Gevel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Huis uit 1630 met trapgevel in 's-Hertogenbosch
Gevel van een eind 19e-eeuwse Franse kathedraal

De gevel van een gebouw is het gedeelte van het gebouw dat van buitenaf zichtbaar is. De gevel aan de straatzijde heet de voorgevel, verder zijn er zijgevels en een achtergevel te onderscheiden. Meestal is een gevel van steen, glas of hout, en soms van andere materialen zoals metaal gemaakt. De gevels van eenzelfde gebouw zijn niet altijd van hetzelfde materiaal gemaakt.

Is er sprake van een belangrijke gevel dan spreken we van een façade[1][2][3][4] of wanneer het om een rijk uitgewerkte gevel gaat, front (van het Franse front; "voorzijde", "aangezicht").[5] Het onderste gedeelte van een gevel wordt ook wel een pui genoemd wanneer deze afwijkt van de rest van de gevel qua uiterlijk.

De architectuur van een gevel wordt bepaald door de vorm, het toegepaste materiaal, de plaats en vorm van ramen en deuren, het aanwezig zijn van erkers of andere vorm bepalende elementen.

In Nederland wordt de gevel van een woonhuis meestal gemetseld van bakstenen, die met elkaar verbonden worden door mortel. De voegen tussen de bakstenen worden gevuld met voegspecie, een soort mortel aangemaakt met zo min mogelijk water. Pas als de voegen gedicht zijn is de gevel gereed.

In de gevel zitten openingen voor de ramen en deuren. Muurankers worden gebruikt om van een gebouw een stabiel geheel te maken.

Moderne gevels worden vaak uitgevoerd als een spouwmuur. Door deze constructie wordt de doorslag van vocht van buiten naar binnen voorkomen. In feite bestaat de gevel dan uit twee aparte stenen bladen, met daartussen een luchtspouw, geheel of gedeeltelijk gevuld, met isolatiemateriaal voor warmte-isolatie.

De gevels van woningen en gebouwen meer in het algemeen vervullen niet alleen een esthetische functie maar dienen ook aan een groot aantal technische eisen te voldoen, in Nederland zoals die zijn vastgelegd in het Bouwbesluit. Het betreft hierbij o.a. de wering van geluid, vocht, wind en ongedierte van buiten, het opnemen en afvoeren van (wind)belastingen, het zorg dragen voor de toetreding van voldoende daglicht en het bijdragen aan een goede warmte-isolatieprestatie.

Onderhoud[bewerken]

Het is nodig de voegen af en toe te onderhouden. Gedurende de levensduur van een gebouw worden de voegen wel eens vervangen als deze barsten of uitbrokkelen. Als de voegen niet meer goed afdichten kan er vocht tussen terechtkomen dat in de winter kan bevriezen waardoor barsten ontstaan.

Sterk vervuilde gevels worden wel gereinigd. Ook worden gereinigde gevels regelmatig geïmpregneerd met een vochtwerend middel. Uit onderzoek blijkt dat zowel gevelreiniging als het impregneren grote schade kunnen aanrichten indien niet correct uitgevoerd.

Gevelversiering[bewerken]

De gevels van woonhuizen zijn in de loop der eeuwen geëvolueerd, hetgeen te zien is bijvoorbeeld aan de grachtenhuizen in Amsterdam, Delft of andere oude steden. De ontwikkeling begon met de traditionele trapgevel en evolueerde via een halsgevel naar de klokgevel in de Gouden Eeuw. Deze klokgevel veranderde in steeds plattere ornamenten, tot in men in latere jaren (de 19e eeuw) men vooral de lijstgevel toepaste, waarachter zich een plat dak bevond.

Ook werden er gevelstenen gebruikt, die iets vertelden over het gebruik van het gebouw, of over de eigenaars ervan.

Tegenwoordig (2003) worden gevels veel minder als decoratie gebruikt, hoewel er wel veel gevelreclame wordt toegepast. Ook wordt er door derden wel graffiti aangebracht, hetgeen de meeste mensen echter niet als versiering ervaren. Het verwijderen van graffiti kan door een deskundig bedrijf worden gedaan.

Trivia[bewerken]

  • Met de witte gevel worden wel de tanden bedoeld.
  • Met de voorgevel van een vrouw, bedoelt men haar boezem.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. P. Weiland. Façade. Kunstwoordenboek (1858 (oorspr. 1824))
  2. I.M. Calisch en N.S. Calisch. Façade. Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal (1864)
  3. Façade. Archipedia
  4. Haslinghuis, E.J. en Janse, H. (2005) Bouwkundige termen. Leiden: Primavera Pers. ISBN 90 5997 033 0.
  5. Front (1), Grote Winkler Prins, 7e dr., dl. 7 (1973), p. 754