Wetenschappelijke promotie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Promotieplechtigheid in 1721 in Leiden, afgebeeld op het proefschrift van Willem van Irhoven uit Den Bosch over de lege ruimte (De Spatio Vacuo)

Promotie in academische zin is het behalen van de academische graad van doctor door het schrijven en publiekelijk verdedigen van een proefschrift, al dan niet met stellingen, aan een universiteit, of althans onder supervisie van een hoogleraar die als promotor optreedt. Degene die gaat promoveren wordt een promovendus genoemd. In principe wordt iemand die aan een proefschrift werkt een doctorandus genoemd ('hij die nog doctor moet worden'), maar in Nederland wordt de term promovendus al gebruikt vanaf de start van het onderzoeksproject, om verwarring met de (verouderde) term doctorandus ('Master') te vermijden. De promotieplechtigheid wordt in Vlaanderen soms ook wel het doctoraatsexamen genoemd[1]. Degene die bij een bepaalde hoogleraar gepromoveerd is, wordt formeel als diens promotus aangeduid.

Overzicht[bewerken]

In het Nederlands-Nederlandse spraakgebruik doelt men met een "promotie" vaak op het volledige onderzoeksproject van meestal enkele jaren, dat uitmondt in een proefschrift. Strikt genomen is de promotie echter slechts het ondeelbare moment waarop de hoogleraar die als promotor optreedt de promovendus bevordert tot doctor, tijdens de promotieplechtigheid, na de verdediging en de beraadslaging door de promotiecommissie. Eigenlijk dient de promotor daarom te worden aangeduid als beoogd promotor. Naast de promotor treden vaak een of meer begeleiders van de promovendus op, die meedenken over de praktische uitvoering van het onderzoeksproject, waar de promotor meer op afstand staat. Indien de kandidaat voornamelijk begeleid is door een ander dan de promotor wordt deze begeleider meestal tot copromotor benoemd. Dit is bijvoorbeeld gebruikelijk in situaties waarbij de kandidaat onderzoek heeft gedaan in de (sub)groep die geleid wordt door een universitair (hoofd)docent. In het algemeen heeft een kandidaat een promotor en eventueel een copromotor. Het kan echter voorkomen dat een kandidaat meerdere (co)promotores heeft (bijvoorbeeld wanneer het onderzoek is uitgevoerd in samenwerkingsverband tussen twee universiteiten). Het maximaal aantal toegestane (co)promotores staat vaak geregeld in het promotiereglement van de universiteit waaraan de kandidaat promoveert.

Het onderzoek voor een doctoraat wordt veelal aan een universiteit uitgevoerd, maar noodzakelijk is dat niet. Het is ook mogelijk als "buitenpromovendus" te promoveren, bijvoorbeeld als medewerker van een niet-universitaire onderzoeksinstelling, zoals een researchlaboratorium in het bedrijfsleven, of een perifeer ziekenhuis. In de vakken die niet van uitgebreide faciliteiten afhankelijk zijn kan iemand zelfs thuis zijn proefschrift schrijven.

Toelating[bewerken]

Om tot promotie toegelaten te worden moet men eerst de graad van Master (Master of Science, Master of Arts, meester in de rechten of ingenieur) of een daarmee gelijk te stellen (bijvoorbeeld buitenlandse) graad hebben behaald. Alhoewel niet gebruikelijk, zijn hierop soms uitzonderingsgevallen. Iemand die geen Masteropleiding heeft gedaan kan, in grote uitzondering, toch toelating gegeven worden een onderzoeksproject voor promotie te starten als aannemelijk kan worden gemaakt dat de promovendus in staat is zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten en met gerede kans op succes een proefschrift kan voltooien. De doctorandus dient hiervoor wetenschapsbeoefenaren en een promotor te vinden die (schriftelijk) garant voor hem of haar staan. Het is echter niet altijd even makkelijk om in dat geval een promotor te vinden.

Eredoctoraat[bewerken]

Veel universiteiten reiken soms eredoctoraten uit aan mensen die zich op bepaalde gebieden erg verdienstelijk hebben gemaakt. Dit zijn ofwel vermaarde geleerden op het betreffende vakgebied, zoals Jac. P. Thijsse, die vooral bekend is geworden door de Verkade-albums, of publieke figuren van bijzondere betekenis. Zo verleende de Leidse Universiteit in 1999 een eredoctoraat aan Nelson Mandela en verleende de Vrije Universiteit in 1965 het eredoctoraat aan Martin Luther King en in 2008 aan Gerrit Zalm. Nederlandse universiteiten zijn niet royaal met eredoctoraten. Een Duitse hoogleraar met een zekere staat van dienst heeft vaak meerdere eredoctoraten, in Nederland is dat een uitzondering. Bekende Duitse eredoctors waren de componisten Robert Schumann en Johannes Brahms. De titel voor een persoon aan wie een eredoctoraat wordt verleend, wordt in officiële termen een doctor honoris causa genoemd, afgekort doctor h.c.

Aanstellingen in Nederland[bewerken]

Promovendi die hun onderzoek aan een universiteit uitvoeren zijn in Nederland doorgaans in dienst van die universiteit. Zij worden gezien als medewerkers die hun eigenlijke studie al achter de rug hebben, bij de universiteit werken om bij te dragen aan de onderzoekstaak die universiteiten wettelijk hebben. Daarnaast stelt de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) in Nederland vele promovendi bij universiteiten aan, als een ingediend project van de desbetreffende universiteit door NWO is goedgekeurd.

Daarnaast geven promovendi, ook die vanwege NWO vaak ook college aan studenten: de onderwijstaak. Sommige universiteiten overwegen om ook promovendi als studenten op te vatten en daarom een beurs in plaats van een salaris te geven, iets wat in het buitenland minder ongebruikelijk is, al moet daarbij wel worden aangetekend dat buitenlandse promoties menigmaal onvergelijkbaar zijn met Nederlandse. De Hoge Raad heeft deze maatregel in 2006 echter geblokkeerd met de vaststelling dat promovendi werknemers zijn die net als alle andere werknemers het recht hebben op tenminste het minimumloon. Aan de Rijksuniversiteit Groningen is niettemin een systeem van bursalen ingevoerd.

Vooral in de natuurwetenschappen is de promovendus ook daadwerkelijk een medewerker, die werk verricht in het kader van de wettelijke onderzoekstaak die universiteiten hebben. Een hoogleraar is daar in de eerste plaats onderzoeksleider, en kan net zo min zonder promovendi functioneren als een dirigent zonder orkest kan functioneren. De promotie is hier niet zozeer een opleiding als wel een bewijs van bekwaamheid. Een juridisch promovendus is minder onmisbaar voor zijn promotor.

Wettelijk bestaat in Nederland maar één soort doctorstitel, te vergelijken met de Angelsaksische "PhD". Ook hiervoor geldt dat men een substantiële bijdrage levert aan de wetenschap en dus origineel werk oplevert. In tegenstelling tot een Nederlands proefschrift, dat vaak vijf of meer wetenschappelijke publicaties bevat is het in de Angelsaksische gebieden in het algemeen niet geoorloofd om tussentijds onderzoeksresultaten te publiceren die vervolgens één op één worden overgenomen c.q. als hoofdstuk in het proefschrift worden opgenomen. Dit wordt namelijk gezien als een vorm van "self-plagiarism".

Aanstellingen in Vlaanderen[bewerken]

In Vlaanderen zijn doctorandi in de regel betaalde medewerkers aan de universiteit. Gelijkaardig aan de de NWO bestaat er in Vlaanderen een Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek. Dit is een stichting van openbaar nut die gesubsidieerd wordt door de Vlaamse Overheid. Er zijn ook doctorandi die als assistent bezoldigd worden door de universiteit en er zijn ook doctorandi die bezoldigd worden door hun onderzoeksprojecten. Net zoals in Nederland nemen doctorandi doorgaans onderwijstaken op: suppleantie, begeleiding van praktische oefeningen, toezicht bij examens, examens verbeteren.

Promotieplechtigheid in Nederland[bewerken]

De promotie gaat volgens een vast ceremonieel, dat sterk per land en voor een deel ook per universiteit kan verschillen. Het onderstaande beschrijft de promotieplechtigheid in Nederland.

Voorbereiding[bewerken]

Voordat de promotieplechtigheid plaatsvindt wordt er een promotiecommissie samengesteld, bestaande uit de eigen promotor en een aantal andere wetenschappers die soortgelijk onderzoek doen als de promovendus. Dit kunnen ook wetenschappers uit het buitenland zijn. Op sommige universiteiten mag de promotor juist geen lid zijn van de promotiecommissie. Promotiecommissies zijn een betrekkelijk recent verschijnsel en zijn in het leven geroepen om te voorkomen dat een promotor - voor wie een promotie ook een prestige-project is - te gemakkelijk promovendi laat promoveren. Dat een promovendus "zakt" op de plechtigheid komt niet voor, maar het komt wel voor dat de promotiecommissie een proefschrift afkeurt dat de promotor had goedgekeurd.

Pedel en promotiecommissie tijdens een promotie in Delft, 2008
Promovenda geflankeerd door paranimfen tijdens een promotie in Leiden, 2007.

De promovendus wordt geacht in representatieve kleding (traditioneel, maar niet bij alle universiteiten verplicht, in rokkostuum) te verschijnen en zich te laten bijstaan door twee paranimfen die zich in kleding voegen naar de promovendus. De paranimfen zijn meestal studievrienden of -vriendinnen, maar soms ook familieleden. Vrouwen gaan meestal gekleed in een speciale feestjurk waar verder geen speciale eisen aan worden gesteld behalve dat hij representatief moet zijn. De promotiecommissie bestaat uit de promotor(en) en eventuele copromotoren, zijnde hoogleraren en universitaire docenten die de promovendus hebben begeleid, en andere hiervoor uitgenodigde opponenten.

In Leiden verkleedden de promovendus en de paranimfen zich in het zweetkamertje en zetten daar meestal een handtekening op de muur. Aangezien deze ruimte vanwege de handtekeningen van ettelijke beroemdheden als Albert Einstein een toeristische attractie is geworden en van een glazen wand is voorzien, vindt het verkleden tegenwoordig in een andere ruimte plaats. Daar worden de promovendus en de paranimfen opgehaald door de in traditioneel gewaad gestoken pedel van de universiteit die hen met een staf met bellen (de scepter) voorgaat naar de promotiezaal. De exacte volgorde is afhankelijk van de universiteit, bijvoorbeeld eerst de pedel, daarna de eerste paranimf, de promovendus en de tweede paranimf. Daarna staat iedereen in de zaal op en leidt de pedel de promotiecommissie binnen. De opponenten zijn - indien zij hoogleraar zijn - ieder gehuld in de aan hun universiteit gebruikelijke toga met muts. Als ze zijn gaan zitten en hun muts hebben afgenomen mag iedereen op een teken van de pedel of de slag van de voorzitter van de vergadering weer gaan zitten.

De zitting[bewerken]

Gedurende de zitting wordt de promovendus in openbaar debat aan de tand gevoeld over het proefschrift met de stellingen die hij zo goed mogelijk moet verdedigen.

De hele plechtigheid duurt afhankelijk van de universiteit precies 45 minuten (een uur minus het academisch kwartiertje) of een uur. In Nederland is de verdediging strikt beperkt (drie kwartier of een uur). In België duurt deze soms wel vele uren. Wordt een opponerende hoogleraar door de pedel onderbroken met het hora est, dan hoeft de promovendus geen antwoord meer te geven. Er is ook een geval bekend van een promovendus die kort voor de plechtigheid door een hersenbloeding was getroffen die hem het spreken onmogelijk maakte. De promotor loste het probleem op door een vraag te stellen (lees: een toespraak te houden) die drie kwartier duurde, zodat er geen tijd meer was om de vraag te beantwoorden.

De promovendus spreekt de commissieleden aan met mijnheer/mevrouw de rector, hooggeachte promotor en hooggeleerde, zeergeleerde of geleerde opponent (of opponens), naargelang hun status. De promovendus mag zijn paranimfen om raad vragen bij het beantwoorden van de vragen, maar in de praktijk komt dit hoogst zelden voor.

De vragen die gesteld worden zijn in de regel binnen de promotiecommissie van tevoren al kenbaar gemaakt, maar doorgaans niet aan de promovendus. In sommige universiteiten wordt de oppositie geopend door een "bevriende" opponent, terwijl het ook kan gebeuren dat de eigen promotor als laatste de promovendus mag ondervragen. Dit is niet het geval bij de Universiteit Utrecht, Universiteit Maastricht, de Vrije Universiteit en de Universiteit van Amsterdam, waarbij de eigen promotor geen vragen stelt tijdens de promotieplechtigheid. In sommige gevallen betekent dat, dat de andere opponenten niet al hun vragen kunnen stellen, in andere gevallen kan het zijn dat de promotor een heleboel tijd heeft en die geheel moet vullen. Ook kan het bij een conflict tussen de promotor en de promovendus voorkomen, dat de voorzitter ervoor zorgt, dat de promotor niet aan het woord komt en alleen de bul aan het eind mag overhandigen.

Als er weinig vragen over het proefschrift zijn, is het ook de kunst van de promovendus om tijd te rekken. De promovendus dient dan ook niet te antwoorden met een simpel ja of nee op een vraag, maar dan flink uit te weiden. Daarbij kan hij ingaan op zaken die niet direct met de vraag te maken hebben, maar bijvoorbeeld de vraagsteller uitgebreid bedanken voor zijn interessante vraag, hem complimenteren met zijn prestaties op wetenschappelijk gebied en vertellen hoe de promovendus is geïnspireerd door artikelen van deze persoon. Als de promovendus onverhoopt geen antwoord weet op een vraag, zal hij dit absoluut niet rechtstreeks melden. Wat hij dan meestal doet is de vraag in andere woorden herhalen en er nog wat zijdelings over uitweiden. De commissieleden zijn meestal zo vriendelijk niet op te merken dat de vraag onbeantwoord is gebleven.

In beginsel is het zo dat de promovendus enigerlei verdediging van zijn proefschrift moet voeren. Hij moet dus iets, wat dan ook, zeggen in antwoord op de vragen. Doet hij dit niet, omdat hij bijvoorbeeld met stomheid geslagen is, dan is hij niet gepromoveerd. Een slechte verdediging is ook een verdediging en heeft voor de promovendus in de praktijk niet de consequentie dat men hem de doctorstitel zal onthouden. Overigens is de plicht tot verdediging niet in de wet vastgelegd maar alleen in de promotiereglementen van de universiteiten. Aangezien een promotie over het algemeen een openbare plechtigheid is, zitten tijdens de promotieplechtigheid meestal de collega's en studiegenoten, familieleden, vrienden en bekenden van de promovendus in de zaal. De discussies die tussen de opponenten en de promovendus gevoerd worden zijn echter veelal zeer wetenschappelijk en formeel van aard. De aanwezigen in de zaal zal de inhoud daarvan grotendeels ontgaan.

Soms – onder andere in Tilburg – krijgen de aanwezige gasten een promotieboekje uitgereikt, met daarin een lekenuitleg over het promotieonderzoek. Ook kunnen de promotiestellingen in dit boekje zijn opgenomen.

Afsluiting[bewerken]

Als de vastgestelde tijd voor de verdediging om is komt de pedel binnen, stampt met zijn staf op de grond en roept luid: "Hora est!" ("het is tijd!"; aan de Rijksuniversiteit Groningen roept de pedel "Hora finita!", "het uur is beëindigd"). De commissie trekt zich dan terug (de aanwezigen staan weer op bij het verlaten van de zaal door de hooggeleerden) om zich te beraden of aan de promovendus de doctorstitel kan worden verleend. Althans in theorie, want in de praktijk zal het nooit voorkomen dat de promotie niet doorgaat; als het proefschrift niet goed genoeg was laat men het niet op de plechtigheid aankomen om dat aan de promovendus mede te delen. Wel wordt hier de kwaliteit van de verdediging van het proefschrift besproken; daarvan is mede afhankelijk of de doctorstitel cum laude wordt verleend. Bij een briljant proefschrift kan een slechte verdediging er in beginsel alsnog voor zorgen dat het predicaat cum laude niet wordt toegekend, maar voor het al dan niet "cum laude" promoveren is de verdediging niet van groot belang. In het algemeen wordt reeds tevoren besloten over een "cum laude", omdat daar een strenge procedure voor is, want universiteiten willen voorkomen dat deze kwalificatie devalueert, en dat het in het uiterste geval bedenkelijk is als iemand niet "cum laude" promoveert. Een praktisch punt is dat de bul reeds tevoren pleegt te worden gecalligrafeerd, zodat dan dus ook al moet vaststaan of "cum laude" wordt verleend.

De diploma-uitreiking na de laudatio bij een promotie (Promotie tot dokter in de letter en wijsbegeerte van de 25-jarige Luitenant ter Zee der derde klasse KMR P. J. D. Drenth)

Hierna komt de promotiecommissie weer binnen (zaal staat weer op) en reikt de promotor met een toespraakje (laudatio) aan de promovendus de doctorsbul uit, al dan niet cum laude, waarna de promovendus zich doctor mag noemen. De commissie en eventueel aanwezige andere hoogleraren (in toga) verlaten als eerste onder begeleiding de zaal.

Tijdens dit laatste gedeelte zal de promotor of een andere begeleider van de promovendus de jonge doctor toespreken, waarbij hij ingaat op de meer persoonlijke aspecten van het functioneren van de promovendus tijdens zijn of haar onderzoekswerk. Hierbij ontspant ieder zich en kan er soms flink gelachen worden. Hierna is er gelegenheid tot feliciteren en meestal een receptie.

Verschillen in de ceremonie[bewerken]

Aan de meeste Nederlandse universiteiten heeft de promovendus de gelegenheid om zijn proefschrift aan het publiek toe te lichten voordat het officiële programma begint (het lekenpraatje). In Rotterdam begint de plechtigheid na de opening door de voorzitter met een ca. 15 minuten durende lezing van de promovendus die in het kort toelicht waar het proefschrift waar hij de afgelopen jaren aan heeft gewerkt over gaat en wat de conclusies zijn. Hier maakt dit dus deel uit van het officiële programma, daarmee duurt de zitting dus geen 45 minuten maar precies een uur. In Eindhoven is het gebruikelijk dat de eerste vraag door de promotor gesteld wordt, welke altijd zal vragen het werk en de conclusies kort toe te lichten waarmee het lekenpraatje onderdeel van de zitting wordt. Ook in Nijmegen houdt de promovendus aan het begin van de zitting een lezing van ca. 10 minuten over de inhoud van de dissertatie. De zitting duurt in Eindhoven en Nijmegen een uur. De promotieplechtigheid in Nijmegen en Tilburg begint en eindigt met een kort gebed, uitgesproken door de rector magnificus nadat iedereen binnen is en voordat de hoogleraren de zaal verlaten.

In Groningen verlaat de promovendus na de toelichting de zaal weer, en wordt in plaats van "Hora est!", "Hora finita!" gebruikt. In Twente wordt de verdediging afgesloten met de woorden "Mijnheer/Mevrouw de rector, de tijd is verstreken."

Bij veel universiteiten is het sinds 1992 niet meer verplicht om stellingen toe te voegen bij een proefschrift. De promovendus bepaalt dan zelf of hij/zij stellingen wil toevoegen. Ingeval een promovendus stellingen wil toevoegen, dan zijn dat er gewoonlijk een stuk of tien. Ongeveer een derde daarvan heeft betrekking op hetgeen er in het proefschrift wordt beweerd of aangetoond; ongeveer een derde gaat over het algemene vakgebied van de promovendus; de overige stellingen zijn vaak algemeen maatschappelijk of grappig bedoeld. De stellingen worden overigens altijd los bij het proefschrift gevoegd; lezers kunnen dan zelf besluiten wat zij ermee doen.

Aan de Universiteit Leiden dragen promovendus en paranimfen een rok met niet een wit, maar een zwart vest (en een wit strikje). De aanspreekvormen voor de leden van de commissie zijn in Leiden: mijnheer de rector magnificus, hooggeschatte promotor en hoog/zeer/weledelgeleerde opponens. In Wageningen kunnen promovendi kiezen voor het dragen van ceremoniële kleding uit het land van herkomst. Ook wordt in Wageningen naast het laudatio ook een judicium uitgesproken waarbij in de openbare toespraak door de promotor het oordeel van de commissie over het proefschrift en de verdediging wordt gegeven.

Uitstel of afstel van de promotie[bewerken]

Een promotieplechtigheid verloopt bijna altijd gladjes. Wel komt het voor dat één of meerdere van de commissieleden flink tegengas geeft, of ronduit ontevredenheid toont over het behaalde resultaat, maar na afloop van de plechtigheid wordt de promotie altijd toegekend. De commissie heeft immers het werk al lang van tevoren gelezen en goedgekeurd. Een afkeuring na de plechtigheid zou niet alleen de promovendus blameren, maar ook de promotor, de commissieleden en de universiteit.[2]

De enige mogelijke uitzondering hierop, zo wordt altijd gezegd, is dat er ter plekke fraude zou worden vastgesteld, bijvoorbeeld plagiaat.

Het komt zo weinig voor dat een al goedgekeurd proefschrift toch niet tot een promotie leidt, dat dit de landelijke kranten zal halen. Voorbeelden:

  • Het is voorgekomen dat de promovendus kwam te overlijden nadat het proefschrift was voltooid en goedgekeurd, maar vóór de dag van de plechtigheid (daar zitten soms meerdere maanden tussen). Dan rijst de vraag of iemand postuum kan promoveren. Die vraag is minder academisch dan hij lijkt, omdat ook een universiteit en de betreffende faculteit belang hebben bij een voltooide promotie: het draagt bij aan de reputatie en het kan ook financiële consequenties hebben. Postume promoties zijn echter niet gebruikelijk, maar zijn wel voorgekomen.
  • Eind 2002 werd aan de Vrije Universiteit Amsterdam een promotie van een van fraude betichte arts op het laatste moment afgeblazen. Het langlopende onderzoek dat volgde trok in 2006 de conclusie dat het inderdaad aannemelijk was dat er gebruikgemaakt was van verzonnen patiëntgegevens.[3] Uiteindelijk stelde het Academisch Medisch Centrum de arts later alsnog in de gelegenheid aan de Universiteit van Amsterdam te promoveren op basis van ander, niet in twijfel getrokken, onderzoek[4]
  • In januari 2008 werd aan de TU Eindhoven de promotie van Marcoen Cabbolet een week van tevoren uitgesteld en later afgeblazen. De vertrouwenscommissie van dezelfde universiteit bracht in augustus 2008 een rapport uit waarin de TU Eindhoven over de kwestie in het ongelijk leek te worden gesteld.[5] De promovendus verdedigde zijn proefschrift uiteindelijk in 2011 aan de Vrije Universiteit Brussel.[6]
  • In september 2011 werd in Tilburg een promotie uitgesteld omdat er in het proefschrift gebruik was gemaakt van verzonnen onderzoeksgegevens die afkomstig waren van Diederik Stapel.[7]
  • In mei 2013 werd een promotie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam een dag tevoren uitgesteld wegens onzorgvuldigheden in het proefschrift.[8]

Promotie in Belgïë[bewerken]

De doctorandus verricht zijn onderzoek in samenspraak met zijn promotor en schrijft zijn thesis uit. De promotor leest die eerst en geeft eventuele opmerkingen. Als de thesis klaar is, dient de doctorandus die in zoveel exemplaren als er juryleden zijn in. De jury bestaat uit de promotor en de decaan en een aantal professoren die geacht worden over kennis van de materie te beschikken. Veelal wordt ten minste een externe professor van een andere universiteit in de jury opgenomen. De faculteitsraad komt samen en bepaalt dan een datum en uur voor de verdediging. Dit wordt ad valvas bekendgemaakt. De verdediging is publiek en behalve de doctorandus en de jury zijn doorgaans ook familieleden, kennissen, collega's assistenten en studenten aanwezig. De doctorandus en de jury gaan gekleed in een pak met das. Soms is er voorafgaand ook een zogeheten preliminaire verdediging, die niet publiek is en waar in de praktijk de beoordeling over de thesis gebeurt. De doctorandus presenteert zijn onderzoek in circa één uur, maar er is geen strikte tijdslimiet. Dan krijgen alle aanwezigen de gelegenheid om vragen te stellen, waarbij de decaan het woord verleent en de doctorandus zo uitgebreid mogelijk antwoordt. In praktijk zijn het de juryleden, die immers als enigen de thesis vooraf hebben kunnen inzien, die vragen stellen. Op aangeven van de decaan trekt de jury zich terug om te beraadslagen. De jury gaat na, of het werk van de doctorandus waar is, bewezen is, relevant is en oorspronkelijk is. Het is hoogst zelden dat een doctoraat na de verdediging niet toegekend wordt. De beraadslaging gaat er vooral over of het doctoraat wordt toegekend met voldoening (is zeldzaam), met onderscheiding, met grote onderscheiding of met de grootste onderscheiding. De jury komt dan terug uit beraadslaging en de decaan leest de graad voor, overhandigt het door de jury ondertekende diploma, dat de nieuwe doctor ook moet ondertekenen. Dan volgt een receptie met schuimwijn.

Aggregaat[bewerken]

Een doctor die een vaste benoeming als gewoon hoogleraar beoogde, kon tot 1995 een aggregaat voor het hoger onderwijs behalen. Dit verliep in twee delen. Het eerste deel ging zoals een doctoraat: de doctor verrichtte onderzoek, schreef een thesis en verdedigde die thesis publiek voor de jury van professoren. Het tweede deel bestond uit de proefles. De doctor moest in de grote aula een openbare proefles geven die voor iedereen begrijpelijk is. De aanwezige professoren van de jury droegen bij die gelegenheid hun toga en de zitting vertoonde een plechtig karakter. Ook de rector was aanwezig. Na de proefles trok de jury zich terug om te beraadslagen en verleende de doctor dan het perkamenten diploma van geaggregeerde voor het hoger onderwijs.

Trivia[bewerken]

Op 19 april 2011 promoveerde in Nijmegen Gerrit F. Deerns, met 89 jaar vermoedelijk de oudste promovendus in de geschiedenis van de Nederlandse universiteiten. Hij was afgestudeerd in de filosofie, en op zijn 69e ook in de theologie.[9]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties