Jan Vos (dichter)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De dichter Jan Vos door Jan Lievens

Jan Vos (Amsterdam, ca. 1610 - aldaar, begraven 12 juli 1667) was een Nederlands letterkundige. Hij schreef toneelstukken en gedichten. Hij was glazenmaker van beroep en leverde in die functie alle ruiten voor het nieuwe stadhuis op de Dam. Het dichten van vensters bracht hem meer op dan het dichten van verzen. Tegelijkertijd speelde Jan Vos een belangrijke rol als regisseur van toneelstukken en als regent van de schouwburg. Hij organiseerde in opdracht van de burgemeesters optochten en liet tientallen praalwagens met taferelen versieren, die soms kritiek, spot en afkeuring opleverden. Vos was een uitgesproken persoonlijkheid en leverde een belangrijke bijdrage aan het culturele leven in Amsterdam. Hij had begrip van levendig, bewogen toneel, heel wat meer dan de geleerde klassieke auteurs, Vondel incluis.[1]

Biografie[bewerken]

Jan Vos werd rond 1610 in Amsterdam geboren als zoon van het na de Alteratie (1578) katholiek gebleven echtpaar Jan Janz. Vos en Aeltje Dircx (uit Opmeer). Hij werd in een Rooms-katholieke schuilkerk of schuilkapel gedoopt en bleef zijn levenlang katholiek en pleitte voor gewetensvrijheid.[2] Hij werd Jan Vos trad op 20 februari 1639 op het oude stadhuis in het huwelijk met Grietje Gerrets (1616 - 1651), die hoogzwanger was. Ze kregen twee kinderen: Jan, die slechts enkele dagen leefde en Maria, die in 1664 de eerste steen zou leggen voor de nieuwe schouwburg). Jan Vos was van goede komaf en woonde in de Kalverstraat 202. Hij ging er prat op dat hij geen talen (Latijn) kende, behalve de Nederlandse. Met zijn Aran en Titus, of wraak en weerwraak, in 1641 verschenen, was zijn naam, tevoren zo goed als onbekend, ineens gevestigd. In het stuk vallen elf doden. Casper van Baerle bewonderde het werk, ondanks of vanwege een als pudding opgediende prins, een gebakken Moor en geestverschijningen. Het stuk is gebaseerd op de Titus Andronicus van Shakespeare en op het werk van Seneca.

In de Klucht van Oene (1642) wordt een aantal oneerlijke praktijken gehekeld van Amsterdamse kooplui en industriëlen; bakkers, die te licht brood verkopen; kleermakers, die zich stukken toe-eigenen van het laken door de klant gekocht; glazemakers, die met de kwantiteit glas en zijdeververs, die met de zijde knoeien. Ook makelaars, lommerdhouders, pachters, kassiers, notarissen en secretarissen, waarden, molenaars, dokters, barbiers, apothekers en boekhandelaars passeren de revue.[3] Medea (1667) was een kijkspel in optima forma, waarbij alles aan uiterlijk vertoon was opgeofferd. In het voorwoord gaf hij te kennen de Epistolae van Horatius te waarderen. Tot 1665 schreef hij geen nieuwe toneelstukken meer.

Aran en Titus

Jan Vos was eveneens een gezochte tafelgenoot bij de families Bicker en Huydecoper, Cornelis Jan Witsen en Six, voor wie hij gelegenheidsgedichten maakte. Dat leidde ertoe dat hij vaak als een familiepoëet wordt aangemerkt. Hij was bevriend met dichter en boekhandelaar Jacob Lescaille, die veel van zijn toneelstukken uitgaf. In 1651 behoorde hij tot de samenstellers van het bundel Verscheyde Nederduytse gedichten, een poging om schilders en dichters van verschillende richtingen, kerkgenootschappen en religies bij elkaar te brengen. Jan Vos was een pleitbezorger van godsdienstige verdraagzaamheid en fel tegen elke vorm van sektarisme en dwang in geloofszaken. Hij keerde zich in zijn geschriften fel tegen onverdraagzame Nederduits Gereformeerde calvinistische predikanten en tegen de Puriteinen en de Engelse protector en heerser Oliver Cromwell.[2] In de Engelse Burgeroorlog staat hij met Joost van den Vondel geheel achter het verdraagzame, enigszins katholiserende koninklijk Huis Stuart.[2] In 1657 luisterde hij het huwelijk van Jan J. Hinlopen en Leonora Huydecoper op. Ook de gebroeders Cornelis en Andries de Graeff traden op als beschermheren van Jan Vos.

Jan Vos stierf onder een groot crucifix en ontving als katholiek van de familie Huydecoper een houtsnijwerk van het Heilig Graf in Jeruzalem.[2] Jan Vos bediende zich veelal niet van religieuze motieven en greep terug op de antieke mythologie van de Grieken en Romeinen, maar tegelijkertijd valt hij tot de katholieke barok te rekenen, zo in zijn cyclus Goede Vrydagh of Christus lyden.

Schouwburg van Van Campen[bewerken]

Jan Vos is negentien jaar lang (1647-1667) hoofd van de Schouwburg van Van Campen geweest, samen met Tobias van Domselaer en Johannes Serwouters. Vos behoorde tot de Muiderkring, waar een lid van de familie Bicker tot drost was benoemd. Hij regisseerde toneelwerken van en met Vondel met veel kunst en vliegwerk. De beroemde Adriana Nooseman speelde in zijn stukken.[4] Vos had een goed gevoel voor wat het publiek wilde zien; herhaaldelijk droeg de stadsregering hem het ontwerpen en de regeling der optochten en praalvertoningen op. In 1654 organiseerde Vos tien voorstellingen, waarmee de Vrede van Westminster werd gevierd. In 1658 krijgen de Amsterdammers het Ontset van Coppenhaven te zien, de politieke aktualiteit weerspiegelend. In 1659 brachten Amalia van Solms en haar dochter Louise Henrietta een bezoek aan Amsterdam. Er waren twintig taferelen gemaakt. Nicolaes Tulp verzette zich krachtig tegen de heidense goden en godinnen, die bij de intocht waren te zien. Bij het bezoek van Maria Henriëtte Stuart, de weduwe van Willem II, bleek op een van de praalwagens de onthoofding van haar vader Karel I van Engeland voorgesteld te zijn. Vos reed te paard voorop en werd het mikpunt van kritiek.[5] Vos was bevriend met Govert Flinck en Ferdinand Bol die hem hadden geholpen bij het decoreren.

In zijn kwaliteit van spelleider had hij in Vondels Lucifer een ballet ingevoegd van Adam en Eva met de engelen in het paradijs. Had Vondel aanvankelijk deze invoeging over zijn kant laten gaan, er misschien zelfs wel voor gevoeld op deze wijze gemoderniseerd te worden, op den duur werd het hem toch te machtig.[6] In 1667 kwam Cosimo III de' Medici naar de schouwburg om Medea of Ghulde Vlies van Lodewijk Meyer te zien. De schouwburg van Van Campen was inmiddels verbouwd in Italiaanse trant; het toneel werd veel dieper doordat een naastliggend perceel bij de schouwburg werd getrokken. Vos wisselde regelmatig brieven met Johan de Witt in de jaren dat deze op top van zijn roem was. Jan Vos stierf in 1667 en nog op zijn sterfbed kreeg hij van de raadspensionaris een verzoek om hem een gedicht te leveren.[7]

Bronnen, noten en/of referenties

Voetnoten

  1. Knuvelder (1968) Beknopt handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde, p. 298.
  2. a b c d W.J.C. Buitendijk, 1975, Jan Vos Toneelwerken.
  3. Dudok van Heel, S.A.C. (1980) Jan Vos(1610 - 1667). In: Jaarboek Amstelodamum, p. 23-43.
  4. Albach, B. (1977) Langs kermissen en hoven, ontstaan en kroniek van een Nederlands toneelgezelschap in de 17de eeuw.
  5. Schwartz, G. (1987) Rembrandt, zijn leven, zijn schilderijen. Een nieuwe biografie met alle beschikbare schilderijen in kleur afgebeeld, p. 257-283.
  6. Het Frans-klassicisme - Nil Volentibus Arduum
  7. Stipriaan, R. van (2002) Het volle leven. Nederlandse literatuur en cultuur ten tijde van de republiek (circa 1550-1800), p. 113.

Literatuur

  • Dudok van Heel, S.A.C. (1980) Jan Vos (1610 - 1667). In: Jaarboek Amstelodamum, (p. 23-43.)
  • Schwartz, G. (1987) Rembrandt, zijn leven, zijn schilderijen. Een nieuwe biografie met alle beschikbare schilderijen in kleur afgebeeld, p. 257-283.
  • Nina Geerdink, Dichters & verdiensten. de sociale verankering van het dichterschap van Jan Vos (1610-1667). Hilversum: 1212.