Johan Huizinga
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
| Johan Huizinga | ||||
![]() |
||||
| Algemene informatie | ||||
| Volledige naam | Johan Huizinga | |||
| Geboren | 7 december 1872 | |||
| Overleden | 1 februari 1945 | |||
| Land | Nederland | |||
| Werk | ||||
| Bekende werken | Herfsttij der Middeleeuwen | |||
|
||||
Johan Huizinga (Groningen, 7 december 1872 – De Steeg, 1 februari 1945) was een Nederlands historicus. Hij geldt als de grondlegger van de Nederlandse cultuurgeschiedenis. Zijn belangrijkste werken zijn Herfsttij der Middeleeuwen (1919), Erasmus (1924), In de schaduwen van morgen (1935) en Homo Ludens (1938). Hij was de vader van de schrijver Leonhard Huizinga.
Inhoud |
[bewerken] Levensloop
Huizinga werd geboren in de stad Groningen, alwaar zijn vader Derk Huizinga hoogleraar fysiologie was. Zijn moeder Jacoba Tonkens stierf toen Johan twee jaar oud was. In Groningen genoot Johan ook zijn middelbare scholing aan het stedelijk gymnasium. In 1891 schreef hij zich in aan de Groninger universiteit, waar hij vier jaar studeerde. Hij legde zich voornamelijk toe op de vergelijkende taalkunde. Hij werd een kenner van het Sanskriet. Na afloop van zijn studie startte Huizinga in Leipzig zijn promotieonderzoek. Het concept van het proefschrift, 'Inleiding en Opzet voor Studie over Licht en Geluid' werd door zijn Groningse promotor, Barend Sijmons, afgekeurd: de inhoud was taalwetenschappelijk niet relevant, hooguit interessant voor een psycholoog. Het was een echec, vond Huizinga, en hij zette zich prompt onder leiding van de Groningse classicus Jacob Speyer aan een nieuwe dissertatie, die hij in 1897 afrondde. Zijn proefschrift betreft de rol van de vidusaka, een soort nar, in het oud-Indische toneel. Materiaal uit zijn taalkundige concept-dissertatie uit 1896 legde Huizinga tweemaal in artikelvorm voor aan de redactie van het prestigieuze tijdschrift Indogermanische Forschungen. Beide stukken werden afgewezen.
In de jaren daarna was hij leraar geschiedenis in verschillende Nederlandse plaatsen, om in 1905 terug te keren naar zijn geboortestad, waar hij zich aan de universiteit verbond. In 1915 aanvaardde Huizinga de benoeming tot hoogleraar algemene geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden. Izaak Gosses volgde hem toen als hoogleraar in Groningen op. In Leiden zou Huizinga het boek schrijven waar hij wereldfaam mee verwierf, Herfsttij der Middeleeuwen. Dit boek verscheen in 1924 in het Duits en het Engels. Hiermee brak Huizinga internationaal door als historicus van naam. Op verzoek van een Amerikaanse uitgever schreef Huizinga een boek over Erasmus. Achteraf was hij zelf niet geheel gelukkig met het resultaat van zijn relatief beknopte studie, niettemin heeft zijn studie de belangstelling voor Erasmus aanzienlijk vergroot.
In 1933 stelde Huizinga een daad tegen het nationaalsocialisme. Bij een internationale conferentie aan de universiteit van Leiden verzocht hij de Duitser Johann von Leers de conferentie te verlaten, nadat Huizinga kennis had genomen van diens antisemitische geschriften. Hierop vertrok de Duitse delegatie.
Johan Huizinga was lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en bekleedde van de afdeling Letterkunde van 1929 tot 1942 het voorzitterschap. Na een korte ziekte overleed hij begin 1945 op 72-jarige leeftijd.
[bewerken] Vernoemingen
Huizinga gaf zijn naam aan het Huizinga Instituut voor cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Ook een prestigieuze lezingen-cyclus van de Universiteit van Leiden heeft naar hem de naam 'Huizingalezing' gekregen. Tevens heeft de Universiteit Leiden een gebouw naar hem vernoemd, het Johan-Huizingagebouw, waarin geheel toepasselijk de opleidingen geschiedenis, kunstgeschiedenis en klassieke talen zijn gehuisvest.
[bewerken] Prijzen
[bewerken] Boeken
- 1897 - De Vidûsaka in het Indisch tooneel
- 1912 - Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef
- 1913 - Over de betekenis van 1813 voor Nederland's geestelijke beschaving
- 1914 - De geschiedenis der Groningse universiteit
- 1918 - Mensch en menigte in Amerika
- 1919 - Herfsttij der middeleeuwen
- 1924 - Erasmus
- 1927 - Leven en werk van Jan Veth
- 1929 - Cultuurhistorische verkenningen
- 1935 - In de schaduwen van morgen, een diagnose van het geestelijk lijden van onze tijd
- 1937 - De wetenschap der geschiedenis
- 1938 - Homo Ludens, proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur
- 1941 - Nederlands beschaving in de zeventiende eeuw
- 1945 - Geschonden wereld, een beschouwing over de kansen op herstel van onze beschaving
- 1948 - 1953 - Verzamelde werken
- 1950 - Keur van gedenkwaardige tafereelen uit de Vaderlandsche historiën
- 1982 - Verspreide opstellen over de geschiedenis van Nederland
[bewerken] Herfsttij der Middeleeuwen (1919)
Aanvankelijk was het de bedoeling van Huizinga om een studie te schrijven over de schilder Jan van Eyck. Het werk groeide echter uit tot een diepborende visie op de late Middeleeuwen. De ondertitel van het boek luidt: Studie over de levens- en gedachtevormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden. De slotzin van het eerste hoofdstuk geeft een markante weergave van het levensgevoel van de late Middeleeuwen:
- Het is een boze wereld. Het vuur van haat en geweld brandt hoog, het onrecht is machtig, de duivel dekt met zijn zwarte vlerken een duistere aarde. En spoedig wacht der menschheid het eind van alle dingen. Maar de menschheid bekeert zich niet; de Kerk strijdt, predikers en dichters klagen en vermanen vergeefs." (Verzameld Werk, deel III, pag 33)
De late Middeleeuwen vormden geen periode van verval of enkel de voorbode van de Renaissance, maar bezaten een eigen toon en kleur. Huizinga's werk is klassieke literatuur geworden door zijn markante stijl, verbeeldingskracht en pregnante visie. Het heeft vele studies geïnspireerd. De kritiek erop heeft het belang van dit boek niet verminderd.
[bewerken] In de schaduwen van morgen (1935)
Een bekend boek van Huizinga is In de schaduwen van morgen uit 1935. In dit boek bood Huizinga een uitwerking van een voordracht die hij op 8 maart 1935 in Brussel had gehouden. Het boek heeft verschillende herdrukken beleefd. Het wordt tot op de dag van vandaag geciteerd en gelezen. Het boek geeft een analyse van de culturele en maatschappelijke situatie van de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Vooral de openingszin is bekend geworden:
- Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europese mensheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken.
Het boek loopt ook vooruit op meer filosofische ontwikkelingen die niet direct gerelateerd zijn aan de bovengenoemde "razernij".
- Het komende geleerde modewoord voor beschaafde kringen zal ongetwijfeld "existentieel" zijn. Ik zie het overal reeds opschieten. Het zal spoedig bij het groote publiek belanden. Wanneer men, om zijn lezer te overtuigen, dat men de dingen beter snapt dan zijn buurman, lang genoeg "dynamisch" heeft gezegd, zal het "existentieel" zijn. Het woord zal dienen om den geest te plechtiger te verzaken, een belijdenis van maling aan al wat weten en waarheid is.
[bewerken] Homo Ludens (1938)
Het is bijna onmogelijk een werk van deze diepgang te karakteriseren in enkele losse woorden. Als men het desondanks toch zou willen proberen, zou men het kunnen doen met de zes woorden: "Het spel is een ernstige zaak". Dit, samen met zijn anti-materialistische en anti-fysicalistische filosofie verwoordt hij op de volgende wijze:
- Men kan bijna al het abstracte loochenen: recht, schoonheid, waarheid, goedheid, geest, God. Men kan den ernst loochenen. Het spel niet. Maar met het spel erkent men, of men wil of niet, den geest. Want het spel is, wat ook zijn wezen zij, niet stof. Het doorbreekt, reeds in de dierenwereld, de grenzen van het physisch bestaande. Het is ten opzichte van een gedetermineerd gedachte wereld van louter krachtwerkingen in den volsten zin des woords een superabundans, een overtolligheid. Eerst door het instroomen van den geest, die de volstrekte gedetermineerdheid opheft, wordt de aanwezigheid van het spel mogelijk, denkbaar, begrijpelijk. Het bestaan van het spel bevestigt voortdurend, en in den hoogsten zin, het supralogisch karakter van onze situatie in den kosmos. De dieren kunnen spelen, dus zij zijn reeds meer dan mechanismen. Wij spelen, en weten, dat wij spelen, dus wij zijn meer dan enkel redelijke wezens, want het spel is onredelijk.
In Homo Ludens beschreef Huizinga een onbeschaafd en verwerpelijk puerillisme als contrast tot de door hem geidealiseerde ernst in het spel van politiek en cultuur.
[bewerken] Huizinga's stijl
Er was grote eenheid in de stijl van Huizinga's werken vanaf het allereerste ontwerp van een proefschrift tot aan zijn latere werken. Uit zijn werk komt zijn voorliefde voor sprookjes evenals zijn bewondering voor de middeleeuwse ridderlijke ethiek. Huizinga was ook schatplichtig aan de Tachtigers door het veelvuldig gebruik van adjectieven, die hij dikwijls ook nog ter nadere precisering aan elkaar verbond zoals sceptisch-koel en cynisch-wreed. Hij contrasteerde om te dramatiseren, om het eigene van iets te verhelderen. Huizinga wendde al de zintuigen aan in zijn werk. Wat hij beschreef, wilde hij een kleur, een geur en een geluid geven, zelfs eeuwen en tijdperken. De kleur van de late Middeleeuwen was somberder dan die van de 12e eeuw, die van de Renaissance purper en goud. De 16e eeuw had nu eens de klank van een trompet, dan van violen, de 17e eeuw van een orgel en de 18de van violen en fluiten.
Plastisch woordgebruik was hem niet vreemd. Getuige daarvan de bekende openingszin uit de "Herfsttij der Middeleeuwen": "Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu. Tussen leed en vreugde, tussen rampen en geluk scheen de afstand groter dan voor ons; al wat men beleefde had nog die graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, die de vreugde en het leed nu nog hebben in de kindergeest. Elke gebeurtenis, elke daad was omringd met nadrukkelijke en uitdrukkelijke vormen, was getild op de verhevenheid van een strakke, vaste levensstijl. De grote dingen: de geboorte, het huwelijk, het sterven stonden door het sacrament in de glans van het goddelijk mysterie. Maar ook de geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren begeleid door duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen."
[bewerken] Bibliografie
- Hanssen, Léon. Huizinga en de troost van de geschiedenis. Verbeelding en rede, Balans, 1996.
- Koops, W. R. H., E. H. Kossmann, Gees van der Plaat, eds. Johan Huizinga 1872 - 1972. Papers delivered to the Johan Huizinga Conference, Groningen 11 - 15 Dec. 1972, Nijhoff, 1973 (ook BMGN 87, 1973, 143-402).
- Krul, Wessel E. Historicus tegen de tijd. Opstellen over leven en werk van J. Huizinga, Historische Uitgeverij, 1990.
- van der Lem, Anton. Johan Huizinga. Leven en werk in beelden en documenten, Wereldbibliotheek, 1993.
- van der Lem, Anton. Het eeuwige verbeeld in een afgehaald bed. Huizinga en de Nederlandse beschaving, Wereldbibliotheek, 1997.
- Noordegraaf,Jan. 'Uit het verleden van een historicus. De taalkundige ambities van de jonge Huizinga'. Voortgang, jaarboek voor de Neerlandistiek 13 (1992), 197-215. (Herdrukt in Jan Noordegraaf, Van Hemsterhuis tot Stutterheim. Over wetenschapsgeschiedenis. Münster: Nodus Publikationen 2000, 92-111).
- Noordegraaf, Jan. 'Over licht en geluid. Johan Huizinga en de negentiende-eeuwse taalkunde'. In: Jan Noordegraaf, Oorsprong en ideaal. Opstellen over taalzoekers. Münster: Nodus Publikationen 1995, 89-120.
- Noordegraaf, Jan. 'On Light and Sound. Johan Huizinga and Nineteenth-Century Linguistics'. In: Jan Noordegraaf, The Dutch Pendulum. Linguistics in The Netherlands 1740-1900, Münster: Nodus Publikationen 1996, 130-158. (http://hdl.handle.net/1871/9803).
- Noordegraaf, Jan. 'Iz žyttievoho šliaxu ognoho istoryka (movoznavči zmanhannia Heuzinxy zamolodu)'. Zbirnyk Charkivskoho istoryko-filolohičnoho tovarystva (Nova serija, t. 12), Xarkiv 2006. Xarkiv’skyj nacional’nyj pedahohičnyji universytet; Xarkivs’ke istroyko-filolohične tovarystvo, 267-278. (http://hdl.handle.net/1871/10886)
- Otterspeer, Willem. Orde en trouw. Over Johan Huizinga, De Bezige Bij, 2006.
- Strupp, Christoph. Johan Huizinga. Geschichtswissenschaft als Kulturgeschichte, Vandenhoeck & Ruprecht, 2000.
- Tollebeek, Jo. De toga van Fruin. Denken over geschiedenis in Nederland sinds 1860, Wereldbibliotheek, 1990.
[bewerken] Externe links
- Homo Ludens.
- Biografisch Woordenboek van Nederland, lemma "Johan Huizinga"
- Korte levensbeschrijving
- Rijksuniversiteit Groningen
- Een keuze uit het archief van Johan Huizinga in de Universiteitsbibliotheek Leiden
| Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Johan Huizinga op de Nederlandstalige Wikisource. |
