Joost van den Vondel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Joost van den Vondel
Portret van Vondel door Ph. Koninck, 1665
Portret van Vondel door Ph. Koninck, 1665
Algemene informatie
Geboren 17 november 1587, Keulen
Overleden 5 februari 1679, Amsterdam
Land Vlag van Nederland Nederland
Werk
Genre Poëzie
Bekende werken Gijsbrecht van Aemstel, Palamedes, Lucifer
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Joost van den Vondel (Keulen, 17 november 1587Amsterdam, 5 februari 1679) was een Nederlandse dichter en toneelschrijver wiens productie vele genres omvat, waaronder gelegenheidspoëzie, emblematiek, satires, hekeldichten, lofdichten en heldenepiek. Zijn grootste betekenis ligt echter in zijn dramatische werk, waarvan Gijsbrecht van Aemstel (1637) het bekendste is. De treurspelen Lucifer (1654), Adam in ballingschap (1664) en Noah (1667) vormen een trilogie over de zondeval van achtereenvolgens de engelen, de eerste mens en de eerste mensheid.

Levensloop[bewerken]

1587-1597: Geboorte tot vestiging in Amsterdam[bewerken]

Joost van den Vondel werd op 17 november 1587 in Keulen geboren als oudste van zeven kinderen van Joost van den Vondel en Sara Cranen. Zijn grootvader van moederszijde, de Antwerpenaar Peter Kranen, was in achting onder de Brabantse dichters.[1]

Vondels doopsgezinde ouders waren in 1582 de stad Antwerpen ontvlucht. Waarschijnlijk leverde hun godsdienstige overtuiging ook in Keulen problemen op, want het gezin vertrok in 1595. In Utrecht ging Joost naar school, waar hij de opvoering van een Latijns schooldrama bijwoonde. In maart 1597 vestigden zij zich in de Warmoesstraat te Amsterdam, waar Vondel sr. koopman van zijde werd, voornamelijk van kousen. De zaak heette de Trouw.[2]

1597-1610: literaire debuut[bewerken]

Het oudste bekende gedicht van Vondel, genaamd Schriftuerlijck Bruylofts Reffereyn, dateert van 1605 en was nog geheel in rederijkerstijl. In de twee jaar daarna schreef Vondel nog enkele vrij onbekend gebleven gedichten, die zijn verschenen in de bundel Den nieuwen verbeterden Lust- Hof (1607). Mogelijk waren deze gedichten onder meer bedoeld voor de Brabantse rederijkerskamer waar Vondel inmiddels lid van was.

1610-1635: Eerste huwelijk, begin literaire carrière[bewerken]

Afbeelding van de executie van Johan van Oldenbarnevelt in Palamedes

In 1608 overleed vader Vondel, waarop Sara kousenzaak de Trouw samen met zoon Joost voortzette. Joost van den Vondel trouwde in 1610 met Mayke de Wolff (Keulen, 1586 - Amsterdam, 15 februari 1635), met wie hij de kousenhandel bestierde. Zij was de zus van Vondels zwager. In 1612 werd hun zoon Joost geboren, vervolgens dochter Anna (rond 1620) en daarna Sara. In mei 1618 begroef Vondel bovendien een kind over wie geen verdere gegevens voorhanden zijn. Vondel heeft mogelijk nog meer kinderen gehad, maar hier is niets over bekend.

Vondel trad in deze periode toe tot een meer rekkelijke Doopsgezinde richting, de 'Waterlanders', waar hij van 1616 tot 1620 diaken was.[3] Hij schreef in deze periode een aantal kerkliederen en stichtelijke liederen.

Vondel werd lid van de Brabantse rederijkerskamer "Het Wit Lavendel". Het Frans beheerste hij al. In 1613 begon hij ook Latijn te leren om Seneca te kunnen lezen, en later leerde hij Grieks om zijn toneelstuk Palamedes oft vermoorde onnooselheit te kunnen schrijven. In de zomer van dat jaar schreef hij een groot lierdicht, het Hymnus over de Scheepsvaert.

In de periode 1621-25 schreef Vondel overwegend gedichten voor zijn familie en kennissen. Daarnaast schreef hij enkele lofdichten over boeken.

De controverse rond Johan van Oldenbarnevelt en prins Maurits was de aanleiding voor Vondel om Palamedes te schrijven; met de 'vermoorde onnozelheid' werd de terechtgestelde Oldenbarnevelt aangeduid, en in de figuur van koning Agamemnon kon de overwinnaar prins Maurits worden herkend. Het stuk verscheen in oktober 1625, enkele maanden na het overlijden van Maurits. Palamedes is een scherpe kritiek op de stadhouder Maurits, en Vondel moest Amsterdam vanwege de negatieve reacties op het stuk ontvluchten. Hij verbleef enige tijd in Beverwijk, maar moest toch vanwege het werk terechtstaan voor de schepenbank. De regering in Amsterdam wilde hem niet voor het Hof van Holland leiden. De voor die tijd forse boete van 300 gulden is mogelijk door schepen Albert Coenraads Burgh betaald, die Vondel het idee van zijn toneelstuk aan de hand had gedaan. Palamedes werd desondanks een populair toneelstuk, waarvan tot 1800 minstens vijftien drukken zijn verschenen.

In 1628 reisde Vondel omwille van het familiebedrijf voor de eerste keer af naar Denemarken. Later in zijn leven zou hij dit nog eens doen.

In de persoonlijke sfeer volgden hierna voor Vondel een aantal zeer zware jaren. In 1628 overleed zijn broer Willem, in 1630 ook zijn zus Sara. In 1632 of 1633 overleed Vondels pasgeboren zoontje Constantijn. In 1633 overleed ook zijn dochter Sarah, slechts acht jaar oud. In totaal zijn drie van Vondels in totaal vijf (bekende) kinderen jong overleden.[3] Voor zijn jong gestorven kinderen schreef hij de klaagzangen Constantijntje, zalig kijntje (1632-1632) cfr. Kinder-lijck (1632) en Saartje, de vreught van de buurt (1625-1633) cfr. Uitvaert van mijn Dochterken (1633). De dood van zijn vrouw begin 1635 was voor Vondel echter vermoedelijk de zwaarste slag. In mei 1637 overleed ten slotte Vondels moeder.

Tragedies, bekering tot het rooms-katholicisme, faillissement, reizen[bewerken]

De eerste jaren nadat hij vele dierbaren had verloren ging Vondel zich toeleggen op het schrijven van toneelstukken. In de periode 1637-1667 schreef hij in totaal twintig tragedies, waarvan Gijsbrecht van Aemstel zonder meer de bekendste is.

In 1641 ging Vondel over van de remonstranten tot de rooms-katholieke Kerk. Hij hoopte zo meer zielenrust en gezag te vinden. Dit werd hem echter niet in dank afgenomen in de hoofdstad van de Republiek, waar calvinistische predikanten veel invloed hadden. Hij kreeg hierdoor wel veel nieuwe kennissen, terwijl ook de meeste van zijn oude vrienden hem niet afvielen vanwege zijn plotselinge bekering. De schouwburg in Amsterdam was daarentegen een katholieke aangelegenheid: de schouwburgbestuurders Jan Vos (dichter) en Claes Cornelisz. Moeyaert (schilder) waren katholiek.

In de jaren 1640 werden teksten van Vondel op muziek gezet door de vooraanstaande componisten Cornelis Padbrué en Cornelis de Leeuw.[4]

In 1643 droeg Vondel de Trouw over aan zijn zoon Joost, die net was getrouwd met Aeltje van Bancken. Nu Vondel deze verantwoordelijkheid kwijt was legde hij zich weer meer op het dichten toe en schreef met name gelegenheidsgedichten, bijvoorbeeld voor bruiloften. De jaren daarna kwamen er twee dichtbundels van Vondel uit. Ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag schreef hij een van zijn weinige gedichten die over hemzelf gingen.

Joost junior en diens echtgenote trokken bij Vondel in de zaak, die van nr. 39 naar nr. 110 in de Warmoesstraat verhuisde. Dit ging echter niet lang goed. Zoon Joost werd in 1648 weduwnaar en hertrouwde met Baertje Hooft, een spilzieke vrouw met wie Vondel en dochter Anna niet goed overweg konden. In 1652 trokken Vondel en zijn dochter hun handen geheel van de zaak af en lieten die aan Joost junior over. De Trouw was hierna geen lang leven meer beschoren en in 1656 ging de zaak uiteindelijk failliet, waarna Vondel de torenhoge schulden van zijn zoon overnam en daardoor zelf nagenoeg straatarm werd. Omdat zijn zoon Joost door zorgeloosheid in moeilijkheden was gekomen, reisde Vondel in 1657 opnieuw naar Denemarken om schulden in te vorderen. Hij dichtte O, Goon! wilt mij verlossen van deze Deensche ossen. Een jaar later hielp de gemeente Amsterdam hem uit de brand; hij kreeg tegen een hoog salaris een aanstelling als suppoost (boekhouder) bij de Stadsbank van Lening, een zogenaamde sinecure.

Vondel woonde in deze tijd op het Singel, niet ver van de Torensluis. Zijn zoon Joost overleed in 1660 op 47-jarige leeftijd op de heenreis naar Indië, voor Kaap de Goede Hoop. In deze zelfde tijd voltooide Vondel meerdere van zijn grote werken, mogelijk ook om zijn verdriet te verdringen.

Grafmonument uit 1772

In 1668 ging hij met pensioen, inmiddels 80 jaar oud. Hij behield zijn jaarsalaris.

Laatste levensjaren[bewerken]

Vondel werd op zijn oude dag verzorgd door zijn nicht Agnes Block en zijn dochter Anna, die in 1675 echter overleed. Gedurende de laatste dagen van Vondels leven woonden zijn enige overgebleven kleinzoon en diens vrouw bij hem in. Vondel overleed uiteindelijk op 91-jarige leeftijd, wat in die tijd uitzonderlijk oud was. Hij had toen al zijn kinderen en kleinkinderen overleefd, op één kleinzoon na. Als zijn laatste werk dichtte hij spottend zijn grafschrift:

Hier leit Vondel zonder rouw,
Hy is gestorven van de kouw

Vondel werd begraven in de Nieuwe Kerk. Ter gelegenheid van zijn begrafenis werd een speciale munt geslagen met de tekst: 's Lands oudste en grootste poëet.

Nagedachtenis[bewerken]

L'Illustration, 1862, gravure:"Fête littéraire et musicale donnée en l'honneur du poète Vondel à Ruremonde (Pays-Bas)

Het monument voor Vondel in de Nieuwe Kerk werd ontworpen door de tekenaar en kunstverzamelaar Cornelis Ploos van Amstel en de etser Reinier Vinkeles.

Een commissie onder leiding van de Amsterdamse stadsbouwmeester Pierre Cuypers ijverde vanaf 1861 voor de oprichting van een standbeeld van Vondel. Deze organiseerde in februari 1862 "Neêrlands eerste Vondelfeest" in Roermond[5][6] Op 18 oktober 1867 werd in het kort daarvoor geopende Nieuwe Park een bronzen standbeeld onthuld, ontworpen door beeldhouwer Louis Royer, op een sokkel van Cuypers zelf en met teksten van zijn vrouw Antoinette Alberdingk Thijm. Omdat Louis Royer niet meer in staat was om het ontwerp zelf uit te voeren, werd de hulp ingeroepen van Jan Stracké. De genii aan de vier hoeken zijn van de hand van Jean Lauweriks. Al snel kreeg het Nieuwe Park daarom de naam Vondelpark, een naam die pas in 1880 officieel werd. Ter gelegenheid van de onthulling van het standbeeld sprak Jacob van Lennep, samensteller van de eerste wetenschappelijke uitgave van de volledige werken van Vondel, een feestrede uit en schreef voor die gelegenheid het drama Een dichter aan de Bank van Leening.

Bekende werken[bewerken]

Het stockske

Vondels werken hebben veelal de politieke en religieuze spanningen die aan het begin van de 17e eeuw de republiek beheersten als thema. Vondel stond daarbij aan de kant van de meer gematigde protestanten.

Tot Vondels bekendste toneelwerken behoren Gijsbrecht van Aemstel (1637), een stuk dat door de predikanten aanvankelijk verboden werd omdat het Roomse sympathieën zou bevatten, en de treurspelen Lucifer (1654), Adam in ballingschap (1664) en Noah (1667). Deze laatste drie werken vormen een trilogie over de zondeval van achtereenvolgens de engelen, de eerste mens en de eerste mensheid.

Hekeldicht[bewerken]

Zijn gedichten, met name de hekeldichten, bevatten vaak steken onder water aan het adres van de staat. Niet zelden verandert deze kritiek in protest, regelrechte haat en woede. Een voorbeeld is Het stockske van Joan van Oldenbarnevelt.[7] Sterke verontwaardiging klinkt ook door in het sonnet (door Vondel puristisch Klinckert genoemd) dat de inleiding vormt tot Palamedes oft Vermoorde Onnooselheijd,[8] waarin die "vermoorde onschuld" slechts ogenschijnlijk een figuur uit de Oudheid is. In werkelijkheid staat hier de figuur Palamedes symbool voor de terechtgestelde Van Oldenbarnevelt. Deze subtekst kon de tijdgenoten onmogelijk ontgaan zijn.
Vondel zelf gaf te kennen dat hij niet kon zwijgen:

maer wat op 's harten gront leyt, dat weltme na de keel.

Religieuze poëzie[bewerken]

Daarnaast heeft hij echter ook poëzie geschreven die louter religieus was, zoals tweemaal een Kerstlied:

O wat zon is komen dalen
in den Maagdelijken schoot!
Ziet hoe schijnt ze met heur stralen
Alle glanzen doof en dood.

Ander werk[bewerken]

Lichtvoetig is het gedicht Op het Toonneel des Aerdrycks, ofte Nieuwe Atlas; uytgegeven door I. en C. Blaeu van Vondels hand dat in de atlas van Blaeu werd opgenomen,[9] en dat begint:

De wereld is wel schoon, en waerdigh om t'aenschouwen,
Maer 't reizen heeft wat in. de kosten vallen swaer.
Men magh den Oceaen niet al te veel betrouwen.
De Bergen rijzen steil. de bosschen zien te naer.

Na deze klaagzang, die zo nog enige strofen verdergaat, is Vondels conclusie onontkoombaar: de lezer kan zich de moeite besparen, en zich beperken tot een reis door de kunstige atlas:

O reisgezinde geest, ghy kunt die moeite sparen,
En zien op dit Toonneel de Wereld groot en ruim,
Beschreven en gemaelt in kleen begrip van blaren.
Zoo draeit de schrandre kunst den Aerdkloot op haer duim.

Renaissancist en rederijker[bewerken]

Vondel was een Renaissancedichter, maar een die pas op volwassen leeftijd Latijn leerde. Laatmiddeleeuwse invloeden, met name die van de Rederijkers, zijn evenzeer sterk in zijn werk aanwezig: woordspelingen:

De raven kraaien "cras, cras"

— dat laatste woord betekent in het Latijn: "morgen"; opsommingen:

Die zorght, en waeckt, en slaeft, en ploegt, en zwoegt, en zweet

en tal van andere figuren laten de Rederijkerstraditie zien. De perfecte integratie van christelijke theologie en antieke cultuur, zijn grote kennis van literatuur en wetenschappen, en zijn belangstelling voor dichtvormen en vernieuwingen op lexicaal gebied bestempelen hem toch in de eerste plaats als humanistisch en renaissancistisch dichter. Zijn dichterlijk talent en zijn irenische persoonlijkheid bezorgden hem bij zijn tijdgenoten de titel van Prins der Dichters.

Poëzie[bewerken]

  • Den Gulden Winckel der Konstlievende Nederlanders (1613)
  • Hymnus ofte Lofgesangh over de wijdberoemde scheepvaert der Vereenigde *Nederlanden (1613)
  • Vorstelijcke warande der dieren (1617).[10][11]
  • Op de jongste Hollantsche Transformatie (1618)
  • De Helden Godes (1620)
  • Het lof der zeevaert (1623)
  • Geboortklock, n.a.v. de geboorte van Willem van Nassau (1626)
  • Bruyloftbed van P.C. Hooft en Helionora Hellemans (1627)
  • Rommelpot van 't Hane-kot (1627)
  • Verovering van Grol door Frederick Henrick, Prince van Oranje (1627)
  • De Rynstroom (1630)
  • Roskam (1630)
  • Harpoen (1630)
  • Een otter in 't bolwerck (1630)
  • Geuse-vesper (1631)
  • Decretum horribile (1631)
  • Op Huygh de Groots verlossing (1632)
  • Inwying der doorluchtige Schoole t'Amsterdam (1632)
  • Kinderlijck (1632)
  • Uitvaert van mijn dochterken (1633)
  • Op het overlyden van Isabella Klara Eugenia (1633)
  • Lyckklaght aan het Vrouwekoor, over het verlies van mijn ega (1635)
  • Brieven der Heilige Maeghden, Martelaressen (1642)
  • Aen de Beurs van Amsterdam (1643)
  • J.J. Vondels Verscheide Gedichten (1644)
  • Altaergeheimenissen (1645)
  • Poezy (verzamelbundel) (1650)
  • Inwijdinge van 't Stadhuis t'Amsterdam (1655)
  • Het stockske van Joan van Oldenbarnevelt (1657)
  • Zeemagazyn (1658)
  • Wildzang (1660) (in 1976 in morseseinen als kunstwerk gemaakt in Amsterdam, met 1879 houten palen, zie trivia)
  • Toneelschilt oft Pleitrede voor het toneelrecht (1661)
  • Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst (1662)
  • Joannes de Boetgezant (1662)
  • De Heerlijckheid der Kercke (1663)
  • Lykzang ter ere van Zacharias du Mez, Bisschop van Thrallen (rond 1665)
  • Uitvaert van Maria van den Vondel (1668)

Toneel[bewerken]

  • Het Pascha ofte de Verlossinge Israels wt Egypten[12] (1612)
  • Hiërusalem verwoest[13] (1620)
  • Palamedes oft Vermoorde onnooselheijd[8] (1625). In de uitgave van 1652 heeft Vondel een aantal woorden (zoals zonde) vervangen, en sommige politieke toespelingen werden verscherpt. Het werd pas in 1663, in Rotterdam, voor het eerst opgevoerd. Twee jaar later, toen de Amsterdamse schouwburg gesloten was vanwege een verbouwing, werd het stuk daar buiten de verantwoordelijkheid van de regenten opgevoerd.
  • De Amsteldamsche Hecuba[14] (1626)
  • Gysbreght van Aemstel (1637)
  • Maeghden (1639)
  • Gebroeders (1640)
  • Joseph in Dothan (1640)
  • Joseph in Egypten (1640)
  • Peter en Pauwels (1641)
  • Maria Stuart of Gemartelde Majesteit (1646)
  • Leeuwendalers, lantspel (1647)
  • Salomon (1648)
  • Lucifer[15] (1654)
  • Salmoneus (1657)
  • Jeptha of Offerbelofte (1659)
  • David in Ballingschap (1660)
  • David hersteld (1660)
  • Samson of Heilige Wraeck (1660)
  • Konig Edipus (1660)
  • Adonias of Rampsalighe kroonzucht (1661)
  • Johannes de boetgezant (1662)
  • Batavische gebroeders of Onderdruckte vryheit (1663)
  • Faëton of Reuckeloze stoutheit (1663)
  • Adam in Ballingschap of Aller treurspelen Treurspel (1664)
  • Zungchin of Ondergang der Sineesche heerschappije (1667)
  • Noah of Ondergang der eerste wereld (1667)

Gelegenheidsgedichten[bewerken]

  • 1627 – Bruyloftbed van Pieter Cornelisz. Hooft en Helionora Hellemans
  • 1633 – Kinder-lyck (naar aanleiding van het overlijden van zijn zoon Constantijn)
  • 1660 – Op d'Afbeeldinge van den edelen gestrengen Heere Cornelis de Graeff[16]
  • 1662 – Ter bruiloft van den weledelen heer Peter de Graef, Jongkheer van Zuitpolsbroek en de weledele mejoffer Jakoba Bikker[17]
  • 1668 – Uitvaert van Maria van den Vondel

Literaire verhandeling[bewerken]

  • 1650 – Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste

Vertalingen[bewerken]

  • Hippolytus of Rampsalige Kuysheyd (naar Seneca) (1628)
  • Huigh de Groots Jozef of Sofompaneas (naar Hugo de Groot) (1635)
  • Elektra (naar Sophokles) (1639)
  • Publius Virgilius Maroos Wercken (1646)
  • Lierzangen en Dichtkunst (Quintus Horatius Flaccus) (1657)
  • Publius Virgilius Maroos Wercken vertaelt in Nederduitsch Dicht (1660)
  • Koning Edipus (naar Sophokles) (1660)
  • Ifigenie in Tauren (naar Euripides) (1666)
  • Fenicieansche of Gebroeders van Thebe (naar Euripides) (1668)
  • Herkules in Trachin (De Trachiniae van Sophokles) (1668)
  • Publius Ovidius Nazoos Herscheppinge (De Metamorphosen van Ovidius) (1671)

Varia[bewerken]

Standbeeld Vondel in het Vondelpark
Zomerzegels (1937) met Jacob Maris, Franciscus de le Boë Sylvius, Joost van den Vondel en Antoni van Leeuwenhoek
  • Hij staat afgebeeld op een postzegel in de serie "Zomerzegels van 1937".
  • Vondel stond afgebeeld op twee achtereenvolgende versies van het Nederlandse bankbiljet van 5 gulden.
  • Een gedicht van zijn hand (getoonzet door J. Duin) werd opgenomen in de populaire liedbundel Kun je nog zingen, zing dan mee. De eerste regels luiden: 'Wat zong het vroolijk vogelkijn dat in den boomgaard zat?' (met de titel 'Wildzang').
  • De rei van de edelen uit het drama van de Gijsbrecht van Aemstel wordt gebruikt in het nummer "Hamburger Concerto" van Focus.
  • Volgens het Guinness Recordboek schreef Vondel het kortste Nederlandstalig gedicht, en wellicht het kortste gedicht ter wereld, waarmee hij in 1620 een dichtwedstrijd won:
U
Nu!
  • Een literaire prijs was naar hem genoemd: Joost van den Vondelprijs.
  • De Vondelstraat en het Vondelpark in Amsterdam zijn naar hem vernoemd.
  • In 2004 eindigde hij op nr. 53 tijdens de verkiezing van De grootste Nederlander
  • De naam Schouwburg werd bedacht door Vondel. Met 'schouw' en 'burg' verwees Vondel naar een plaats waar men kon kijken. Het van het Griekse woord 'theatron' afgeleide schouwburg werd door de tijd heen zo'n populaire benaming dat het van een eigennaam is verworden tot een soortnaam.
  • In het Frans wordt de Nederlandse taal soms (poëtisch) de taal van Vondel genoemd ('la langue de Vondel') analoog aan het gebruik om het Frans 'de taal van Molière' te noemen of Duits 'de taal van Goethe'.
  • Wildzang, was een van de grootste kunstwerken ooit in Nederland gemaakt (1976). 1879 houten palen, op de Bijlmerweide in Amsterdam-Zuidoost namen in een bepaald ritme een oppervlakte van circa 80 bij 25 meter in beslag. Wildzang was geïnspireerd op het gelijknamige gedicht van Vondel:
Wat zong het vrolijk vogelkijn dat in de boomgaard zat? Hoe heerlijk blinkt de zonneschijn van rijkdom en van schat Hoe ruist de koelte in ’t eikenhout en vers gesproten lof Hoe straalt de boterbloem als goud Wat heeft de Wildzang stof!

Voetnoten

  1. Geeraardt Brandt, Het leven van Joost van den Vondel. Bewerking: Marieke M. van Oostrom en Maria A. Schenkeveld-van der Dussen, Querido, Amsterdam, 1986, 10.
  2. E.C.J. Nieuweboer, 'Joost van den Vondel.' In: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden, met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp, 1985, 607. Geraadpleegd op 18 februari 2014.
  3. a b Nieuweboer, 608.
  4. Louis Peter Grijp, Muziek en literatuur in de Gouden Eeuw in Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, Amsterdam University Press-Salomé & Uitgeverij Pelckmans (België), 2001, ISBN 90 5356 488 8 (Amsterdam) en ISBN 90 289 3000 0 (België), p. 252.
  5. L'Illustration, 1862, p. 117.
  6. Nieuw Letterkundig Magazijn
  7. Het Stockske van Joan van Oldenbarnevelt, Vader des Vaderlants in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.
  8. a b Palamedes in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.
  9. Regionaal Archief Leiden – Bladeren door Blaeu, direct na het voorwoord van het eerste deel van de atlas.
  10. Vorstelijcke warande der dieren: bibliopolis.nl
  11. Vorstelijcke warande der dieren, pagina's 60-61: sdrc.lib.uiowa.edu
  12. Joost van den Vondel, De werken van Vondel. Deel 1. 1605-1620 · dbnl
  13. Hiervsalem verwoest in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.
  14. De Amsteldamsche Hecvba in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.
  15. Lucifer in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.
  16. Op d'Afbeeldinge van den edelen gestrengen Heere Cornelis de Graeff
  17. Ter bruiloft van den weledelen heer Peter de Graef, Jongkheer van Zuitpolsbroek en de weledele mejoffer Jakoba Bikker

Bronnen

Wikiquote Wikiquote heeft een of meer citaten gerelateerd aan Joost van den Vondel.
Wikisource NL Meer bronnen die bij deze auteur horen, kan men vinden op de pagina Joost van den Vondel op de Nederlandstalige Wikisource.