Hoogleraar

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een hoogleraar is een docent en veelal onderzoeker aan een universiteit. Hoogleraren zijn bij uitstek verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het hun toegewezen wetenschapsgebied en voor de inhoud van het te geven onderwijs op dat gebied.

Een hoogleraar behoort tot het personeel van de universiteit. Het wetenschapsgebied waarop de hoogleraar zijn of haar onderwijs- en onderzoekstaken uitoefent is vermeld in het benoemingsbesluit. Vaak houden recent benoemde hoogleraren een inaugurele rede of oratie.

Algemeen[bewerken]

De ambtstitel (en aanspreekvorm) van een hoogleraar is professor, een term die uit het Latijn ('profiteri' dan wel 'professus') stamt. De oorspronkelijke betekenis van het woord is diegene die de professie van het openbare lesgeven uitoefent. Formele titulatuur (bij adressering van brieven en bij academische formele gelegenheden zoals promoties) is Hooggeleerde Heer (Vrouwe). Hoewel Van Dale het woord hooglerares wel noemt, wordt een vrouwelijke hoogleraar altijd gewoon hoogleraar genoemd. De titel professor mag in Nederland niet zomaar gevoerd worden zonder hoogleraarschap,[1] In België kan dat zonder veel consequenties. Hoewel in Nederland niet toegestaan is het niet strafbaar; professor is immers de aanduiding van een universitaire aanstelling en geen academische graad. Doorgaans is de hoogste graad die aan een universiteit wordt toegekend, die van doctor. In enkele Europese landen kent men daarboven nog de habilitatie.

Een hoogleraar heeft het recht als promotor op te treden. Dat houdt in dat hij namens het College voor promoties van de betreffende universiteit een promovendus tot doctor mag bevorderen nadat deze onder toezicht van de hoogleraar een proefschrift heeft geschreven en dit heeft verdedigd tijdens een promotieplechtigheid. De hoogleraar behoudt dit promotierecht nog gedurende vijf jaren na eervol ontslag. Als daar goede redenen voor zijn kan deze termijn van vijf jaar (na eervol ontslag) worden verlengd, bijvoorbeeld omdat de betreffende hoogleraar nog een aantal promotietrajecten begeleidt.

Hoewel de meeste hoogleraren gepromoveerd zijn, gelden er in beginsel geen opleidingseisen. Zelfs een academische opleiding is niet vereist. De universiteit bepaalt wie geschikt is om hoogleraar te zijn. Vooral in praktijkgerichte vakken en academische kunstenaarsopleidingen (bijvoorbeeld de opleiding tot architect) komt het met enige regelmaat voor dat de hoogleraar studenten opleidt tot een diploma dat hoger is dan hij zelf bezit.

In Nederland is een hoogleraar gerechtigd de titel professor te voeren. Een oud-hoogleraar aan wie om gezondheidsredenen, wegens vrijwillig vervroegd uittreden, dan wel bij of na het bereiken van de voor de openbare dienst geldende functionele leeftijdsgrens eervol ontslag als hoogleraar is verleend, is eveneens gerechtigd deze titel te blijven voeren.

Het is in het Nederlands zeer ongebruikelijk de titel professor of prof. na de ambtsaanduiding hoogleraar te gebruiken. Dus niet de hoogleraar prof. dr. J. Jansen, maar prof. dr. J. Jansen of de hoogleraar dr. J. Jansen. In het tweede geval kan in het vervolg van de tekst de titel prof. worden gebruikt, maar dan zonder hoogleraar erbij.

De pensioenperiode van een hoogleraar wordt zijn of haar emeritaat genoemd. De hoogleraar "gaat met emeritaat". Schertsend wordt daar binnen de academische kring soms de term "Otium cum dignitate" aan toegevoegd.

Situatie per land[bewerken]

In Nederland[bewerken]

Nederlandse universiteiten kennen hoogleraren 1 en 2 (het gaat hierbij om een aanduiding van de salarisschaal van de betreffende hoogleraar, wat vaak samengaat met een hiermee corresponderend verschil in ervaring en verantwoordelijkheden). Daaronder zijn er aan universiteiten nog de functies van universitair docent en universitair hoofddocent. Aangezien zij geen hoogleraarschap bekleden worden zij niet aangesproken met 'professor'. Vroeger kenden universiteiten ook nog lectoren (in 'rang' direct onder hoogleraar), maar deze functie is nu de benaming voor het hogeschoolequivalent van de hoogleraar. De vroegere universitaire lector is via hoogleraar A nu hoogleraar 2.

Nederlandse hoogleraar (Jacobus Cornelius Kapteyn) met toga en baret

Er kan onderscheid gemaakt worden tussen de volgende soorten hoogleraren:

  • gewoon hoogleraar: iemand die het hoogleraarschap als hoofdberoep heeft en waarbij zijn of haar leerstoel betaald wordt door de universiteit. Gewoonlijk gaat het om een voltijds- of substantiële deeltijdaanstelling met een relatief grote hoeveelheid bestuurswerkzaamheden. Dit soort hoogleraren is vaak de leidinggevende van een afdeling aan een universiteit.
  • buitengewoon hoogleraar: een hoogleraarschap dat niet voltijds vervuld wordt, maar wel door de betreffende universiteit gefinancierd wordt; de verantwoordelijkheden zijn duidelijk geringer dan die van een gewoon hoogleraar.
  • bijzonder hoogleraar een hoogleraar die door een andere instelling dan de universiteit gefinancierd wordt. Meestal is zo'n hoogleraarschap een nevenfunctie en werkt de bekleder van de bijzondere leerstoel elders. Gewoonlijk gaat het om een hoogleraarsfunctie die voor één dag in de week wordt vervuld. Hij wordt op voordracht van een stichting, instelling, enz. door de betreffende universiteit benoemd (die draagt immers de "wetenschappelijke verantwoordelijkheid"), terwijl de leerstoel gefinancierd wordt door de voordragende instelling. Dit type leerstoelen wordt vaak ingesteld om de band met een bepaald maatschappelijk veld te versterken, dan wel om de universiteit een bepaald profiel te geven, en kan soms gezien worden als een vorm van reclame. Een bijzonder geval hiervan - in feite de oorspronkelijke - is de zogenaamde. kerkelijk hoogleraar, die door een kerkgenootschap is aangesteld aan een theologische faculteit, om het op dat specifieke kerkgenootschap gerichte gedeelte van het theologische onderwijs te verzorgen.
  • persoonlijk hoogleraar: hoogleraar die op persoonlijke titel, gewoonlijk vanwege uitzonderlijke onderzoekscapaciteiten, is benoemd aan een universiteit en wiens leerstoel gefinancierd wordt door de universiteit. Verschilt van de gewoon hoogleraar in de zin dat deze laatste een structurele positie bezet (dat wil zeggen, bij vertrek van de gewoon hoogleraar wordt er een ander op deze positie benoemd), terwijl een persoonlijk hoogleraarschap persoonsgebonden is (wordt bij vertrek van de functionaris niet opgevuld).
  • universiteitshoogleraar: hoogleraar met bijzondere positie aan sommige Nederlandse universiteiten. Vaak gaat het om excellente onderzoekers die voor een bepaalde tijd worden vrijgesteld van het verrichten van bestuurlijke taken en (soms) onderwijs, zodat zij meer tijd kunnen besteden aan hun onderzoek.
  • akademiehoogleraar: hoogleraar die tussen de 54 en 59 jaar is op het moment dat hij wordt voorgedragen. Het gaat om een hoogleraar die bijzondere wetenschappelijke prestaties heeft geleverd. De Akademiehoogleraar wordt benoemd en betaald door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en wordt in de gelegenheid gesteld om zich voor een periode van vijf jaar geheel te wijden aan innovatief onderzoek en aan de opleiding van onderzoekers.

Op 10 februari 1917 werd de plantkundige Johanna Westerdijk (1883-1961) de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland.

Anno 2014 wordt het aantal hoogleraren in Nederland door de VSNU geschat op 5200, hoewel onderzoek van de Groene Amsterdammer uitwijst dat dit getal zo'n vijfhonderd hoogleraren niet meetelt.[2]

In Vlaanderen[bewerken]

In de Vlaams Gemeenschap zijn aan de universiteiten en de hogescholen met een masteropleiding de opeenvolgende rangen van het zelfstandig academisch personeel (ZAP): docent, hoofddocent, hoogleraar en gewoon hoogleraar. Voor elk van deze rangen is een doctoraat noodzakelijk. Buiten deze hiërarchie bestaan ook de buitengewoon hoogleraar, dit is een zijsprong in de academische carrière, hij heeft een deeltijdse opdracht en oefent dikwijls naast zijn academische bezigheden ook belangrijke taken in de private of openbare sector uit. Al deze academici worden als 'professor' aangesproken.[3]

In de Verenigde Staten[bewerken]

In de Verenigde Staten is, net zoals in België, maar in tegenstelling tot Nederland, 'professor' een aanspreektitel die gebruikt wordt voor alle docenten die lesgeven aan een college of universiteit. Het Amerikaanse hoger onderwijssysteem kent voornamelijk de volgende soorten aanstellingen: instructor (geen doctoraat nodig), lecturer (veelal doctoraat nodig), assistant professor (doctoraat nodig. NL: universitair docent, BE: docent), associate professor (NL: universitair hoofddocent, BE: hoofddocent) en (full) professor (NL: hoogleraar 1 en 2, BE: hoogleraar en gewoon hoogleraar/buitengewoon hoogleraar).

Duitsland[bewerken]

In Duitsland hebben ook de "Fachhochschulen" Professoren, die aan de wettelijk vastgestelde voorwaarden moeten voldoen, een ministeriële goedkeuring voor de benoeming nodig hebben en volgens de wettelijke regelingen gelijkgesteld zijn aan de universitaire hoogleraren; de Bachelor- en Master-diploma's van Duitse Fachhochschulen zijn immers gelijkwaardig aan de diploma's van de Universitäten, zodoende zijn de voorwaarden voor benoeming tot Professor tevens gelijkgeschakeld. De hoogste rechtbank, het Bundesverfassungsgericht, heeft in een recent oordeel van 13 april 2010 (besluit 1 BvR 216/07) aan de gebruikelijke inschaling van Fachhochschulen als hoger beroepsgericht onderwijs (HBO) een einde gemaakt en deze instellingen sindsdien als gelijkgesteld met de universiteiten geplaatst.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

  • NARCIS, een overzicht van Nederlandse hoogleraren en universitaire hoofddocenten in de wetenschapsportal NARCIS.
  • KNAW Akademiehoogleraren.

Voetnota's[bewerken]

  1. Rijksoverheid, welke titel mag ik wanneer voeren en wanneer
  2. Ondernemende professoren. De Groene Amsterdammer, 27 november 2014.
  3. Decreet betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap van 12 juni 1991, Art. 64