Ovidius

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Publius Ovidius Naso (Sulmo, 20 maart 43 v.Chr. - Tomis, 17 na Chr.) behoort samen met Vergilius, Horatius, Propertius en Tibullus tot de grote dichters uit het Augusteïsche tijdvak. Met deze laatste twee vormde hij ook de elegiaci.

Inhoud

[bewerken] Levensloop

Publius Ovidius Naso

Ovidius werd geboren op 20 maart 43 v.Chr. uit een welgestelde ridderfamilie te Sulmo, nu het stadje Sulmona in de Abruzzen, op 100 km ten oosten van Rome. Hij had een broer die net één jaar ouder was. De beide jongens kregen een verzorgde opvoeding, ze studeerden onder meer retorica en rechten, eerst in Rome en later in Athene. Dit was de gebruikelijke opvoeding voor welgestelde Romeinen in die tijd. De dood van zijn broer, die op twintigjarige leeftijd stierf na terugkeer uit Athene, was een zware slag voor de jonge Ovidius. Ovidius trouwde drie keer, maar de namen van zijn echtgenotes zijn niet bekend.[1]

In een politieke of juridische carrière had Ovidius helemaal geen interesse, maar des te meer voor literatuur, tot ongenoegen van zijn vader, die het niet eens was met zijn literaire aspiraties. Niettemin debuteerde hij op 18-jarige leeftijd met zijn Amores, en maakte al vroeg naam als minnedichter, één van de vele groten tijdens de "gouden eeuw" van keizer Augustus. Hij was goed bevriend met Tibullus en Propertius. Ook Horatius behoorde tot zijn kennissen, deze droeg soms voor uit eigen werk. Met Vergilius, die de oudere generatie vertegenwoordigde, heeft hij één enkele keer kennis gemaakt. Ovidius was welgesteld genoeg om zich volledig aan de dichtkunst te wijden. Algauw volgden de Ars Amatoria (de kunst van het liefhebben) en de Remedia Amoris (Remedies tegen de liefde), zijn bekendste dichtbundels. Hij kon zich een luxueus en losbandig leventje in de mondaine grootstad Rome veroorloven, hij was een echte societyfiguur. Als gevierd dichter hield hij regelmatig voordrachten uit eigen werk, wat zijn roem alleen maar vergrootte.

[bewerken] Verbanning naar Tomis

Ondanks zijn succes werd hij om een nog onverklaarbare reden door keizer Augustus (waarschijnlijk vond Augustus hem iets te lichtzinnig) in 8 na Chr. verbannen naar het verre Tomis (het huidige Constanţa, aan de kust van de Zwarte Zee, provincie Moesia, nu Roemenië). Daar, in een uithoek van de Romeinse wereld, leed de frivole stadsmens Ovidius een troosteloos bestaan in eenzaamheid, en kwijnde langzaam weg te midden van wat hij barbaren noemde. Zijn vrouw bleef achter in Rome. Augustus stond Ovidius weliswaar toe zijn bezit en burgerrechten te behouden, maar het stak de dichter enorm uit de beschaafde wereld te zijn verstoten. Voor iemand uit de Romeinse high society was de verbanning een gruwelijke straf. Zonder ooit in eer hersteld te zijn, overleed hij in ballingschap in 17 na Chr.

Voor zichzelf liet hij een grafschrift na:

 Ik, Naso, die hier rust, die speelse dichter van de liefde,
 ben door mijn eigen dichttalent ten val gebracht.
 Reiziger, wees zo goed, indien u ooit bemind hebt,
 te zeggen: 'Beenderen van Ovidius, rust zacht!'
 Tristia 3.3.73-6; vert. D. den Hengst

De reden voor deze verbanning is nooit echt opgeklaard. Ovidius zelf schrijft in zijn werk Tristia (Treurzangen) dat een carmen (gedicht) en een error (vergissing) hem ten val brachten. Met het gedicht wordt waarschijnlijk de Ars Amatoria bedoeld, dat met zijn frivole losbandigheid tegen de morele hervormingen van keizer Augustus indruiste. Deze vaardigde juist allerlei wetten uit ter bevordering van de moraliteit, omdat het volk in zijn ogen moreel was afgegleden na de burgeroorlogen. Oude normen en waarden moesten in ere worden hersteld. Ovidius’ werk stond daar haaks op. Tegenstanders van deze theorie brengen daar echter niet onterecht tegen in dat de Ars amatoria het nog zeer braaf houdt, en eigenlijk alleen maar tips geven tot het versieren van een meisje dan tot decadente toestanden.

Ovidius vertelt ook wat de vergissing inhield: hij had per ongeluk iets gezien, wat hij niet had mogen zien. Over wat hij precies zag is veel gespeculeerd. Misschien had hij Augustus betrapt tijdens een amoureuze ontmoeting? Of wellicht had hij deelgenomen aan een uitspatting van Augustus’ enige dochter Julia? We weten het niet, maar Ovidius vond kennelijk dat hij geen misdaad heeft begaan en het slachtoffer is van een misverstand.

Zeer waarschijnlijk is echter dat hij zijn verbanning ensceneerde als raam voor zijn Tristia en Epistulae ex Ponto. Door uit het zicht van de Romeinse stadsmensen te verdwijnen wist hij zich in de belangstelling te werken. Voor deze theorie zijn de meeste bewijzen: hij werd onwaarschijnlijk ver verbannen aangezien hij ofwel geen misdaad, ofwel een zeer lichte misdaad begaan had, ook kreeg hij nooit vergiffenis wat het nog onwaarschijnlijker maakt. Al zijn werken zijn volledig bewaard gebleven wat erop wijst dat ze uitgegeven zijn in Rome. Door die error te vermelden en zeer geringe details te geven bouwde hij ook een soort van spanning op, want de Romeinse roddelmachine zou willen weten wat hij had gezien en zo zijn volgende werken willen lezen.

Ook werden er dingen uit zijn Metamorphosen gehaald.

[bewerken] Ovidius’ werk

Zijn werk als dichter valt in een aantal perioden uiteen:

1) Jeugdwerk

  • In de eerste periode ligt het accent in zijn werk op de liefde en de erotiek. Zijn hoofdwerk uit die tijd is de bundel Amores (Liefdeszangen): lichtvoetige verzen waarin Ovidius zijn denkbeeldige liefde Corinna bezingt. De liefde wordt vooral als een spel geschetst. Ook de Ars Amatoria (Minnekunst) dateert uit deze periode. Het is een leerboek in verzen over verliefd worden en verliefd zijn, en een parodie op de didactische poëzie. Hierna verscheen nog een klein "tussenwerk" de Medicamina Faciei een boek over de gelaatsverzorging. Als vervolg hierop verscheen ook de Remedia Amoris (Remedies tegen de liefde). In de Latijnse literatuur wordt de benaming "Jeugdwerk" vaak gekoppeld aan de mindere lectuur, vervaardigd als schoolopdracht of als probeersel om een eigen stijl te vinden. Dit geldt echter niet op de Ars Amatoria, de Amores en de Epistulae Heroidum, die al gerekend kunnen worden tot zeer hoogstaande literatuur en reeds de kenmerken van de volgende werken vertonen.

2) Hoofdwerk

  • In de tweede periode zoekt hij zijn inspiratie in de Griekse mythologie en de nationale folklore. Het belangrijkste werk dat in deze tijd ontstaat is de Metamorphosen (Gedaanteverwisselingen): een bundel verhalen uit de Griekse mythologie (door onder andere Vondel is dit werk later in het Nederlands vertaald). Ook begon hij aan zijn onvoltooide Fasti, een Romeinse feestkalender, waarin elke maand beschreven en etiologisch verklaard wordt. In zijn ballingsoord is het werk onafgewerkt blijven liggen: slechts de eerste zes maanden waren klaar. Vermoedelijk ebde zijn interesse voor de etiologische verklaring van de feestdagen weg en besloot hij het halverwege af te breken.

3) Laat werk

  • De derde periode valt samen met zijn ballingschap in Tomis. Daar ontstaan de Tristia (Treurzangen), een bundel autobiografische elegieën over de omstandigheden van zijn ballingschap. Daarnaast schreef hij de Epistulae ex Ponto (Brieven vanuit het Zwarte Zeegebied), een verzameling poëtische verzoekschriften gericht aan vrienden en prominente Romeinen met de bede hun invloed aan te wenden aan het keizerlijke hof, om herziening van zijn lotsbestemming te bekomen. Zoals Jeugdwerk vaak samenhangt met mindere werken, zo wordt de term Laat werk vaak gekoppeld aan herhaling. Wat ook niet van toepassing is op de werken van Ovidius. In zijn Tristia en de Epistulae ex Ponto maakt hij een schitterende synthese van lyriek en epiek. Na Ovidius zijn dood in 17 na Chr. is ook nog de Halieutica, een werk over de vissen in de Zwarte Zee, onder zijn naam uitgegeven.

[bewerken] Waardering

De waardering voor Ovidius verandert met de tijd. Tijdens zijn leven werd hij zeer geprezen om zijn metrisch vernuft en gevoel voor drama. Er was echter ook een groep tegenstanders die zijn werk te 'frivool' vond.

In de vroege middeleeuwen werd zijn werk amper gelezen. Het zou immoreel en heidens zijn. Vergilius genoot toen echter grote waardering, wat te verklaren valt doordat deze wel een moraliserende inslag heeft en het verhevene predikt. Pas in de 12e eeuw werd Ovidius' dichtkunst meer op waarde geschat. Men paste wel een christelijke allegorisch-moraliserene uitleg toe. Dit leidde tot de Ovide Moralisé en commentaren van onder meer Pierre Berçuire in het Reductorium Morale.

Vooral in de renaissance in de 16e en 17e eeuw grijpen velen terug op motieven uit zijn werken. Zijn vertelkunst inspireerde Torquato Tasso, Chaucer, John Milton en Vondel.

[bewerken] Noten

  1. Ovidius, Tristia, Ex Ponto, introd. ed. trad. A.L. Wheeler, Cambridge - Londen, 1924 (= 1939), pp. xvi-xvii

[bewerken] Externe links

Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina la:scriptor:Publius Ovidius Naso op Wikisource

Persoonlijke instellingen