Ovidius

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Publius Ovidius Naso (Sulmo, 20 maart 43 v.Chr. - Tomis, 17 na Chr.) behoort samen met Vergilius, Horatius, Propertius en Tibullus tot de grote dichters uit het Augusteïsche tijdvak. Samen met de eerste twee wordt hij beschouwd als de canonieke dichters van de Latijnse literatuur. Met de laatste twee vormde hij de elegiaci. Ovidius was bevriend met Propertius, Bassus en Ponticus. Vergilius en Tibullus waren al gestorven voordat Ovidius hen had kunnen ontmoeten. [1]

Ovidius' poëzie staat bekend om zijn speelse en vernieuwende karakter, vooral in de manier waarop wordt omgegaan met traditionele verhalen en genres. Zijn bekendste werken zijn de Metamorphosen, een mythologisch epos; de Heroides, een verzameling brieven van, voornamelijk, mythologische vrouwen aan hun minnaars; de Ars Amatoria, een leerdicht over verleidingstechnieken; en de Amores, een verzameling elegieën. Ook schreef Ovidius de Tristia en de Epistulae ex Ponto, twee gedichtenbundels geschreven tijdens zijn verbanning aan de Zwarte Zee. Verder is Ovidius bekend om zijn onvoltooide Fasti, een gedicht over de Romeinse kalender en een belangrijke historische bron over Romeinse feesten. De poëzie van Ovidius is veelvuldig geïmiteerd tijdens de Late Oudheid en Middeleeuwen en heeft een grote invloed gehad op de Europese kunst en literatuur.

Levensloop[bewerken]

Publius Ovidius Naso

Ovidius werd geboren op 20 maart 43 v.Chr. [2] uit een welgestelde ridderfamilie te Sulmo, nu het stadje Sulmona in de Abruzzen, op 100 km ten oosten van Rome. Dit schreef hij zelf in een autobiografisch gedicht tijdens zijn ballingschap in Tomi waarin hij beweert dat hij de zoon van een Romeinse burger uit Sulmo is. [3] Hij had een broer die net één jaar ouder was. De beide jongens kregen een verzorgde opvoeding, ze studeerden onder meer retorica en rechten, eerst in Rome en later in Athene. Dit was de gebruikelijke opvoeding voor welgestelde Romeinen in die tijd. De dood van zijn broer, die op 20-jarige leeftijd stierf na terugkeer uit Athene, was een zware slag voor de jonge Ovidius. Ovidius trouwde drie keer, maar de namen van zijn echtgenotes zijn niet bekend.[4] In zijn Tristia 4,10 en 1,3 vertelt hij zelf over zijn levensloop.[5]

In een politieke of juridische carrière had Ovidius helemaal geen interesse, maar des te meer voor literatuur, tot ongenoegen van zijn vader, die het niet eens was met zijn literaire aspiraties. Niettemin debuteerde hij op 18-jarige leeftijd met zijn Amores, en maakte al vroeg naam als minnedichter, één van de vele groten tijdens de "gouden eeuw" van keizer Augustus. Hij was goed bevriend met Tibullus en Propertius. Ook Horatius behoorde tot zijn kennissen, deze droeg soms voor uit eigen werk. Met Vergilius, die de oudere generatie vertegenwoordigde, heeft hij één enkele keer kennis gemaakt. Ovidius was welgesteld genoeg om zich volledig aan de dichtkunst te wijden. Algauw volgden de Ars Amatoria (de kunst van het liefhebben) en de Remedia Amoris (Remedies tegen de liefde), zijn bekendste dichtbundels. Hij kon zich een luxueus en losbandig leventje in de mondaine grootstad Rome veroorloven. Als gevierd dichter hield hij regelmatig voordrachten uit eigen werk, wat zijn roem alleen maar vergrootte.

Verbanning naar Tomis?[bewerken]

Ovidius vertelt in zijn dichtwerken dat hij in 8 na Chr. werd verbannen door keizer Augustus naar het verre Tomis (het huidige Constanţa, aan de kust van de Zwarte Zee, provincie Moesia, nu Roemenië). Van deze strafmaatregel bestaan echter geen andere vermeldingen dan die van Ovidius zelf. Er zijn daarom volgens deskundigen[6] twee mogelijkheden: A) Ovidius werd door keizer Augustus verbannen naar Tomis; B) Ovidius werd niet verbannen, hij heeft dit zelf doelbewust verzonnen, ‘in scène gezet’.

A. Verbanning naar Tomis[bewerken]

De reden voor deze verbanning is nooit echt opgehelderd. Ovidius zelf schrijft in zijn werk Tristia (Treurzangen) dat een carmen (gedicht) en een error (vergissing) hem ten val brachten. Het gaat volgens Ovidius om het gedicht de Ars Amatoria [7] , dat met zijn frivole losbandigheid tegen de morele hervormingen van keizer Augustus indruiste. Deze vaardigde juist allerlei wetten uit ter bevordering van de moraliteit, omdat het volk in zijn ogen moreel was afgegleden na de burgeroorlogen. Oude normen en waarden moesten in ere worden hersteld. Ovidius’ werk stond daar haaks op.

Ovidius vertelt ook wat de vergissing inhield: hij had per ongeluk iets gezien, wat hij niet had mogen zien. Over wat hij precies zag is veel gespeculeerd. Misschien had hij Augustus betrapt tijdens een amoureuze ontmoeting? Of wellicht had hij deelgenomen aan een uitspatting van Augustus’ enige dochter Julia? We weten het niet, maar Ovidius vond kennelijk dat hij geen misdaad heeft begaan en het slachtoffer is van een misverstand.

Daar, in een uithoek van de Romeinse wereld, leidde de frivole stadsmens Ovidius een troosteloos bestaan in eenzaamheid, en kwijnde langzaam weg te midden van wat hij barbaren noemde. Door zijn verbanning had Ovidius geen zin meer om de Fasti af te maken. [8] Zijn vrouw bleef achter in Rome. Augustus stond Ovidius weliswaar toe zijn bezit en burgerrechten te behouden, maar het stak de dichter enorm uit de beschaafde wereld te zijn verstoten. Voor iemand uit de Romeinse bovenklasse was de verbanning een gruwelijke straf. Zonder ooit in eer hersteld te zijn is Ovidius overleden in 18 n.C. Volgens sommige bronnen was dit halverwege 17 n.C., maar in de Fasti beschrijft hij de bouw van een nieuwe tempel voor Jupiter in oktober dat jaar. Dat nieuws had natuurlijk wat tijd nodig om in Tomis aan te komen, dus Ovidius zal begin 18 n.C. zijn gestorven. [9]

Voor zichzelf liet hij een grafschrift na:

Ik, Naso, die hier rust, die speelse dichter van de liefde,
ben door mijn eigen dichttalent ten val gebracht.
Reiziger, wees zo goed, indien u ooit bemind hebt,
te zeggen: 'Beenderen van Ovidius, rust zacht!
Tristia 3.3.73-6; vert. D. den Hengst

B. ‘Verbanning’ verzonnen als publiciteitsstunt[bewerken]

Sommige geleerden (J. J. Hartman, O. Janssen, A. Fitton Brown) hebben de hypothese verdedigd dat Ovidius zijn verbanning ensceneerde, als raam voor zijn Tristia en Epistulae ex Ponto. Door uit het zicht van de Romeinse stadsmensen te verdwijnen wist hij zich in de belangstelling te werken.

Voor deze veronderstelling zijn de volgende argumenten aangevoerd: Ovidius werd onwaarschijnlijk ver verbannen voor iemand die ofwel geen misdaad, ofwel een zeer lichte misdaad begaan had; ook kreeg hij nooit vergiffenis, wat het nog onwaarschijnlijker maakt; de gegeven topografische details zijn onjuist; al zijn werken zijn volledig bewaard gebleven wat erop wijst dat ze uitgegeven zijn in Rome. Door die error te vermelden en zeer geringe details te geven bouwde hij een spanning op bij zijn lezerspubliek, want de Romeinse roddelmachine zou willen weten wat hij had gezien, en zo zijn volgende werken willen lezen.

Sommige tegenstanders van de theorie van de verbanning brengen ook in dat de Ars amatoria het zeer braaf houdt, en eigenlijk alleen maar tips geeft tot het versieren van een meisje, en er geen sprake is van aanmoedigingen tot decadente toestanden.

Ovidius' werk[bewerken]

Ovidius_Werken. Amsterdam 1697

Zijn werk als dichter valt in een aantal perioden uiteen:

Jeugdwerk[bewerken]

In de Latijnse literatuur wordt de benaming "Jeugdwerk" vaak gekoppeld aan de mindere lectuur, vervaardigd als schoolopdracht of als probeersel om een eigen stijl te vinden. Dit geldt echter niet voor de Ars Amatoria, de Amores en de Epistulae Heroidum, die al gerekend kunnen worden tot zeer hoogstaande literatuur en reeds de kenmerken van de volgende werken vertonen. In de eerste periode ligt het accent in zijn werk op de liefde en de erotiek.

  • Zijn hoofdwerk uit die tijd is de bundel Amores (Liefdeszangen), gepubliceerd 16 voor Chr.: lichtvoetige verzen waarin Ovidius zijn denkbeeldige liefde Corinna bezingt. De liefde wordt vooral als een spel geschetst.
  • De Amores is Ovidius' eerste grote werk. De invloed van andere grote schrijvers als Tibullus en Propertius is duidelijk te zien in de erotische gedichten, die gaan over liefdesavonturen, nachtelijke serenades, jaloezie en veel meer. De vrouw over wie Ovidius schrijft is Corinna. Zij kreeg zo veel verschillende eigenschappen dat er wordt verwacht dat zij nooit echt heeft bestaan. Ovidius verklaarde zelf dat hij geen genoegen nam met maar één vrouw, hij had er liever minstens twee, en zou zich aangetrokken voelen tot elke mooie vrouw. [10] De Amores bestaat uit 49 gedichten, variërend van 18 tot 114 regels lang. [11]

Naast de Amores schreef hij ook de Heroides, ook wel Epistulae Heroidum, in het elegisch distychon. De Heroides zijn moeilijk te dateren. De eerste 15 brieven van beroemde vrouwen aan hun geliefden zijn op een enkele uitzondering na, geschreven voor 15 v.C. Van de laatste 6 brieven zijn er 3 geschreven door bekende mannen en in de andere drie staat het antwoord van hun vrouw. Deze zijn tussen 4 en 8 n.C, vlak voor Ovidius' verbanning naar Tomi geschreven. [12]

  • Ook de Ars Amatoria (Minnekunst), ook wel Ars Amandi, dateert uit deze periode: tussen 1 voor Chr. en 8 na Chr.. Het is een leerboek in verzen over verliefd worden en verliefd zijn, en een parodie op de didactische poëzie. De informatie en inspiratie voor Ars Amatoria (en andere gedichten) had Ovidius bijna altijd door eigen ervaringen en inzichten. Soms heeft hij wel tips uit de Hellenistische poëzie gebruikt. [13]

Ars amandi heeft 2330 versregels, het vervolg Remedia amoris heeft er ruim 800. [14] Toen Ars Amandi acht jaar bestond, werd het door keizer Augustus verboden om het te lezen en werd het uit de Romeinse bibliotheken verwijderd. [15]

  • In die tijd verscheen nog een klein "tussenwerk", de Medicamina Faciei (eerder dan 8 na Chr.), een boek over de gelaatsverzorging.
  • Als vervolg hierop verscheen ook de Remedia Amoris (Remedies tegen de liefde).

Hoofdwerk[bewerken]

In de tweede periode zoekt hij zijn inspiratie in de Griekse mythologie en de nationale folklore.

  • Het belangrijkste werk dat in deze tijd ontstaat is de Metamorphosen (Gedaanteverwisselingen): een bundel verhalen uit de Griekse mythologie (door onder anderen Vondel is dit werk later in het Nederlands vertaald). De Metamorphoses bestaat uit 15 boeken met verhalen uit de Griekse mythologie, beginnend bij de schepping van de wereld en eindigend met de apotheose van Caesar. Toen Ovidius in 8 n.C. door keizer Augustus verbannen werd, was de Metamorphoses nog niet af. Hij verbrandde zijn werk, maar door kopieën die zijn vrienden hadden, bleef het gespaard. [16]
  • Ook begon hij aan zijn onvoltooide Fasti, een Romeinse feestkalender, waarin elke maand beschreven en etiologisch verklaard wordt. In de Fasti wordt met behulp van astrologische, meteorologische, agrarische, mythologische en historische informatie elke maand beschreven. [17] Ook wordt de oorsprong van alle feestdagen en bijbehorende rituelen beschreven. In zijn ballingsoord is het werk onafgewerkt blijven liggen: slechts de eerste zes maanden waren klaar. Vermoedelijk ebde zijn interesse voor de etiologische verklaring van de feestdagen weg en besloot hij het halverwege af te breken.

Laat werk[bewerken]

Zoals 'Jeugdwerk' vaak samenhangt met mindere werken, zo wordt de term 'Laat werk' vaak gekoppeld aan herhaling, wat ook niet van toepassing is op de werken van Ovidius. In zijn Tristia en de Epistulae ex Ponto maakt hij een schitterende synthese van lyriek en epiek. De derde periode valt samen met zijn ballingschap in Tomis. Daar heeft hij nog een aantal werken geschreven:

  • De Tristia (Treurzangen), een 5-delige bundel met brieven aan vrienden en kennissen in Rome, waarin geklaagd werd over de omstandigheden van zijn ballingschap en gevraagd werd om voor zijn vrijlating te pleiten bij de keizer.
  • Daarnaast de Epistulae ex Ponto (Brieven vanuit het Zwarte Zeegebied), een verzameling poëtische verzoekschriften gericht aan vrienden en prominente Romeinen met de bede hun invloed aan te wenden aan het keizerlijke hof, om herziening van zijn lotsbestemming te bekomen. De eerste drie boeken werden uitgegeven in 12-13 n.C., het 4e werd pas na zijn dood gepubliceerd. Hij zou ook een gedicht in het Getisch geschreven hebben, dit is echter nooit bewezen.
  • Na Ovidius' dood in 17 na Chr. zijn ook nog de Halieutica, een werk over de vissen in de Zwarte Zee, en Nux (de Noteboom), over een noteboom die door voorbijgangers werd bekogeld met stenen, onder zijn naam uitgegeven.[18]

Waardering[bewerken]

De waardering voor Ovidius verandert met de tijd. Tijdens zijn leven werd hij zeer geprezen om zijn metrisch vernuft en gevoel voor drama. Er was echter ook een groep tegenstanders die zijn werk te 'frivool' vond.

In de vroege middeleeuwen werd zijn werk amper gelezen. Het zou immoreel en heidens zijn. Vergilius genoot toen echter grote waardering, wat te verklaren valt doordat deze wel een moraliserende inslag heeft en het verhevene predikt. Pas in de 12e eeuw werd Ovidius' dichtkunst meer op waarde geschat. Men paste wel een christelijke allegorisch-moraliserende uitleg toe. Dit leidde tot de Ovide Moralisé en commentaren van onder meer Pierre Berçuire in het Reductorium Morale.

Vooral in de renaissance in de 16e en 17e eeuw grijpen velen terug op motieven uit zijn werken. Dit wordt ook wel eens de "Aetas Ovidiana" (het "Ovidius-tijdperk") genoemd. Zijn vertelkunst inspireerde Torquato Tasso, Chaucer, John Milton en Vondel.

Noten[bewerken]

  1. P. Gerbrandy, Het feest van Saturnus, Amsterdam, 2007, pagina 195
  2. G.B. Conte, Latin Literature, Firenze, 1987, vertaald door Joseph B. Solodow in 1994, editie uit 1999, pagina 340
  3. P. Gerbrandy, Het feest van Saturnus, Amsterdam, 2007, pagina 194
  4. Ovidius, Tristia, Ex Ponto, introd. ed. trad. A.L. Wheeler, Cambridge - Londen, 1924 (= 1939), pp. xvi-xvii
  5. G.J.M. Bartelink, Klassieke Letterkunde, Utrecht 1964, 7e druk 2000, pagina 216
  6. Onder anderen de Nederlandse Ovidius-vertaler W.A.M. Peters, in zijn inleiding in: ‘Ovidius – Tristia. Ballingschapsgedichten. Ambo/Baarn, 1995’.
  7. M. d’Hane-Scheltema, Ovidius Lessen in Liefde, Amsterdam, 2004, vertaling van Ars amandi en Remedia amoris, pagina 7-8
  8. G.J.M. Bartelink, Klassieke Letterkunde, Utrecht, 1964, 7e druk 2000, pagina 218
  9. H.J. Rose, A Handbook of Latin Literature, London, 1936, oplage uit 1991 van de herziene en uitgebreide uitgave uit 1966, pagina 326
  10. G.B. Conte, Latin Literature, Firenze, 1987, vertaald door Joseph B. Solodow in 1994, editie uit 1999, pagina 343
  11. H.J. Rose, A Handbook of Latin Literature, London, 1936, oplage uit 1991 van de herziene en uitgebreide uitgave uit 1966, pagina 327
  12. G.B. Conte, Latin Literature, Firenze, 1987, vertaald door Joseph B. Solodow in 1994, editie uit 1999, pagina 346-347
  13. H.J. Rose, A Handbook of Latin Literature, London, 1936, oplage uit 1991 van de herziene en uitgebreide uitgave uit 1966, pagina 330
  14. M. d’Hane-Scheltema, Ovidius Lessen in Liefde, Amsterdam, 2004, vertaling van Ars amandi en Remedia amoris, pagina 7
  15. M. d’Hane-Scheltema, Ovidius Lessen in Liefde, Amsterdam, 2004, vertaling van Ars amandi en Remedia amoris, pagina 7
  16. G.J.M. Bartelink, Klassieke Letterkunde, Utrecht 1964, 7e druk 2000, pagina 217-218
  17. P. Gerbrandy, Het feest van Saturnus, Amsterdam, 2007, pagina 196
  18. G.J.M. Bartelink, Klassieke Letterkunde, Utrecht 1964, 7e druk 2000, pagina 218

Zie ook[bewerken]

Ars Amatoria

Externe links[bewerken]

Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina la:scriptor:Publius Ovidius Naso op Wikisource