Stadhouder

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Maurits van Oranje (1567-1625) is een van de bekendste stadhouders in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Stadhouder was de titel van een van de belangrijkste functionarissen in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De titel werd door de hertog van Bourgondië ingevoerd in de Bourgondische Nederlanden.

Rol van de stadhouder[bewerken]

Oorspronkelijk was de stadhouder een edelman die namens de landsheer bij diens afwezigheid in één of meerdere gewesten voor hem het gezag uitoefende. Eerst kwam dit alleen bij uitzondering voor, maar het Bourgondische Huis verwierf in de vijftiende eeuw steeds meer grondgebied en kreeg wegens die uitgebreidheid behoefte aan permanente plaatsvervangers. Stadhouders hadden zitting in de Raad van State, konden de gewestelijke staten bijeenroepen en zaten het rechtscollege voor.

De hertog van Bourgondië Filips de Goede benoemde op 22 mei 1448 zijn raadsheer-kamerling Jan III van Lannoy tot stadhouder van de graafschappen Holland, Zeeland en Friesland. In de officiële akte wordt gesproken over "notre lieutenant en nosdiz pais, contez et seignouries de Hollande, Zellande et Frise". De functie van 'lieutenant' werd in Holland in de Nederdietse stukken weergegeven als 'stedehouder', naar 'lieu' = plaats, 'tenant' = houdend. Daarvoor werd gesproken over 'raad' of 'gouverneur'. Sinds 1452 werd het woord generael aan de functie toegevoegd.[1]

Vanaf de tweede helft van de 15e eeuw werd in ieder geval in Holland en Zeeland in de grafelijke rekeningen niet meer gesproken over de 'stadhouder van de vorst', maar over de 'stadhouder van een gewest'. In die laatste hoedanigheid werd bijvoorbeeld Joost van Lalaing aangesproken die daar in de periode 1480-1483 stadhouder was. In de steden werd die aanpassing al eerder doorgevoerd.[2]

In de Middeleeuwen was er nog geen sprake van een eenduidige taakomschrijving. Dat veranderde in de eerste helft van de 16e eeuw met keizer Karel V. Hij en landvoogdes Maria van Hongarije kwamen met een duidelijk omschreven takenpakket, vooral bedoeld om de invloed van de stadhouder te beperken.

Stadhouders in de Nederlanden[bewerken]

Met het Plakkaat van Verlatinghe in 1581 werd de landsheer afgezworen. Daardoor was de functie in feite overbodig geworden. Toch werd besloten hem in ere te houden. De reden was dat men de belangrijkste aanvoerders van de opstand, onder wie Willem van Oranje, een hoofdfunctie in de uitvoerende macht wilde geven, zonder ze tot landheer te laten uitgroeien. Willem was overigens al in 1572 door de Staten van Holland eigenmachtig tot stadhouder van de provincie Holland benoemd.

Officieel was de stadhouder een ambtenaar en bleef de volledige macht, uitvoerend en wetgevend, in handen van het bestuur van iedere provincie. In de praktijk trok de stadhouder grote persoonlijke macht naar zich toe. Op gewestelijk niveau droeg hij vaak de leden van de vroedschappen van steden voor en wist zo zijn eigen volgelingen in de meest fundamentele besluitvormende organen te benoemen. In Zeeland was hij de eerste edele en daarmee lid van de Staten van die provincie.

Willem van Oranje was stadhouder van Holland en Zeeland, en zijn zoon Maurits volgde hem op zijn achttiende verjaardag op als stadhouder van Holland en Zeeland.[3] Maurits werd opgevolgd door zijn halfbroer Frederik Hendrik.

Op provinciaal- en vaak ook op generaliteitsniveau oefende de stadhouder de hoogste militaire functies uit: als kapitein-generaal van het leger en admiraal-generaal van de vloot. De stadhouders voeren nooit mee met de vloot, maar als admiraal-generaal waren ze wel opperbevelhebber. Officieren tot een bepaalde rang werden door hen benoemd.

In 1618 pleegde stadhouder Maurits van Oranje een militaire staatsgreep, de zogenaamde Wetsverzetting, en liet raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt executeren. In 1650 probeerde stadhouder Willem II van Oranje eveneens met geweld de macht te grijpen. Een gewapende aanval met het leger op Amsterdam mislukte echter.

Na zijn plotse dood in 1650 kende de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het Eerste Stadhouderloze Tijdperk, met uitzondering van de gewesten die onder de Friese stadhouder vielen. Die duurde tot in 1672, toen in dat Rampjaar in de andere provincies opnieuw behoefte ontstond aan die functie.

In 1702 overleed stadhouder Willem III van Oranje-Nassau kinderloos. Omdat er geen opvolger in directe lijn was, ging de Republiek (wederom met uitzondering van de gewesten die onder de Friese stadhouder vielen) het Tweede Stadhouderloze Tijdperk in. Daaraan kwam een einde toen, nadat een Franse militaire inval een politieke en militaire crisis veroorzaakt had, steeds meer gewesten de Friese stadhouder als de hunne benoemden.

Pas vanaf 1747 had de Republiek één stadhouder, Willem IV van Oranje-Nassau, die daarvoor van Leeuwarden naar 's-Gravenhage verhuisde. In 1747 werd het stadhouderschap erfelijk verklaard in de vrouwelijke lijn. In feite verschilde de politieke situatie niet veel van een monarchie, hetgeen verzet opriep. Met de inval van Frankrijk in 1795 en de vorming van de Bataafse Republiek kwam er een einde aan het tijdperk der stadhouders.

Luitenant-Stadhouder[bewerken]

Soms werd er een luitenant-stadhouder aangesteld als plaatsvervanger van de stadhouder. Caspar de Robles in de jaren 1568-1573 is daar een voorbeeld van. Hij diende onder de stadhouders Arenberg, Megen en Karel van Berlaymont van respectievelijk Friesland, Stad en Lande en Landschap Drenthe.[4]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Damen, Mario; (2000) De staat van dienst: de gewestelijke ambtenaren van Holland en Zeeland in de Bourgondische periode (1425-1482), Verloren, Hilversum, p. 577-578
  2. Damen, Mario; (2000) De staat van dienst: de gewestelijke ambtenaren van Holland en Zeeland in de Bourgondische periode (1425-1482), Verloren, Hilversum, p. 56
  3. A. Th. van Deursen blz. 28
  4. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (NNBW). Deel 19, blz. 819-820 s.v. ROBLES (Caspar de) (1911-1937)