Schuilkerk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
schuilkerk
De Gertrudiskapel, een schuilkerk in Utrecht
De Gertrudiskapel, een schuilkerk in Utrecht
Portaal  Portaalicoon   Christendom
Amsterdam: schuilkerk "Ons' Lieve Heer op Solder". Foto: bma.amsterdam.nl.
Schuilkerk De Hoop in Diemen, gebouwd in 1786-1787
Plafondschildering "Sonne Der Gerechtigheyd" in Winterswijk

Een schuilkerk (eigenlijk huiskerk) is een van buiten niet als zodanig herkenbaar kerkgebouw zoals die ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden werden gebruikt door katholieken, remonstranten, lutheranen en doopsgezinden. Dergelijke schuilkerken kwamen in grote delen van Nederland voor. In steden waren schuilkerken vooral in huizen en pakhuizen gevestigd, op het platteland had een kerk doorgaans het uiterlijk van een schuur en werd daarom ook wel schuurkerk genoemd.

Ontstaan en ontwikkeling[bewerken]

Hoewel de Gouden Eeuw de geschiedenis is ingegaan als een tolerante tijd, was er van echte verdraagzaamheid van de kant van de calvinisten tegenover andere gezindten weinig sprake. Er heerste weliswaar 'gewetensvrijheid', maar godsdienstvrijheid was alleen weggelegd voor de calvinistische Gereformeerde kerk. Verder konden alleen buitenlanders en als buitenlanders beschouwde personen, zoals de Joden, hun godsdienst vrij uitoefenen. Nederlanders werden geacht over te gaan tot de Gereformeerde kerk.

Nadat tijdens de Reformatie de calvinisten in grote delen van Nederland aan de macht waren gekomen en alle kerken hadden geconfisqueerd, moesten katholieken en aanhangers van andere verboden religies hun toevlucht nemen tot verborgen en illegale kerkjes in bestaande gebouwen. In eerste instantie werd hier door de autoriteiten hard tegen opgetreden; in Zwolle werd het katholieken zelfs verboden naast elkaar te wonen, om te voorkomen dat zij de tussenmuur zouden uitbreken om zo een grote kerkruimte te scheppen. In de loop van de 17e eeuw ging de overheid echter een steeds pragmatischer houding innemen; inmiddels was duidelijk geworden dat een groot deel van de bevolking nooit tot de Gereformeerde kerk zou toetreden, en veel overheidsdienaars waren zelf slechts naar de officiële kerk overgegaan om hun baan en maatschappelijke positie te kunnen behouden.

Het gebruik van schuilkerken werd dan ook steeds meer toegestaan. In eerste instantie werden ze oogluikend gedoogd, later kon tegen jaarlijkse betaling van enorme sommen geld, de zogenaamde recognitiegelden, een officiële vergunning verkregen worden. Voorwaarden voor de verlening van zo'n vergunning waren dat een schuilkerk van buiten op geen enkele manier als kerk herkenbaar mocht zijn en dat het gebruik ervan niet als storend mocht worden ervaren door de calvinisten. Kerkgangers moesten het gebouw binnengaan door een deur die niet aan de openbare weg mocht liggen, en dan nog slechts met hoogstens twee personen tegelijk. Klokgelui was verboden en gezang mocht buiten niet hoorbaar zijn. Op het platteland werden bovendien vaak als extra voorwaarden gesteld dat de kerk zich buiten het dorp moest bevinden en alleen een rieten dak mocht hebben als teken van ondergeschiktheid aan de Gereformeerde kerk.

Een schuilkerk samen met de vaste groep gelovigen werd een statie genoemd. Een statie onderscheidde zich van een parochie door het ontbreken van een afgebakend territorium. Schuilkerken werden gevestigd in elk beschikbaar pand, vooral in de armere buurten, en konden zich op korte afstand van elkaar bevinden, terwijl in andere delen van een stad er soms helemaal geen kerk voorhanden was.

Ten aanzien van protestanten werd het beleid versoepeld in de loop van de 17e eeuw, waarna deze vaak ook echte kerken konden bouwen zolang die maar geen toren hadden. Doopsgezinde kerken, zogenaamde vermaningen, bleven echter vaak een schuilkerk-achtig uiterlijk houden. Nadat de Republiek in de jaren 1672-1674 door katholieke buitenlandse mogendheden bijna van de kaart was geveegd, realiseerde de overheid zich dat de loyaliteit van het grote katholieke deel van de bevolking van groot belang was en werd het hen vaker toegestaan geheel nieuwe kerken te bouwen. Omdat deze nieuwe kerken nog steeds niet van buiten als kerk herkenbaar mochten zijn, worden ze ook schuilkerken genoemd, hoewel hun locatie inmiddels niet meer geheim was en de missen er in openheid werden gehouden.

Toen in 1723 de Nederlandse katholieke kerk door een conflict werd verdeeld, ontstond de Oudkatholieke kerk, waarnaar in het westen van het land veel schuilkerken overgingen. Nadat na de komst van de Fransen aan het einde van de 18e eeuw de godsdienstvrijheid was ingevoerd, mochten de katholieken weer echte kerken bouwen. Toch zijn vooral in het westen van het land veel schuilkerken nog lang in gebruik gebleven. Uiteindelijk zijn de meeste schuilkerken gesloopt of onherkenbaar verbouwd.

Inrichting[bewerken]

Aanvankelijk waren schuilkerken zeer provisorisch ingericht. Later werd bij de inrichting de smaak van die tijd gevolgd. Katholieke schuilkerken werden ingericht in barokke stijl, vaak met kunstvoorwerpen uit de Zuidelijke Nederlanden. Vanwege het beperkte grondoppervlak werden veel schuilkerken in steden voorzien van galerijen om meer zitplaatsen te kunnen scheppen.

Afwijkende situaties[bewerken]

  • In sommige delen van Limburg die niet tot de Republiek behoorden bestond een omgekeerde situatie; de katholieke kerk bleef de officiële kerk, terwijl protestanten gebruik moesten maken van schuilkerken. Een dergelijke gereformeerde schuilkerk bevond zich bijvoorbeeld in Sittard.
  • In delen van Limburg die door de Republiek waren bezet werd vaak een toleranter beleid gevoerd dan in de rest van het land. In Maastricht ging een tweetal kerken over naar de protestanten terwijl de rest katholiek bleef. Valkenburg en Klimmen zijn twee voorbeelden van plaatsen waar een zogenaamd simultaneum was ingesteld, waarbij de kerk als simultaankerk door zowel katholieken als protestanten werd gebruikt.
  • Net over de grens, in het huidige België, werden zogenaamde grenskerken gebouwd ten behoeve van Nederlandse katholieken, onder andere bij Achel en Poppel.
  • Vergelijkbare situaties bestonden in de indertijd tot Kleef behorende gebieden het Land van Ravenstein en Huissen. Ook in het eveneens tot Kleef behorende Kevelaer werd door Nederlanders gekerkt.
  • In delen van Brabant en Gelderland moest men in de zeventiende eeuw nog buiten de Republiek ter kerke in een schuilkerk, maar nam de tolerantie in de achttiende eeuw toe, waardoor schuren die algemeen bekend waren als katholieke kerk, gebruikt konden worden. Dergelijke situaties deden zich voor in Deurne, waar men eerst in het huidige Limburg op de Grotenberg kerkte en later op de Lage Kerk in de dorpskom, en te Neede, waar men eerst in Zwillbrock kerkte en later in het eigen Rietmolen. Dergelijke kerken werden schuurkerken genoemd.
  • In steden als Den Haag en Amsterdam maakten katholieken gebruik van de kerken en kapellen van de diplomatieke vertegenwoordigingen van onder andere Spanje, Venetië en Frankrijk, totdat de autoriteiten dit verboden.
  • Het geringe aantal katholiek gebleven edelen stelden soms hun huiskapellen beschikbaar voor de gelovigen uit de omgeving. Voorbeelden hiervan zijn het Huis (later: klooster) Heeckeren te Goor in Twente, Slot Doddendael te Ewijk, waar in de slotkelder werd gekerkt, en Kasteel Hernen.

Moderne tijd[bewerken]

In landen waar tegenwoordig nog christenvervolging plaatsvindt zijn ook nog altijd schuilkerken. Zie verder het artikel huisgemeente.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]