmee hij de overwinning bevocht in de Vierdaagse Zeeslag (11-14 juni). In de Tweedaagse Zeeslag (4-5 augustus) leed hij een nederlaag en kwam het tot een verwijdering tussen hem en Tromp. Zijn verdiensten in de strijd tegen de Engelsen werden in het buitenland opgemerkt. Diezelfde maand werd hij door de Franse koning Lodewijk XIV toegelaten tot de ridderorde van de Heilige Michaël. Lodewijk kon de successen van de Hollanders tegen diens Engelse vijanden waarderen. Niemand kon bevroeden dat de Fransen nog gevaarlijker tegenstanders van de republiek zouden worden dan de Engelsen en dat De Ruyter gedood zou worden door een Franse kanonskogel.
Door het inademen van brandend lontpluis tijdens een kleinere actie later dat jaar werd De Ruyter zeer ernstig ziek. Er werd voor zijn leven gevreesd, maar hij genas net voldoende om het bevel over de vloot op zich te nemen. Tromp was toen al geheel in ongenade gevallen.

Een van De Ruyters bekendste wapenfeiten, hoewel hij daar mede door zijn ziekte slechts een gering aandeel in had, is in 1667 het opvaren van de Medway, een zijrivier van de Theems, bekend als de Tocht naar Chatham. Bij deze zeeslag werd voor het eerst gebruikgemaakt van het in opdracht van Johan de Witt door Cornelis de Witt net opgerichte Korps Mariniers. De Engelse vloot, evenals diverse forten, werd zware schade toegebracht en het Engelse vlaggenschip HMS Royal Charles werd meegenomen naar Holland. Na dit wapenfeit werd de Vrede van Breda snel getekend.
Weinig bekend is dat het plan om de Medway op te varen afkomstig was van Johan de Witt. De Ruyter had aanvankelijk bezwaren wegens de onbekende plaatselijke ondieptes. De Witt stuurde zijn broer Cornelis de Witt mee als gecommitteerde van de Staten-Generaal om toezicht te houden. De feitelijke planning was van luitenant-admiraal Willem Joseph van Ghent.

Verblijf in de Nederlanden[bewerken]

Tussen 1667 en 1672 werd De Ruyter zeer tegen zijn zin door Johan de Witt thuisgehouden om te voorkomen dat hij zou sneuvelen. De Ruyter had toen al een aanzienlijk kapitaal vergaard van ongeveer 250.000 gulden. In november 1669 overleefde De Ruyter een moordaanslag. Een aanhanger van Tromp probeerde hem met een broodmes in de hal van zijn huis te doden.

De op religieus gebied tolerante De Ruyter werd als een medestander van Johan de Witt gezien. Beiden waren persoonlijk bevriend, al hield hij zich buiten de politiek. Dat maakte hem in veler ogen tot een tegenstrever van de Oranjes. Bij de dood van De Witt heeft hij flink gehuild.

Derde Engelse Zeeoorlog[bewerken]

Slag bij Kijkduin in 1673 door Willem van de Velde.
Michiel de Ruyter op een gedenkprent ter ere van zijn overwinningen in 1673, met het beroemde lofdicht van Gerard Brandt.

Tijdens de Derde Nederlands-Engelse Oorlog voorkwam De Ruyter zowel in het rampjaar 1672 (Slag bij Solebay) als in 1673 (Eerste en Tweede Slag bij het Schooneveld en de Slag bij Kijkduin) dat de gecombineerde Franse en Engelse vloot ondanks hun grotere aantallen op de Zeeuwse of Hollandse kust kon landen. Hij maakte daarbij handig gebruik van de vele ondiepten voor de kust en van de richting waaruit de wind waaide. Ter onderstreping van De Ruyters functie te midden van de vele luitenant-admiraals die de republiek toen kende (elke admiraliteit had er wel een), werd hij op 21 februari 1673 bevorderd tot luitenant-admiraal-generaal.

Rampjaar[bewerken]

In het rampjaar, waarin de gebroeders De Witt werden vermoord, werd op 6 september 1672 een volksmenigte tegen het huis van de afwezige De Ruyter opgestookt, maar de burgerwacht wist verwoesting te voorkomen. De Ruyter was een goede vriend van Johan de Witt geweest en werd valselijk beschuldigd de oorlogsvloot aan de Fransen te willen verraden. De nieuwe machthebber, Willem III van Oranje-Nassau, wist De Ruyter en Tromp, een van de belangrijkste deelnemers aan het moordcomplot tegen De Witt, te verzoenen door Tromp in het geheim te beloven dat hij De Ruyters opvolger als bevelhebber zou zijn.

Laatste tochten[bewerken]

In 1674 deed De Ruyter een mislukte poging Martinique te veroveren op de Fransen, met wie de republiek sinds het rampjaar 1672 in de Hollandse Oorlog verwikkeld was. In 1676 werd hij uitgezonden om Spanje te helpen bij het neerslaan van een opstand in Messina, die door de Fransen juist gesteund werd. Sicilië en het Koninkrijk Napels waren in die tijd Spaans bezit. Hoewel De Ruyter vond dat zijn vloot te zwak was, ging hij toch; volgens sommige historici ervan overtuigd dat hij niet meer zou terugkeren, met de woorden:

“De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden, en al wierd mij bevoolen ’s Lands vlagh op een enkel schip te voeren, ik zou daarmee t’zee gaan en daar de Heeren Staten hunne vlag betrouwen, zal ik mijn leven waagen”.

Het uitzenden van De Ruyter was opvallend omdat ze van weinig belang waren dat zij de aanwezigheid van de luitenant-admiraal-generaal niet rechtvaardigden. De Spaanse steun aan de Nederlandse bondgenoot was ver beneden verwachting en De Ruyter kon slecht overweg met de Spaanse bevelhebbers en de Spaanse autoriteiten.

In 1676 vocht hij op 8 januari bij de onbesliste Slag bij Stromboli om Napels te verdedigen tegen de Franse vloot onder bevel van admiraal Duquesne. Als dank liet markies De Los Velez, de Spaanse onderkoning van Napels, 26 Hongaarse predikanten vrij die bij hem te werk waren gesteld als galeislaven. Jaarlijks wordt dit in februari herdacht bij het graf van De Ruyter.

Op 22 april 1676 kwam het tot een tweede confrontatie met Duquesne, in de Slag bij Agosta. Ook dit was een tactisch onbesliste slag, waarbij aan beide zijden enkele honderden doden vielen, maar met een strategisch voordeel voor de Fransen. Bovendien werd De Ruyter door een kanonskogel geraakt aan zijn rechterbeen dat verbrijzeld werd, en aan zijn linkervoet, waarvan het voorste deel werd afgeschoten. Zijn been werd geamputeerd en in eerste instantie leek hij te herstellen. Na enige dagen trad er wondkoorts op omdat de wond geïnfecteerd was geraakt. Michiel de Ruyter overleed een week later in de baai van Syracuse aan de gevolgen daarvan, aan boord van 's lands schip van oorlog d'Eendraght. Het lichaam werd gebalsemd en opgebaard in de kajuit van de admiraal naar Nederland teruggebracht. Als teken van respect liet de Franse koning Lodewijk XIV bij het langsvaren van de Eendraght saluutschoten afvuren.

De begrafenis[bewerken]

De lijkstatie op de Dam in Amsterdam.
De Ruyters kist onder het praalgraf in de Nieuwe Kerk

Op 18 maart 1677 werd de gesneuvelde admiraal begraven onder de plaats van het vroegere altaar in de Nederlands Hervormde Nieuwe Kerk in Amsterdam. De Amsterdamse hoogleraar Petrus Francius droeg bij die gelegenheid een Latijns afscheidsgedicht van bijna duizend hexameters voor. Het in 1681 voltooide praalgraf, ontworpen en gemaakt door de Haagse beeldhouwer Rombout Verhulst, is te bezichtigen in de Nieuwe Kerk.

Het met kruiden en brandewijn gebalsemde lichaam van de gesneuvelde admiraal werd in een loden kist gelegd. De door de scheepsarts Dr. Johan Minnaart verwijderde ingewanden zouden in de kathedraal van Syracuse worden begraven maar op het laatste moment weigerden de priesters toestemming omdat De Ruyter een protestant was. De vaatjes met de ingewanden werden daarop met enige ceremonie op 1 mei 1676 op een kleine heuvel op een door de zee bespoelde landtong in de baai begraven. Daar was eerder ook de in de zeeslag gesneuvelde kapitein Noiret begraven. Dit geschiedde in aanwezigheid van alle hoofdofficieren, kapiteins en andere commandeurs, in het bijzonder alle officieren van zijn vlaggenschip De Eendracht. Omdat de vloot in de Middellandse Zee moest blijven - en door de strenge winter - duurde het tot 16 Februari 1677 voordat het lichaam in Amsterdam aankwam. De Franse kustbatterijen gaven saluutschoten bij het voorbijvaren van het lijk. De Ruyter zou met grote plechtigheid en op kosten van de Staten-Generaal begraven worden. Men had een graf in de Oude Kerk te Amsterdam uitgezocht. In deze kerk waren eerder admiraals begraven, waaronder Willem van der Zaen, Isaac Sweers, Abraham van der Hulst en Jacob van Heemskerck. De eigenaar van een graf dat men nodig had om een ruime grafkelder voor De Ruyter te kunnen bouwen, weigerde dat gedeelte voor dit doel af te staan. Omdat men het graf niet kon onteigenen, werd besloten om De Ruyter te begraven in de Nieuwe Kerk.

Stadhouder Willem III liet zich in Amsterdam vertegenwoordigen door zijn secretaris Constantijn Huygens. Huygens had de weduwe De Ruyter een bezoek willen brengen, maar kreeg te horen dat zij hem niet kon ontvangen. Zij was kort tevoren ten val gekomen, toen zij bezig was geweest "met haar blauwe voorschot de was te droogen op te hangen". Huygens vermeldt dat de ‘duchesse-douarière’ ook nog altijd zelf met haar mand om de arm naar de markt placht te gaan.[2]

Op 18 maart 1677 vond de bijzetting plaats in de Nieuwe Kerk. In de 18e eeuw hechtte men zeer aan protocol - met name de plaats die men innam in een stoet en de voorrang die men op anderen kreeg werden scherp in het oog gehouden om verlies van aanzien te voorkomen.

De stad had zeer veel werk gemaakt van de lijkstaatsie. Een in een De Ruyters harnas geklede man ging in de stoet voorop, daarachter de vier onderschouten met de wacht, twee compagnieën stadssoldaten, tien aansprekers, vier trompetters, commandant Boot met de grote Admiraalsvlag met daarop De Ruyters wapen geborduurd en vier kwartieren versierd met de Hertogelijke Kroon en andere onderscheidingen van De Ruyter, gevolgd door het rouwpaard en de kist gedragen door 36 boden, die elkaar afwisselden. Buiten aan het kleed liepen 16 scheepskapiteins als slippendragers, daarop volgden vier hoofdofficieren, luitenant-admiraals en viceadmiraals. Achter de kist liep Constantijn Huygens,[3] vertegenwoordiger van de afwezige Prins (de erfelijk Admiraal-generaal), de afgevaardigden van de zeven Admiraliteitscolleges en Engel de Ruyter met verdere familieleden. De weduwe was, zoals in die tijd gebruikelijk, niet aanwezig. Verder waren aanwezig afgevaardigden van Spanje en Denemarken, de Heren XIX, bewindvoerders van de West-Indische Compagnie en de Heren XVII van de Oostindische Compagnie, de Staten van Holland en West-Friesland, Officieren van 't Hof ter Admiraliteit en ter Zee en de Consuls van Spanje en Genua.

Admiraal Tromp, een Oranje-aanhanger en een openlijk vijand van De Ruyter, ontbrak.

De lijkstaatsie heeft vier uur in beslag genomen. De zware inspanning werd de aanvoerder van de stoet, die het loodzware harnas van De Ruyter droeg, fataal.

Boven de ingang van de grafkelder is het grafschrift "Intaminatis Fulget Honoribus" aangebracht (Latijn voor "Hij blinkt in onbezoedelde eer", een citaat uit Horatius' Ode III.2.).

De Staten-Generaal betaalden voor de uitvaart 14.646 gulden. Met het beloofde grafmonument in het koor werd geen haast gemaakt. Het duurde jaren voordat dat gereed kwam en de Staten-Generaal konden alleen met moeite worden overgehaald om ook hiervoor te betalen. Ook over de plaats, de vorm en het materiaal werd getwist. Boven het monument zijn de woorden "Immensi Tremor Oceani" (Latijn voor "Schrik des groten Oceaans"), het motto van de Orde van de Heilige Michaël, aangebracht.

De grafkelder van Michiel de Ruyter werd in de daaropvolgende jaren herhaaldelijk geopend om een nazaat, waaronder Wilhelm en Elias, bij te zetten. Belangstellenden kregen van de kosters tegen betaling gelegenheid om de trap af te dalen naar de kist van de admiraal.

De bovenzijde van de kist van Michiel de Ruyter was voorzien van een raamwerk met kleine ruitjes die in lood waren gevat. Door die ruitjes zag men het lichaam van de zeeheld liggen. De kist en het lijk werden aangetast door vocht en blootstelling aan zuurstof. In de loop der eeuwen ging glas kapot en kon men het lichaam aanraken, waardoor het verder is gaan ontbinden. De laatste bijzetting in de kelder geschiedde, in strijd met de wet, op 12 juli 1865. In 1881 werd het stoffelijk overschot op staatskosten opnieuw gekist.

In 1949 werd de kist door de familie De Ruyter de Wildt geopend. Zowel de kist als het lichaam bleken in zeer slechte staat te verkeren.[4] Het afgeschoten been was zonder veel aandacht naast het lichaam gelegd. De familie besloot dat er een nieuwe kist moest komen en dat deze voorgoed gesloten moest blijven.

Enige op de kist neergelegde zilveren lauwerkransen en palmtakken zijn op de nieuwe kist neergelegd. De linten van de in de kelder neergelegde kransen worden aan de wand van de kelder bewaard.

Na zijn dood[bewerken]

Het monument in de Nieuwe Kerk

Michiel de Ruyter liet een groot vermogen na. Hij bezat bij zijn dood ongeveer 350.000 gulden dat voor het overgrote deel goed belegd was geweest. Een legaat van 4000 gulden was voor de weeshuizen in Amsterdam en Vlissingen. Een kapitein ontving in 1667 dertig gulden loon per maand. De Ruyter heeft zijn kapitaal voor een belangrijk deel vergaard door het slim inkopen van proviand. Voor die kosten ontving hij van de admiraliteit per bemanningslid een vast bedrag. Wat over bleef, behield hij.

Michiel de Ruyter trouwde driemaal en had vijf dochters en twee zonen. Eén zoon en twee dochters stierven op jonge leeftijd. De andere zoon, Engel de Ruyter, zou vice-admiraal worden. Engel bleef ongehuwd. De geslachten die "De Ruyter" in hun geslachtsnaam voeren (De Ruyter de Wildt, De Ruyter van Almonde en De Ruyter van Steveninck) stammen af van Michiels dochters Alida Potts - De Ruyter en Marghareta Somer - De Ruyter. Er zijn geen afstammelingen van Michiel de Ruyter die uitsluitend "De Ruyter" als geslachtsnaam hebben.

De bijnaam "Bestevâer" werd De Ruyter door zijn matrozen gegeven. De Ruyter wordt beschouwd als een streng maar rechtvaardig kapitein en een goed zeeman. Hij zorgde goed voor zijn bemanning en poogde zijn verplichtingen zo gewetensvol mogelijk na te komen. Zijn driftige natuur speelde hem in zijn gezagsuitoefening en in de omgang met andere officieren soms parten wanneer hij meende dat die zich schuldig maakten aan opzettelijke ongehoorzaamheid; in het midden van de 17e eeuw was de discipline op zee een stuk lakser dan aan land. In het gevecht was De Ruyter juist erg voorzichtig en vermeed onnodige risico's.

Twee van de door Michiel de Ruyter bewoonde huizen bestaan nog; Nieuwstraat 13 te Vlissingen en Prins Hendrikkade 131 Amsterdam. In dit laatste huis woonde Michiel de Ruyter ten tijde van zijn overlijden.

Eerbewijzen[bewerken]

Het beeld van Michiel de Ruyter in Vlissingen. Het gietijzeren beeld werd geplaatst op het De Ruyterplein in 1841. In 1894 werd het verplaatst naar zijn huidige plek op het Keizersbolwerk. Het beeld is van de hand van Louis Royer.
  • De Ruyter werd bij zijn dood in heel Europa als de grootste admiraal van zijn tijd gezien. Hij werd tijdens zijn loopbaan door de admiraliteiten van de Republiek en door vreemde vorsten onderscheiden. In Denemarken werd hij in de adelstand verheven (baron, 1660) en in Spanje werd hij postuum "Hertog de Ruyter". Bovendien ontving hij drie gouden Ambassadeurspenningen aan zware gouden kettingen. Deze Beloningspenningen werden door de Staten-Generaal uitgereikt na gewonnen zeeslagen. Daarnaast waren er geschenken, zoals pensioenen, een in diamanten gevat portret van de Franse koning, een gouden sabel, een gouden beker en een atlas van Blaeu.
  • In 1666 eerde de Franse koning, naar aanleiding van zijn dappere optreden tijdens de Vierdaagse Zeeslag, De Ruyter met de Franse Orde van de Heilige Michaël. Deze droeg hij sindsdien op alle afbeeldingen.
  • Ook het grote, door de Staten-Generaal aangeboden, marmeren monument boven de grafkelder in de Nieuwe Kerk is een eerbetoon aan De Ruyter. Het monument kreeg de plaats waar ooit het hoogaltaar stond.
  • Vanaf eind 18e eeuw heeft de Nederlandse vloot zijn admiraal geëerd door steeds een van de grotere oorlogsbodems naar hem te vernoemen (zie het overzicht). Wanneer vreemde oorlogsschepen Amsterdam aandoen, legt de bemanning vaak een krans op het graf van admiraal De Ruyter.
  • Matrozen van de Koninklijke Marine dragen op hun tenue een zogenaamde rouwdas. De knoop heeft geen uitstekende punten zoals matrozenknopen bij andere marines. Deze rouwdas is een teken van rouw om het sterven van admiraal De Ruyter.
  • Van het vlaggenschip van De Ruyter, De Zeven Provinciën, wordt op de Bataviawerf in Lelystad een replica gebouwd.
  • In Hellevoetsluis is er het Ruyterhuis.
  • In 1907, 1957 en 2007 verschenen publicaties met overzichten van het nageslacht van De Ruyter. Om de uitstervende naam De Ruyter te behouden, werden in elk geval twee familienamen aangevuld, te weten De Wildt tot De Ruyter de Wildt en Van Steveninck tot De Ruyter van Steveninck.
  • In het autobiografische Sint Sebastiaan van Simon Vestdijk wordt de viering van de 300e geboortedag van Michiel de Ruyter beschreven. De jongetjes dragen bij die gelegenheid matrozenpakjes.
  • Vanaf 1970 prijkte Michiel de Ruyter op het biljet van honderd gulden (bruin). Het werd in 1977 ingeruild voor een biljet met een snip.
  • Michiel de Ruyter prijkte in 1907 op de eerste Nederlandse herdenkingspostzegels. In dat jaar werd ook een "De Ruyter-medaille" ingesteld. In de Tweede Wereldoorlog was een zegel van 7½ cent met zijn portret de meest gebruikte postzegel. De Duitse bezetters probeerden de propagandische waarde van de niet opvallend Oranjegezinde en vaak tegen Engeland strijdende zeeheld uit te buiten. Ook in 1957 verschenen De Ruyterzegels.
  • Naar aanleiding van de 300e sterfdag van De Ruyter in 1976 vonden in de tijdgeest van de jaren zeventig bescheiden herdenkingen plaats. Er werden een postzegel en een penning uitgegeven en er werd aandacht aan hem geschonken door middel van tentoonstellingen, plechtigheden en programma's op radio en televisie. Min of meer toevallig werd op 29 juni van datzelfde jaar een geleide-wapenfregat dat naar Michiel de Ruyter vernoemd was in dienst gesteld. Dat gebeurde in aanwezigheid van Koningin Juliana.
  • Het jaar 2007 was het Michiel de Ruyterjaar, ter ere van de 400e geboortedag van Michiel de Ruyter. Van maart tot december werden tal van activiteiten georganiseerd, met als hoogtepunt een internationale vlootschouw voor de rede van Vlissingen, onder 'toeziend oog' van het standbeeld van De Ruyter dat uitkijkt over de Westerschelde. Het standbeeld is in 2011 gerestaureerd.
  • Op 24 november 2007 werd de planetoïde (12150) De Ruyter naar hem vernoemd. De planetoïde heeft een doorsnede van circa 15 km en draait tussen de planeten Mars en Jupiter, op een gemiddelde afstand van 448 miljoen km om de zon. Planetoïde (12150) De Ruyter doet iets meer dan vijf jaar en twee maanden over een volledige omloop.
  • In Debrecen staat een standbeeld van Michiel de Ruyter, dat herinnert aan de bevrijding van de Hongaarse predikanten/galeislaven.
  • In 2012 maakte regisseur Roel Reiné bekend plannen te hebben voor een film over Michiel de Ruyter. Het budget voor het project bedraagt acht miljoen euro. De opnames vinden in 2014 in Nederland plaats.

De Ruyter in de liedkunst[bewerken]

In een blauw geruite kiel[bewerken]

door A.L. De Rop - overigens heeft De Ruyter Indië nooit bezocht

In een blauw geruite kiel
draaide hij aan't grote wiel
de ga-a-a-anse dag.
maar Michieltjes jongenshart
leed ondragelijke smart
ahach, ahach, ahach.
Als matroosje vlug en net
Heeft hij voet aan boord gezet
Dat hoorde zo.
Naar Oostinje, naar de West
Jongens, dat gaat opperbest!
Hojo, hojo, hojo, hojo!
Daar staat Hollands admiraal
Nu een man van vuur en staal
De schrik der zee.
't Is een Ruiter naar den aard
Glorierijk zit hij te paard!
Hoezee, hoezee, hoezee, hoezee!

Lofdicht door Gerard Brandt[bewerken]

Aenschouw den Heldt, der Staeten rechterhandt,
Den redder van 't vervallen vaderlandt,
Die in een jaer twee groote koningkryken,
Tot driemael toe de trotse vlag deedt strijken;
Het roer der vloot, den arm daer Godt door streê,
Door hem herleef de vrijheit en de vreê.

Trivia[bewerken]

  • Een gedenknaald van De Ruyter in het stadscentrum van het Hongaarse Debrecen herinnert eraan dat hij in 1676 zesentwintig Hongaarse gereformeerde dominees uit de slavernij bevrijdde die door de Oostenrijkse keizer tot de galeien waren veroordeeld.
  • Op het in 1970 uitgegeven bankbiljet van 100 gulden stond de afbeelding van De Ruyter.
  • In 2004 eindigde Michiel De Ruyter op nr. 7 bij de verkiezing van De grootste Nederlander.
  • Hij speelde een belangrijke rol in het Gilles de Geusstripalbum "De 7 Provinciën".
  • In 2005 werd De Ruyter's scheepsjournaal over de expeditie naar Afrika en Amerika in 1664 en 1665, door de Linschoten-Vereeniging heruitgegeven.
  • In maart 2007 verscheen "Het geheim van Michiel de Ruyter", een stripverhaal over het leven en de persoonlijkheid Michiel de Ruyter, getekend door Marc Verhaegen
  • In 2007 werd tijdens het Michiel de Ruyterjaar uitgebreid aandacht besteed aan de zeeheld. Dat leidde tot meer historisch onderzoek, waarbij Ivo van Loo van het Zeeuws Archief beweerde ontdekt te hebben dat De Ruyter in 1635 als naam 'Trouwhand' voerde. Enkele weken later bleek uit vervolgonderzoek van Van Loo in het Nationaal Archief dat 'Trouwhand' werd gebruikt door een andere Michiel de Ruyter, uit Kortemark.
  • In Valkenburg aan de Geul is een café dat de naam draagt van Michiel de Ruyter.
  • In IJmuiden/Velsen heet een scoutinggroep Michiel Adriaenszn de Ruyter[5]
  • In Woerden heet een zeeverkennersgroep Michiel de Ruyterwacht.
  • In het zuidwesten van Madison County (New York) is een gemeente met de naam DeRuyter[6]
  • Sinds 17 mei 1995 bouwt men op de Bataviawerf in Lelystad een replica van De Ruyters vlaggenschip "De Zeven Provincieën"
  • De kist van De Ruyter is eind jaren '50 voor het laatst geopend door familie. Volgens een aanwezige, verteld in 2008, ligt De Ruyter er niet mooi bij: de balseming was een haastklus en het afgeschoten been en de voet lijken er losjes bij gegooid.
  • Lelievlet 821 is vernoemd naar Michiel de Ruyter
  • De roei- en kanovereniging in Uithoorn heet Michiel de Ruyter.
  • In 2010 fuseerden het Ziekenhuis Walcheren en het Oosterscheldeziekenhuis tot het Admiraal de Ruyter Ziekenhuis met vestigingen in Goes, Vlissingen, Middelburg en Zierikzee.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Marokko door Nederlandse ogen 1605-2005, Abdelkader Benali en Herman Obdeijn, 2005, p. 76
  2. Gerard Bradt in "Het leven en bedrijf van de Heere Michiel de Ruyter, Hertog, Ridder en Luitenant-Admirael-Generael van Hollant en West Frieslandt" 1687
  3. In een bewaard gebleven brief heeft Huygens zijn ontevredenheid over deze opdracht uitgesproken. Hij voelde zich te verheven om bij de begrafenis van een zeeman aanwezig te zijn.
  4. De bronnen spreken elkaar tegen. In het tijdschrift Elsevier werd door een in 1949 aanwezig familielid gemeld dat het lichaam geheel bruin was, "als gelooid leer", en dat het gezicht nog goed herkenbaar was.
  5. Website scoutinggroep Michiel Adriaenszn de Ruyter
  6. http://www.deruyternygov.us/id5.html
Etalagester
Etalagester Dit artikel is op 10 augustus 2007 in deze versie opgenomen in de etalage.