Grote brand van Londen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
De grote brand naar Jan Griffier; men ziet St Paul's tegen een achtergrond van vlammen
De grote brand naar Jan Griffier; men ziet St Paul's tegen een achtergrond van vlammen
De eerste dag
De eerste dag
De tweede dag
De tweede dag
De derde dag
De derde dag

Onder de Grote brand van Londen verstaat men de brand die drie dagen door de City van Londen woedde vanaf 2 september 1666 Juliaanse kalender, 12 september Gregoriaanse kalender, en die een belangrijk deel van de stad verwoestte. De vernietigde oppervlakte bedroeg anderhalve mijl in het vierkant, met 87 kerken en 13.200 huizen. Verbazingwekkend genoeg vermelden de annalen slechts negen tot zestien slachtoffers.

Inhoud

[bewerk] Verloop van de brand

De brand begon in Pudding Lane, in het oosten van de stad, in het huis van Thomas Farrinor of Farriner, de bakker van koning Karel II. Volgens veel schrijvers ontstond de brand doordat Farrinor had vergeten het vuur in zijn oven te doven voor hij naar bed ging. Kort na middernacht zouden smeulende asresten een stapel hout in brand gezet hebben. Hijzelf beweerde echter dat het vuur in zijn benedenhuis ontstaan was. Farrinor werd rond één uur door de brand wakker. Hij wist met zijn gezin te ontsnappen via een bovenraam. De meid van de bakker durfde echter niet over het dak, viel terug in de zolder en werd het eerste slachtoffer.

Binnen een uur na het ontstaan van de brand werd de burgemeester, Sir Thomas Bludworth, wakker gemaakt en op de hoogte gesteld. Na het vuur met eigen ogen te hebben aanschouwd, verklaarde hij dat het om een kleinigheid ging ('A woman might piss it out') en ging weer slapen.

De meeste gebouwen in Londen waren destijds uit brandbaar materiaal opgetrokken, zoals hout en stro. De overbevolkte stad had nog grotendeels een middeleeuws karakter. Daarbij was de zomer erg heet en droog geweest. De rondvliegende vonken werden aangewakkerd door een felle oostenwind, waardoor naastliggende panden vlam vatten en de brand zich zeer snel uitbreidde. Daarbij kwam dat de huizen zeer dicht opeen stonden en de straten zeer smal waren waardoor het vuur eenvoudig kon overslaan.

Samuel Pepys, secretaris van de admiraliteit, deed uitgebreid verslag van de brand in zijn bewaard gebleven dagboek. Hij was het ook die de koning als eerste verslag deed van de brand en volmachten kreeg voor de burgemeester om door het omtrekken van huizen brandgangen te maken. Het vuur werd de eerste dag echter onvoldoende serieus genomen en wist zich zo in westelijke richting langs de noordoever van de Theems door een strook van zeshonderd meter lang en tweehonder meter breed heen te vreten. Hier bevonden zich vele pakhuizen met brandbaar materiaal. Met moeite werd voorkomen dat de brand via de huizen op London Bridge de zuidelijke oever bereikte.

De tweede dag breidde de brand zich fors uit. Langs de noordoever lag het in de avond nog maar een honderd meter van de westelijke stadsmuur, zodat de bestrijders van het vuur afgesneden waren van de enige bron van water. Het kroop echter ook tot achthonderd meter noordwaarts de hellingen op en ging zich van daaruit weer in westelijke richting verbreiden door de nog in kracht aanwakkerende oosterbries.

De derde dag was er geen houden meer aan. Tienduizenden sloegen in paniek op de vlucht. In het noorden verteerde het vuur alles tot aan de stadsmuur. In het oosten werd het schootsveld van de Tower of London bereikt. Een zone in het noordoosten van de stad was alles wat gespaard bleef voor de vlammen, want in het westen sloeg het vuur zelfs over de stadmuur heen tot aan de gronden van het Palace of Whitehall en kon slechts door het met buskruit opblazen van hele straten een halt toegeroepen worden. Er ontstond een vuurstorm met als centrum de heuvel waarop de oude St Paul's Cathedral stond waarvan het silhouet urenlang sinister tegen een tweehonderd meter hoge vuurkolom afstak totdat de muren van de machtige kathedraal door de hitte barstten en het bouwwerk als laatste van alle instortte.

Op de vierde dag doofde het vuur uit zichzelf bij gebrek aan brandstof. Nog weken was de grond onbegaanbaar door de resthitte en keldervoorraden steenkool en hout zouden nog vele maanden nasmeulen. Ruim 80% van de City was in as gelegd. Het aantal slachtoffers was volgens de officiële bronnen echter erg gering; slechts van een klein aantal individuen kon vastgesteld worden dat ze omgekomen waren. Er was echter geen burgerlijke stand of woonregister — alleen een Bill of Mortality waar mensen zelf overlijdensgevallen moesten melden — en de felle hitte kan velen verast hebben zonder identificeerbare resten achter te laten. De regering van Karel II deed er alles aan om een massahysterie te voorkomen en had er dus alle belang bij het aantal zo laag mogelijk voor te stellen.

[bewerk] Duiding van de brand

Zicht vanuit Bankside, prent van Claes Visscher
Zicht vanuit Bankside, prent van Claes Visscher

Opmerkelijk genoeg was de brand vele malen voorspeld. Het jaartal 1666 was immers als zodanig onheilspellend: het bevatte het Getal van het Beest, 666, en was in Romeinse cijfers een aflopende reeks: MDCLXVI. Nostradamus had in de 16e eeuw al voorzegd dat het juist Londen dat jaar slecht zou vergaan. In de jaren voor 1666 verschenen vele visioenboeken en almanakken die voor een brand waarschuwden.

Algemeen werd de brand geduid als een Godsoordeel, maar over wat Zijn toorn had opgewekt verschilden de meningen. De Royalisten waren ervan overtuigd dat een straf was voor de onthoofding van Karel I van Engeland. De katholieken en Quakers meenden dat hun vervolgd worden wel de diepere oorzaak zou zijn, terwijl de puriteinen dachten dat Londen als poel van zonde en verderf het lot van Sodom en Gomorra niet had kunnen ontlopen.

In 1666 was Engeland echter in oorlog met de Republiek en Frankrijk. Velen meenden dus een veel prozaïscher oorzaak te kunnen aanwijzen: de vijand zou de stad wel in brand hebben gestoken. De Nederlanders zagen de brand in ieder geval als een goddelijke vergelding voor de daden van de Engelsen in de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog, vooral voor het neerbranden, nog geen maand tevoren, van West-Terschelling door Robert Holmes. Joost van den Vondel dichtte:

Gy zwoert te water elk te stroopen:
Nu leght uw kroon in 't vier verzoopen

Al tijdens de brand werden verdachte buitenlanders opgejaagd en mishandeld. Men verzon in Engeland zelfs het verhaal dat Johan de Witt door buitenlandse agenten was benaderd om aan een brandstichting zijn fiat te geven maar dat deze dat van de hand had gewezen. Een geestelijk gestoorde en lichamelijk gehandicapte Fransman, Robert Hubert, werd een bekentenis gesuggereerd de brand gesticht te hebben; hij werd op 28 september 1666 gehangen.

Een gunstig gevolg van de brand was volgens sommigen de beëindiging van de pest die Londen daarvoor had geplaagd; anderen wijzen erop dat de allerarmsten juist buiten de stadsmuren woonden. Voor Londen betekende de brand een volledige verandering van architectuur. Van een houten Middeleeuwse stad werd het een moderne vroeg-18e eeuwse metropool; het zou lang duren voor het open terrein helemaal was opgevuld. Het verhaal dat de stad heel snel weer was opgebouwd, is een legende die door de Engelse regering was verzonnen. Twee bekende figuren waren betrokken bij de heropbouw van de city: de architecten Christopher Wren en Robert Hooke. Van eerstgenoemde architect is vooral bekend de nieuwe St Paul's Cathedral.

[bewerk] Literaire verwijzing

De grote brand in Londen is het decor van de laatste dagen van Baldassare Embriaco in De omzwervingen van Baldassare van Amin Maalouf.

[bewerk] Externe link


 
Persoonlijke instellingen