Horatius

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Icoontje doorverwijspagina Zie Horatius (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Horatius.
Fantasieportret van Horatius, van de hand van Anton von Werner (1843-1915)

Quintus Horatius Flaccus (Venusia, 8 december 65 - Rome, 27 november 8 v.Chr.) was een Romeins dichter.

Leven[bewerken]

Horatius werd geboren op 8 december 65 v.Chr. Zijn vader, Flaccus, was een vrijgelaten gemeenteslaaf in de Romeinse kolonie Venusia, nu Venosa gelegen langs de Via Appia, op de grens tussen Apulië en Lucanië. De vader van Horatius bezat enig land[1] en had in korte tijd een behoorlijk vermogen vergaard[2] met het ontvangen van heffingen.[3] Horatius' moeder is niet bekend, waarschijnlijk stierf ze bij of kort na zijn geboorte, want zij wordt nooit in zijn werken vermeld. Hoewel Horatius een man van de wereld was, was hij niet ambitieus voor publieke erkenning.[4] Horatius was vooral geïnteresseerd in het verbeteren en hervormen van de Latijnse poëzie.[4]

Van lichaamsgestalte was Horatius klein en dik, zoals hij door zichzelf in zijn satiren wordt beschreven, en door Augustus in deze brief: Onysius bracht mij jouw boekje. Ik ben er heel tevreden over, ook al vind ik het jammer, dat het zo klein is. Je wekt bij mij de indruk, dat je bang bent, dat jouw boekjes groter zijn dan jij zelf bent. Maar jij mist lengte, geen omvang. Je mag dus best (in sextariolo?) [in de breedte] schrijven; dan wordt de omtrek van jouw boekrol ogkwdestatoj [zeer kolossaal], zoals die van je buik.[3]

Op zijn tiende ging hij met zijn vader naar Rome. Daar kreeg hij een uitstekende opvoeding, zoals normaal alleen de zonen van patriciërs of senatoren die kregen. Zijn leermeester in Rome was Orbilius.[4] Orbilius gebruikte graag zweepslagen om te zorgen dat zijn studenten Livius zouden bestuderen.[5] In 45 v.Chr. ging hij naar Athene, om zich er te verdiepen in de Griekse cultuur en de wijsbegeerte. Horatius ging grammatica en retorica volgen. Hij studeerde tevens filosofie in Athene waarvoor hij onder andere luisterde naar de lezingen van Cratippus van Pergamum.[5] Dit dus allemaal dankzij zijn vader.[6] Daar ontmoette hij Marcus Brutus, die pas Caesar had vermoord en daar jonge Romeinse soldaten aan het ronselen was voor de strijd tegen Octavianus en Antonius. Hij nam het voorstel zich bij hen aan te sluiten aan en werd tot krijgstribuun in het leger van Brutus benoemd. Hiervoor moest hij echter zijn studie onderbreken.[5] Hij nam deel aan de veldslag bij Philippi in 42 v.Chr., waar Octavianus en Antonius een overwinning behaalden op Brutus.

Na deze overwinning kon Horatius dankzij amnestie ontkomen en vertrok hij naar Italie. Hij kreeg na het debacle van Philippi een functie als stafofficier. Hij vestigde zich uiteindelijk in Rome, want het land van zijn vader was onteigend toen die was gestorven. Toen hij overleed, verkeerde hij in het kamp van de verliezers. In Rome kreeg hij een goede baan op het ministerie van Financiën.[6] Als geletterd man ging hij bij de schatkist werken als klerk (scriba quaestorius), maar heel tevreden was hij niet met dit beroep. In deze periode schreef hij zijn eerste poëzie. Horatius schiep een nieuw genre, de levensbeschouwelijke brief in dichtvorm.[7] Zijn eerste dichtwerk was een bundel gedichten, een boekrol met tien Satiren. Deze boekrol is uitgebracht toen Horatius dertig jaar oud was. De Satiren gingen over morele en maatschappelijke kwesties, waarbij Horatius zich voordoet als een man van het midden. Een voorbeeld uit de Satiren: Geniet, maar drink met mate, zorg ervoor dat je seksueel aan je trekken komt, maar vermijd hoeren en gehuwde vrouwen, wees tegenover je lezers bot noch onderdanig. [6] Lange tijd polijstte hij zijn gedichten (limae labor, ‘het werk van de vijl’) voordat hij ze publiceerden.[8] Horatiuces zelf zegt, dat de Satiren geen gedichten zijn, het is genoemd: een gedicht dat een inspiratie nodig heeft en een stem met sublieme geluiden. De moeilijkheid van de taal heeft Horatius opgedaan in wijze gesprekken in zijn school carrière en studietijd. Het uit en representeert dan ook de gedachten van een elegante, zeer geleerde man van de wereld.[7]

Horatius van Adalbert von Roessler, ca. 1922

Ook schreef Horatius Epode, uit Iambische disticha bestaande. Deze werden 30 v. Chr gepubliceerd. De gedichten werden door Horatius zelf Iambi genoemd. Het waren vooral ook Iambische verzen. Iambische verzen zijn verzen waarbij een lange regel afgewisseld wordt met een korte regel.[9]

Horatius leverde dus in zijn werken veel kritiek. Zijn grootste werk in het geven van literaire kritiek is het Ars poetica.[9]

Zijn literair talent werd snel opgemerkt, en rond 38 v.Chr. werd hij opgenomen in de literaire kring rond Maecenas nadat hij door Vergilius met hem in contact was gebracht.[2] Maecenas schonk de dichter Horatius 33 v.Chr. een villa inclusief een groot landgoed in de bergen in de buurt van de Tiber.[8] Daar zou hij zich bijna voor de rest van zijn leven bezighouden met zijn poëzie. Men kan nog steeds zijn huis zien bij het kleine bos van Tibur.[3] Toen in 19 v.Chr. Vergilius en Rufus, twee van zijn beste vrienden, stierven, bleef hij ontroostbaar achter als enige van een grote generatie dichters.

In het jaar 17 voor Christus[1] kreeg Horatius de eer om de officiële Hymne te mogen schrijven voor het door Augustus ingestelde eeuwfeest Carmen Saeculare (een Hymne is een verheven lofzang op een bepaald onderwerp).[6] Door een koor van 27 jongens en 27 meisjes werd dit gezongen.[8]

In zijn werk is Horatius veel beïnvloed door Griekse voorbeelden (vooral door de archaïsche dichters zoals Archilochus van Paros, Alcaeus van Mytilene en Sappho van Lesbos). Maar vooral door zijn eigen inspiratie, op inhoudelijk en op stilistisch vlak, laat hem ver boven het niveau van de imitator uitsteken. Vooral in de ‘vorm’ is hij zeer geleerd. Horatius’ stijl onderscheidt zich door een grote afwisseling, van ernstig en plechtig taalgebruik tot bijna onbeduidende spreektaal. Het woordgebruik is erg precies en daardoor past de formulering steeds perfect.[10]

Tijdens zijn leven werden Horatius' werken gewaardeerd. Nog voor hij stierf, werden zijn Carmina, liederen, een schooltekstboek. Hij had toen weinig navolgers om zijn lyrische vormen na te doen. Tijdens de Middeleeuwen is Horatius ijverig bestudeerd, zowel in als buiten de scholen. In de Middeleeuwen was Horatius vooral populair met zijn moraliserende Sermones en Epistulae. De Carmina werden toen niet zoveel gelezen, hoewel een Duitse geleerde een componist ertoe aanzette om 19 oden op muziek te zetten, zodat de studenten ze elke dag konden zingen aan het eind van de lessen.[11]

In 8 v.Chr. stierf Maecenas. Horatius overleed negenenvijftig dagen na de dood van Maecenas, en werd 57 jaar 27 november 8 v.Chr.. Hij benoemde Augustus tot erfgenaam, in het publiek, omdat hij door zijn ziekte niet meer in staat was een testament te ondertekenen. Hij is begraven en bijgezet aan de rand van de Esquilinus, naast de grafheuvel van Maecenas en liet zijn bezittingen aan de keizer na.[12]

Werk[bewerken]

Gedicht van Horatius op een muur in Leiden
  • Epodae (Epoden, 41-30 v.Chr.): in navolging Griekse dichters probeert Horatius zijn gevoelens van onbehagen en rancune een plaats te geven door er gedichten aan te wijden. De Epoden gaan onder andere over de rust van het landleven en de ellende van de burgeroorlogen. Het werk bevatte 17 Epoden, agressieve Jambische gedichten in de traditie van Archilochus van Paros (Archilochus was een Grieks dichter van spotdichten.). Na zeeslag Actium in het jaar 31, publiceerde Horatius dit boek.[8]
  • Sermones (Satiren, 35-30 v.Chr.): in navolging van de Romeinse dichter Lucilius stelt hij met milde spot in gesprekken (Lat.: sermones) dwaasheden en fouten van het Romeinse volk aan de kaak. Dit was het tweede boek wat Horatius maakte.[7]

Mensen en toestanden worden hierin door de dichter op kritische wijze, maar zonder bijtend cynisme onder de loep genomen. Hij leverde literaire kritiek en kritiek via bijvoorbeeld schilderijen van menselijke gebreken, zoals eer en geldzucht[8]

  • Carmina (Oden, vanaf 30 v.Chr.): in navolging van de Griekse lyrici, vooral Alcaeus en Sappho, verwerkt hij allerlei onderwerpen in korte, lyrische gedichten. Het werk bestond uit drie boeken en verscheen in het jaar 23.[6] Horatius probeerde met zijn Carmina, liederen, de oudere Griekse lyriek een plekje te geven in de Romeinse Poëzie en, uitgaande van deze klassieke oude vormen, in het Latijn gelijkwaardige werken te pubiceren. Hoofdthema’s in deze gedichten/liederen zijn liefde, wijn, feestvreugde en de positieve periodes van Augustus’ regering.[9]
  • Epistulae (20 en 14 v.Chr.): net als in de Sermones bekritiseert hij de volkse dwaasheden, alleen minder scherp. In de Epistulae spreekt Horatius van menselijkheid en zijn levenswijsheid.[9] In de laatste 12 jaar van zijn leven is dit werk gemaakt, de exacte datum is niet zeker.[9] Als antwoord op Augustus’ beroep, schreef hij hem een brief, het eerste deel van het tweede boek van Epistulae. Hij begint met een protest tegen degenen die niet het positieve inzien van de moderne tijd.[9] Het eerste boek bevat 19 brieven in hexameters.[1]
  • Ars poetica (12 v.Chr.): ook bekend als de Epistula ad Pisones, een leerdicht over het schrijven van poëzie. De datering hiervan is omstreden.[2]
  • Carmen saeculare (17 v.Chr.): het Eeuwgedicht dat Horatius schreef voor het eeuwfeest dat aanvang juni 17 v.Chr. in Rome gevierd werd. Het Carmen saeculare bestaat uit negentien strofen van vier verzen (totaal: 76 verzen); de dichter richt zich tot Apollo en Diana. Het Eeuwgedicht werd gezongen door koren van jongens en meisjes.

In zijn werken zijn duidelijk invloeden van het epicurisme merkbaar.

Oden Horatius lyriek (vooral in de Oden) kan niet worden begrepen apart van zijn relatie met de Griekse traditie. Een kenmerk van de relatie met Horatius en de Griekse lyriek, is dat hij vaak begint met een saai stuk. Dit moet dan dienen als het ‘motto’ van de tekst.[9]

De Soracte-ode[bewerken]

De Soracte-ode is een gedicht waarin Horatius een zekere Thaliarchus aanspoort om bij de dag te leven en ervan te genieten.

Latijnse tekst:
Vides ut alta stet nive candidum
Soracte, nec iam sustineant onus
silvae laborantes, geluque
flumina constiterint acuto?
Dissolve frigus ligna super foco
large reponens atque benignius
deprome quadrimum Sabina,
o Thaliarche, merum diota.
Permitte divis cetera, qui simul
stravere ventos aequore fervido
deproeliantes, nec cupressi
nec veteres agitantur orni.
Quid sit futurum cras, fuge quaerere et
quem Fors dierum cumque dabit, lucro
appone, nec dulces amores
sperne, puer, neque tu choreas,
donec virenti canities abest
morosa. Nunc et Campus et areae
lenesque sub noctem susurri
composita repetantur hora,
nunc et latentis proditor intimo
gratus puellae risus ab angulo
pignusque dereptum lacertis
aut digito male pertinaci
Nederlandse vertaling:
Zie je hoe de Soracte blinkend wit
door de diepe sneeuw staat, en (hoe) de zwoegende bossen
de last niet meer kunnen dragen,
en de rivieren bevroren zijn door de felle vorst?
Verdrijf de koude, doordat je rijkelijk hout
op de haard gooit en haal overvloediger
vier jaar oude onvermengde wijn te voorschijn.
Oh Thaliarchus, uit Sabijnse kruik.
Laat de rest aan de goden over; zodra zij
de winden die vechten op de bruisende zee,
tot rust hebben gebracht, worden noch de cipressen
noch de oude essen hevig geschud.
Wat er morgen zal zijn, wil dat niet vragen en
boek als winst welke ook maar van de dagen het Lot zal geven,
en versmaad jij, als jongen, niet de zoete liefde
en ook niet de koordansen,
zolang als het lastige grijze haar afwezig is (bij jou),
in de kracht van je leven (lett: die krachtig bent). Laten nu het Marsveld en de pleinen
en het zachte gefluister tegen de nacht
worden opgezocht op het afgesproken uur.
en nu (laat ook) het aangename gelach, dat haar verraadt, van het meisje dat zich verbergt vanuit
een verborgen hoekje (opgezocht worden)
en het onderpand, ontnomen aan haar armen
of aan de vinger die nauwelijks tegenstribbelt.
Carpe Diem[bewerken]
Latijnse tekst:
Tu ne quaesieris - scire nefas - quem mihi, quem tibi
finem di dederint, Leuconoe, nec Babylonios
temptaris numeros. Ut melius, quidquid erit, pati!
Seu plures hiemes seu tribuit Iuppiter ultimam,
quae nunc oppositis debilitat pumicibus mare
Tyrrhenum, sapias: vina liques et spatio brevi
spem longam reseces. Dum loquimur, fugerit invida
aetas: carpe diem, quam minimum credula postero.
Nederlandse vertaling:
Onderzoek niet, het is goddeloos om het te weten, welk einde de goden aan mij, welk aan jou
hebben gegeven, Leuconoë, en raadpleeg ook niet de berekeningen
van de Babyloniërs. Hoeveel beter is het, wat het ook maar zal zijn, te dragen!
Hetzij Jupiter meer winters, hetzij hij deze als laatste toedeelt,
die de Tyrreense Zee nu met er tegenover gelegen rotsen verzwakt,
moge je wijs zijn: moge je de wijn zeven en op korte termijn
lange hoop snoeien. Terwijl wij praten zal de afgunstige tijd al gevlucht zijn
Pluk de dag, zo min mogelijk vertrouwend op de volgende (dag).

Noten[bewerken]

  1. a b c Gerbrandy 160-165
  2. a b c koxkollum.nl
  3. a b c Rose 264-265
  4. a b c Conte 292-293
  5. a b c d e Boek 'Het feest van Saturnus' van Piet Gerbrandy, Amsterdam, 2007. Pagina’s 169-178.
  6. a b c Boek 'Latin Literature' van Gian Biaggio Conte, 1987 (vertaald door Joseph B. Solodow in 1994), editie uit 1999. Pagina’s 292-320.
  7. a b c d e f g Boek 'A Handbook of Latin Literature' van H.J. Rose, London 1936, oplage uit 1991 van de herziene en uitgebreide uitgave uit 1966. Pagina’s 264-285.
  8. encyclopus.nl
  9. oudeverhalen.nl
  10. koxkollum.nl

Externe links[bewerken]

Wikisource NL Meer bronnen die bij deze auteur horen, kan men vinden op de pagina Horatius op de Nederlandstalige Wikisource.