Joost van den Vondel
| Joost van den Vondel | ||||
| Portret van Vondel door Ph. Koninck, 1665 | ||||
| Algemene informatie | ||||
| Geboren | Keulen, 17 november 1587 | |||
| Overleden | Amsterdam, 5 februari 1679 | |||
| Land | Nederlanden | |||
| Werk | ||||
| Genre(s) | Poëzie | |||
| Bekende werken | Gijsbrecht van Aemstel, Palamedes, Lucifer | |||
|
||||
Joost van den Vondel (Keulen, 17 november 1587 – Amsterdam, 5 februari 1679) was een Nederlandse dichter en toneelschrijver.
Inhoud |
Levensgeschiedenis [bewerken]
Van den Vondel werd geboren in Keulen. Zijn ouders waren doopsgezind en waren in 1582 de stad Antwerpen ontvlucht. In 1597 vestigden zij zich in Amsterdam. In 1610 trouwde Joost van den Vondel met Mayke de Wolff (Keulen, 1586 - Amsterdam, 15 februari 1635). Hij verdiende zijn brood met zijn kousenhandel in de Warmoesstraat. Zijden kousen kostten in die jaren zestien gulden in de winkel, die hij van zijn vader overgenomen had. Drie van zijn vijf kinderen, onder andere Constantijntje, zalig kijntje (1632-1632) cfr. Kinder-lijck (1632) en Saartje, de vreught van de buurt (1625-1633) cfr. Uitvaert van mijn Dochterken (1633) overleden jong.
Van den Vondel werd lid van de Brabantse rederijkerskamer "Het Wit Lavendel". In 1613 begon hij Latijn te leren om Seneca te kunnen lezen, en later leerde hij Grieks om zijn toneelstuk Palamedes oft vermoorde onnooselheit te kunnen schrijven. De controverse rond Johan van Oldenbarnevelt en prins Maurits was de aanleiding voor Palamedes; met de 'vermoorde onnozelheid' werd Oldenbarnevelt aangeduid, en in de figuur van koning Agamemnon kon prins Maurits worden herkend. Het stuk verscheen in oktober 1625, enkele maanden na het overlijden van Maurits. Palamedes is een scherpe kritiek op de stadhouder, en de auteur moest Amsterdam ontvluchten. Hij verbleef enige tijd in Beverwijk, maar moest toch voor het werk terechtstaan. De forse boete van 300 gulden is mogelijk door schepen Albert Coenraads Burgh betaald, die Van den Vondel het idee van zijn toneelstuk aan de hand had gedaan.
Palamedes was echter een populair toneelstuk, waarvan tot 1800 minstens vijftien drukken zijn verschenen. In de uitgave van 1652 heeft Van den Vondel een aantal woorden (zoals zonde) vervangen, en sommige politieke toespelingen werden verscherpt. Het werd pas in 1663, in Rotterdam, voor het eerst opgevoerd. Twee jaar later, toen de Amsterdamse schouwburg gesloten was vanwege een verbouwing, werd het stuk daar buiten de verantwoordelijkheid van de regenten opgevoerd.
In 1641 ging Van den Vondel over van de Remonstranten tot de Rooms-katholieke Kerk, wat hem niet in dank werd afgenomen in de hoofdstad van de Republiek, waar calvinistische predikanten veel invloed hadden. De schouwburg in Amsterdam was daarentegen een katholieke aangelegenheid: de schouwburgbestuurders Jan Vos (dichter) en Claes Cornelisz. Moeyaert (schilder) waren katholiek.
In de jaren 1640 werden teksten van Vondel op muziek gezet door de vooraanstaande componisten Cornelis Padbrué en Cornelis de Leeuw.[1]
Omdat zijn zoon Joost (1612-1660) door zorgeloosheid in moeilijkheden was gekomen, reisde Van den Vondel in 1657 naar Denemarken. Van den Vondel dichtte O, Goon! wilt mij verlossen van deze Deensche ossen. Na het faillissement van de kousenzaak in de Warmoesstraat werd hij in 1658 suppoost bij de Stadsbank van Lening, een zogenaamde sinecure, waar hij in 1668 gepensioneerd werd. Van den Vondel woonde op het Singel, niet ver van de Torensluis. Zijn zoon overleed op de heenreis naar Indië, voor Kaap de Goede Hoop.
Van den Vondel werd verzorgd door zijn dochter Anna (1613-1675) en zijn nicht Agnes Block. Hij overleed op 91-jarige leeftijd en werd begraven in de Nieuwe Kerk. Als zijn laatste werk dichtte hij spottend zijn grafschrift:
- Hier leit Vondel zonder rouw,
- Hy is gestorven van de kouw
Werken [bewerken]
Variëteit aan teksten [bewerken]
- Tot Van den Vondels bekendste toneelwerken behoren Lucifer en Gijsbrecht van Aemstel, een stuk dat door de predikanten aanvankelijk verboden werd: het zou Roomse sympathieën bevatten.
Hekeldicht [bewerken]
- Zijn gedichten, met name de hekeldichten, bevatten vaak steken onder water aan het adres van de staat. Niet zelden verkeert deze kritiek in protest, regelrechte haat en woede: een voorbeeld is Het stockske van Joan van Oldenbarnevelt. Sterke verontwaardiging klinkt ook door in het inleidende sonnet (door Van den Vondels puristischer Klinkert genoemd) tot Palamedes oft Vermoorde Onnooselheijd, waarin die "vermoorde onschuld" slechts ogenschijnlijk een figuur uit de Oudheid is: in werkelijkheid stond Palamedes voor de terechtgestelde Oldenbarnevelt, en deze subtekst kan de tijdgenoten onmogelijk ontgaan zijn.
Van den Vondel zelf gaf te kennen dat hij niet kon zwijgen:
-
- maer wat op 's harten gront leyt, dat weltme na de keel.
Religieuze poëzie [bewerken]
Daarnaast heeft hij echter ook poëzie geschreven die louter religieus was, zoals tweemaal een Kerstlied:
-
- O wat zon is komen dalen
in den Maagdelijken schoot!
Ziet hoe schijnt ze met heur stralen
Alle glanzen doof en dood.
- O wat zon is komen dalen
Ander werk [bewerken]
Lichtvoetig is het gedicht Op het Toonneel des Aerdrycks, ofte Nieuwe Atlas; uytgegeven door I. en C. Blaeu van Van den Vondels hand dat in de atlas van Blaeu werd opgenomen,[2] en dat begint:
-
- De wereld is wel schoon, en waerdigh om t'aenschouwen,
Maer 't reizen heeft wat in. de kosten vallen swaer.
Men magh den Oceaen niet al te veel betrouwen.
De Bergen rijzen steil. de bosschen zien te naer.
- De wereld is wel schoon, en waerdigh om t'aenschouwen,
Na deze klaagzang, die zo nog enige strofen verdergaat, is Van den Vondels conclusie onontkoombaar: de lezer kan zich de moeite besparen, en zich beperken tot een reis door de kunstige atlas:
-
- O reisgezinde geest, ghy kunt die moeite sparen,
En zien op dit Toonneel de Wereld groot en ruim,
Beschreven en gemaelt in kleen begrip van blaren.
Zoo draeit de schrandre kunst den Aerdkloot op haer duim.
- O reisgezinde geest, ghy kunt die moeite sparen,
Renaissancist en rederijker [bewerken]
Van den Vondel was een Renaissancedichter, maar een die pas op volwassen leeftijd Latijn leerde. Laatmiddeleeuwse invloeden, met name die van de Rederijkers, zijn evenzeer sterk in zijn werk aanwezig: woordspelingen:
-
- De raven kraaien "cras, cras"
— dat laatste woord betekent in het Latijn: "morgen"; opsommingen:
-
- Die zorght, en waeckt, en slaeft, en ploegt, en zwoegt, en zweet
en tal van andere figuren laten de Rederijkerstraditie zien. De perfecte integratie van christelijke theologie en antieke cultuur, zijn grote kennis van literatuur en wetenschappen, en zijn belangstelling voor dichtvormen en vernieuwingen op lexicaal gebied bestempelen hem toch in de eerste plaats als humanistisch en renaissancistisch dichter. Zijn dichterlijk talent en zijn irenische persoonlijkheid bezorgden hem bij zijn tijdgenoten de titel van Prins der Dichters.
Poëzie [bewerken]
- Den Gulden Winckel der Konstlievende Nederlanders (1613)
- Hymnus ofte Lofgesangh over de wijdberoemde scheepvaert der Vereenigde *Nederlanden (1613)
- Vorstelijcke warande der dieren (1617)[3][4].
- Op de jongste Hollantsche Transformatie (1618)
- De Helden Godes (1620)
- Het lof der zeevaert (1623)
- Geboortklock van Willem van Nassau (1626)
- Bruyloftbed van P.C. Hooft en Helionora Hellemans (1627)
- Rommelpot van 't Hane-kot (1627)
- Verovering van Grol door Frederick Henrick, Prince van Oranje (1627)
- De Rynstroom (1630)
- Roskam (1630)
- Harpoen (1630)
- Een otter in 't bolwerck (1630)
- Geuse-vesper (1631)
- Decretum horribile (1631)
- Op Huygh de Groots verlossing (1632)
- Inwying der doorluchtige Schoole t'Amsterdam (1632)
- Kinderlijck (1632)
- Uitvaert van mijn dochterken (1633)
- Op het overlyden van Isabella Klara Eugenia (1633)
- Lyckklaght aan het Vrouwekoor, over het verlies van mijn ega (1635)
- Brieven der Heilige Maeghden, Martelaressen (1642)
- Aen de Beurs van Amsterdam (1643)
- J.J. Vondels Verscheide Gedichten (1644)
- Altaergeheimenissen (1645)
- Poezy (verzamelbundel) (1650)
- Inwijdinge van 't Stadhuis t'Amsterdam (1655)
- Het stockske van Joan van Oldenbarnevelt (1657)
- Zeemagazyn (1658)
- Wildzang (1660)
- Toneelschilt oft Pleitrede voor het toneelrecht (1661)
- Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst (1662)
- Joannes de Boetgezant (1663)
- De Heerlijckheid der Kercke (1663)
- Lykzang ter ere van Zacharias du Mez, Bisschop van Thrallen (rond 1665)
- Uitvaert van Maria van den Vondel (1668)
Toneel [bewerken]
- Het Pascha ofte de Verlossinge Israels wt Egypten[5] (1612)
- Hiërusalem verwoest[6] (1620)
- Palamedes oft Vermoorde onnooselheijd[7] (1625)
- De Amsteldamsche Hecuba[8] (1626)
- Gysbreght van Aemstel (1637)
- Maeghden (1639)
- Gebroeders (1640)
- Joseph in Dothan (1640)
- Joseph in Egypten (1640)
- Peter en Pauwels (1641)
- Maria Stuart of Gemartelde Majesteit (1646)
- Leeuwendalers, lantspel (1647)
- Salomon (1648)
- Lucifer[9] (1654)
- Salmoneus (1657)
- Jeptha of Offerbelofte (1659)
- David in Ballingschap (1660)
- David hersteld (1660)
- Samson of Heilige Wraeck (1660)
- Adonias of Rampsalighe kroonzucht (1661)
- Johannes de boetgezant (1662)
- Batavische gebroeders of Onderdruckte vryheit (1663)
- Faëton of Reuckeloze stoutheit (1663)
- Adam in Ballingschap of Aller treurspelen Treurspel (1664)
- Zungchin of Ondergang der Sineesche heerschappije (1667)
- Noah of Ondergang der eerste wereld (1667)
Gelegenheidsgedichten [bewerken]
- 1627 - Bruyloftbed van Pieter Cornelisz. Hooft en Helionora Hellemans
- 1633 - Kinder-lyck (naar aanleiding van het overlijden van zijn zoon Constantijn)
- 1660 - Op d'Afbeeldinge van den edelen gestrengen Heere Cornelis de Graeff[10]
- 1662 - Ter bruiloft van den weledelen heer Peter de Graef, Jongkheer van Zuitpolsbroek en de weledele mejoffer Jakoba Bikker[11]
- 1668 - Uitvaert van Maria van den Vondel
Literaire verhandeling [bewerken]
- 1650 - Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste
Vertalingen [bewerken]
- Hippolytus of Rampsalige Kuysheyd (naar Seneca) (1628)
- Huigh de Groots Jozef of Sofompaneas (naar Hugo de Groot) (1635)
- Elektra (naar Sophokles) (1639)
- Lierzangen en Dichtkunst (Quintus Horatius Flaccus) (1657)
- Koning Edipus (naar Sophokles) (1660)
- Ifigenie in Tauren (naar Euripides) (1666)
- Fenicieansche of Gebroeders van Thebe (naar Euripides) (1668)
- Herkules in Trachin (De Trachiniae van Sophokles) (1668)
Nagedachtenis [bewerken]
Het monument voor Van den Vondel in de Nieuwe Kerk werd ontworpen door de tekenaar en kunstverzamelaar Cornelis Ploos van Amstel en de etser Reinier Vinkeles.
Een commissie onder leiding van de Amsterdamse stadsbouwmeester Pierre Cuypers ijverde vanaf 1865 voor de oprichting van een standbeeld van Van den Vondel in het kort daarvoor geopende Nieuwe Park. Op 18 oktober 1867 werd hier een bronzen standbeeld onthuld, ontworpen door beeldhouwer Louis Royer, op een sokkel van Cuypers zelf en met teksten van zijn vrouw Antoinette Alberdingk Thijm. Omdat Louis Royer niet meer in staat was om het ontwerp zelf uit te voeren, werd de hulp ingeroepen van Jan Stracké. De genii aan de vier hoeken zijn van de hand van Jean Lauweriks. Al snel kreeg het Nieuwe Park daarom de naam Vondelpark, een naam die pas in 1880 officieel werd. Ter gelegenheid van de onthulling van het standbeeld sprak Jacob van Lennep, samensteller van de eerste wetenschappelijke uitgave van de volledige werken van Van den Vondel, een feestrede uit en schreef voor die gelegenheid het drama Een dichter aan de Bank van Leening.
Trivia [bewerken]
- Hij staat afgebeeld op een postzegel in de serie "Zomerzegels van 1937".
- Van den Vondel stond afgebeeld op twee achtereenvolgende versies van het Nederlandse bankbiljet van 5 gulden.
- Een gedicht van zijn hand (getoonzet door J. Duin) werd opgenomen in de liedbundel Kun je nog zingen, zing dan mee (eerste druk in 1906). Dit liedboek was zeer populair en werd de hele twintigste eeuw herdrukt. De eerste regels luiden: 'Wat zong het vroolijk vogelkijn dat in den boomgaard zat?' (met de titel 'Wildzang').
- De rei van de edelen uit het drama van de Gijsbrecht van Aemstel wordt gebruikt in het nummer "Hamburger Concerto" van Focus.
- Volgens het Guinness Recordboek schreef Van den Vondel het kortste Nederlandstalig gedicht, en wellicht het kortste gedicht ter wereld, waarmee hij in 1620 een dichtwedstrijd won:
- U
- Nu!
- Een literaire prijs was naar hem genoemd: Joost van den Vondelprijs.
- De Vondelstraat en het Vondelpark in Amsterdam zijn naar hem vernoemd.
- In 2004 eindigde hij op nr. 53 tijdens de verkiezing van De grootste Nederlander
- De naam Schouwburg werd bedacht door Vondel. Met 'schouw' en 'burg' verwees Vondel naar een plaats waar men kon kijken. Het van het Griekse woord 'theatron' afgeleide schouwburg werd door de tijd heen zo'n populaire benaming dat het van een eigennaam is verworden tot een soortnaam.
- In het Frans wordt de Nederlandse taal soms (poëtisch) de taal van Vondel genoemd ('la langue de Vondel') analoog aan het gebruik om het Frans 'de taal van Molière' te noemen of Duits 'de taal van Goethe'.
| Wikiquote heeft één of meer citaten gerelateerd aan Joost van den Vondel. |
| Meer bronnen die bij deze auteur horen, kan men vinden op de pagina Joost van den Vondel op de Nederlandstalige Wikisource. |