Albert Verwey

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Albert Verwey, omstreeks 1885 geschilderd door Jan Veth

Albert Verwey, officieel: Verweij (Amsterdam, 15 mei 1865 - Noordwijk aan Zee, 8 maart 1937) was een Nederlandse letterkundige (dichter, essayist).

De Nieuwe Gids[bewerken]

Albert Verwey was de zoon van een Amsterdamse meubelmaker. Zijn leraar Nederlands, Dr. Willem Doorenbos, die in Verweys eerste proeve van poëzie een opmerkelijk talent meende te herkennen, bracht hem in contact met een oud-leerling, Frank van der Goes. Deze stelde hem op zijn beurt in december 1881 voor aan Willem Kloos, die zich terstond als Verweys mentor opwierp. Met deze twee en enkele andere letterkundigen richtte Verwey in 1885 het tweemaandelijkse literaire tijdschrift De Nieuwe Gids op, waarvan de eerste aflevering in oktober van dat jaar verscheen en waaraan Verwey behalve als redacteur ook als redactiesecretaris meewerkte. De Nieuwe Gids zou tot 1943 blijven bestaan.

Na een conflict met Kloos verliet Verwey in 1889 de redactie van De Nieuwe Gids. In 1890 huwde hij Kitty van Vloten (1867-1945, dochter van de destijds bekende literator en theoloog Johannes van Vloten, 1818-1883) en vestigde zich buiten de periferie van het literaire Amsterdam in Noordwijk. Het verschijnen van Verweys driedelige Verzamelde Gedichten op 24-jarige leeftijd in 1889 (overigens met een vertaling van werk van Marlowe) betekende echter geenszins dat hij daarna stilviel. Integendeel, tot zijn dood in Noordwijk wonend, behoorde hij tot de productiefste letterkundigen van de eerste helft van de 20e eeuw.

Tweemaandelijks Tijdschrift / De XXe Eeuw[bewerken]

Contact met zijn generatiegenoten verloor hij al evenmin. Toen De Nieuwe Gids na jaren van interne strijd tussen de redactieleden en de leegloop van prominente medewerkers die daarvan het gevolg was, aan kwaliteit inboette, richtte Verwey samen met Lodewijk van Deyssel het Tweemaandelijksch Tijdschrift voor letteren, kunst, wetenschap en politiek op (1ste aflevering september 1894), dat in 1902 werd omgedoopt in het maandelijks verschijnende De XXe Eeuw (1909 gefuseerd met De Nieuwe Gids).

De Beweging[bewerken]

Gedicht 'Stoa' op een muur in Leiden

Een conflict over de te volgen koers van "De XXe Eeuw" noopte Verwey in 1904 uit de redactie te stappen, die hij vanaf de oprichting van het "Tweemaandelijks Tijdschrift" samen met Van Deyssel had gevormd en een eigen tijdschrift op te richten: De Beweging, algemeen maandschrift voor letteren, kunst, wetenschap en staatkunde. "De Beweging" keerde zich af van impressionistische en naturalistische kunstopvattingen en droeg, in navolging van het Tweemaandelijks Tijdschrift, een algemeen cultureel karakter. In januari 1905 verscheen het eerste nummer. Aanvankelijk was Verwey enig redacteur, maar in 1908 werd de redactie onder meer uitgebreid met de architect Berlage.

Verhoudingsgewijs publiceerde "De Beweging" veel poëzie: behalve van Verwey zelf, vindt men in de jaargangen bekende namen terug van Van Eyck, Bloem, Van Vriesland, Nijhoff en Marsman; Verwey bleef echter de centrale figuur die de toon bepaalde met boekbesprekingen, essays en kritische artikelen over poëzie, ook internationaal: Verwey werd in die tijd sterk beïnvloed door dichters als de Duitser Stefan George. Het tijdschrift zou tot 1919 blijven bestaan.

Verweys poëzie lijkt soms eenvoudig, dan weer ontoegankelijk en raadselachtig. "Toon" en "klank", geënt op de "van binnenuit inspirerende idee" waren sleutelbegrippen in zijn poëzie, in een niet onbelangrijk deel waarvan de nauwe verwantschap die hij zag tussen literaire kunst en andere uitingen van artisticiteit en scheppingsdrang, vooral de schilderkunst van de 17e eeuw, doorklinkt, een overtuiging, waardoor Verwey zich ook in zijn werk als criticus heeft laten leiden. Weliswaar viel er af en toe enige discrepantie tussen hoogdravende titels (De Nieuwe Tuin; De Kristaltwijg; Het Blank Heelal; De Weg Van Het Licht; De Getilde Last; Het Lachende Raadsel) en inhoud van zijn verzenbundels te bespeuren, en werd de kring van dichters en andere kunstenaars rond zijn tijdschrift "De Beweging" soms schamper als de "Noordwijker Kamer" aangeduid, maar daar stonden zijn gedegen studies van Vondel, Potgieter, Bilderdijk of Spieghel tegenover. Verwey vertaalde ook werk van Shelley, Hofmannsthal en anderen in "Poëzie in Europa" (1920). Zijn essays over "mensen en stromingen" uit de eerste decennia van de 20e eeuw zijn gebundeld in tien delen "Proza" (1921-23).

In de periode van "De Beweging" was Verwey ongetwijfeld een van de meest gezaghebbende figuren binnen de Nederlandse letteren. Van de Groningse Universiteit ontving hij in 1914 een eredoctoraat, hoewel hij zich altijd, bij gebrek aan een voltooide academische studie, met al dan niet gespeelde bescheidenheid autodidact is blijven noemen.

Beurs van Berlage[bewerken]

Een van de gedichten van Verwey op het beursgebouw
Buste van Verwey in Noordwijk

Rond de eeuwwisseling was Verwey nauw betrokken bij de totstandkoming van de nieuwe Koopmansbeurs (1898-1903) van Amsterdam (Beurs van Berlage). Berlage had Verwey gevraagd het decoratieprogramma van de Beurs te coördineren. Hierdoor kreeg Verwey - naast Berlage - een bepalende invloed bij de totstandkoming van dit Gesamtkunstwerk. Verwey en Berlage werkten hierin samen met andere vooraanstaande kunstenaars: Toorop, Roland Holst, Mendes da Costa, Derkinderen en Zijl. Verwey baseerde het programma op twee thema's: 1. Amsterdam als belangrijke handelsstad en 2. Het streven naar een klasseloze maatschappij waarin geld geen rol meer speelt. Voor verschillende ruimtes maakte hij gedichten, veelal in de vorm van kwatrijnen. Deze gedichten verhalen over de specifieke functie van de ruimte én geven blijk van een idealistische kijk op de toekomst. De tekst boven de entree aan het Beursplein geeft dit bijvoorbeeld goed weer:

Als voorhoofd strekt de steen op de ingangsbogen
't Verstand des handels breke in heldre lijn
Daaruit: Tusschen zoo mensch als dingen zijn
Veel omgangsdaden die 't bestaan beoogen.

Ook de twee intrigerende regels op de klokkentoren van de Beurs zijn van Verwey:

Duur uw uur - Beidt uw tijd.

Leidse periode[bewerken]

Van 1924 tot 1935 was Verwey hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Leiden. Hoewel zijn colleges slechts de intentie hadden te worden aangehoord, was er toch van enige interactie sprake doordat hij zijn studenten de gelegenheid gaf tot voordrachten of spreekbeurten. In Noordwijk aan Zee, op de plaats waar hij tussen 1928 en 1935 regelmatig op de tram wachtte naar Leiden, staat sinds 1976 een borstbeeld van hem. (In de jaren dertig gemaakt door Oswald Wenckebach, een bronzen kopie van een kop van Albert Verwey uit een museum in Rotterdam.) Ook was Verwey lid van Commissie-Marchant, die in de jaren dertig een spellingvernieuwing voorbereidde.

Verweys laatste grote werk was een nieuwe uitgave van Vondel (1937). Postuum verscheen nog zijn studie over Frederik van Eeden (1939), die dateerde uit de tijd van zijn professoraat. Ook na zijn emeritaat ontwikkelde hij in zijn laatste levensjaren nog een koortsachtige activiteit, die deels politiek geëngageerd was, waarvan de "tijdsgedichten" uit de jaren van de opkomst van het fascisme in Duitsland getuigen. Verwey publiceerde soms onder pseudoniem; bekend zijn: Homunculus, Alan Lichtenberger, A. de Mare, M. Wenke. Het Verwey-Archief bevindt zich in de Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam.

In 2011 werd het graf van Verweij op de Algemene Begraafplaats te Noordwijk gerestaureerd in opdracht van een fonds, dat door de Ned. Boekverkopersbond en het prins Bernhard cultuurfonds is gesticht om de graven van belangrijke literatoren in stand te houden.[1]

Selectie uit het werk[bewerken]

Aarde (1896). Bandontwerp: L.W.R. Wenckebach.
Herdenkingssteen voor Verwey in Leiden
Verwey en Stefan George
(tekening Jan Toorop)

Poëzie[bewerken]

  • Persephone en andere gedichten. 's-Gravenhage: Rössing, 1885.
  • Van het leven. Een gedicht in sonnetten door Albert Verwey. Amsterdam: Versluys, 1889.
  • Verzamelde gedichten van Albert Verwey. Amsterdam: Versluys, 1889.
  • Spaansche reis. z.p.: z.u., [1893].
  • Aarde. Gedichten van Albert Verwey. Amsterdam: Scheltema & Holkema, 1896.
  • De nieuwe tuin. Amsterdam: Versluys, 1898.
  • Het brandende braambosch. Amsterdam: Versluys, 1899.
  • De kristaltwijg. Amsterdam: Versluys, 1903.
  • Het blank heelal. Amsterdam: Versluys, 1908.
  • Het eigen rijk. 's-Gravenhage: De Zilverdistel, 1912.
  • Het zichtbaar geheim. Amsterdam: Versluys, 1915.
  • Het zwaardjaar. Amsterdam: Versluys, 1916.
  • Goden en grenzen. Amsterdam: Versluys, 1920.
  • De weg van het licht. Santpoort: Mees / Antwerpen: De Sikkel, 1922.
  • De maker. Santpoort: Mees / Antwerpen: De Sikkel, 1924.
  • De legende van de ruimte. Santpoort: Mees, 1926.
  • De getilde last. Santpoort: Mees, 1927.
  • De figuren van de sarkofaag. Santpoort: Mees, 1930.
  • De ring van leed en geluk. Santpoort: Mees, 1932.
  • Het lachende raadsel. Santpoort: Mees, 1935.
  • De dichter en het derde rijk. Een gedicht. Santpoort: Mees, 1936.
  • In de koorts van het kortstondige. Santpoort: Mees, 1936.
  • Oorspronkelijk dichtwerk. Amsterdam: Querido / Santpoort: Mees, 1938.

Beschouwingen, vertalingen e.d.[bewerken]

  • Een inleiding tot Vondel. Amsterdam: Versluys, [1893].
  • Stille toernooien. Amsterdam: Versluys, 1901.
  • Het leven van Potgieter. Haarlem: Tjeenk Willink, 1903.
  • Luide toernooien. Amsterdam: Versluys, 1903.
  • De oude strijd. Amsterdam: Versluys, 1905.
  • Inleiding tot de nieuwe Nederlandsche dichtkunst (1880-1900). Amsterdam: Maatschappij voor de goede en goedkoope lectuur, [1905].
  • Leopold Andrian, De tuin van de openbaring. 1905-1906 / 1984 [met Stefan George ].
  • Studies in Hölderlin. Amsterdam: Maas en Van Suchtelen, [1907].
  • Hendrick Laurensz. Spieghel. Groningen [etc.]: J.B. Wolters, 1919.
  • Poëzie in Europa. Vertaalde gedichten. Shelley, George, Hofmannsthal … Amsterdam: Versluys, 1920.
  • Proza. Deel: I-IV 1921; V-VII 1922; VIII-X 1923. Amsterdam: Van Holkema & Warendorf / Querido.
  • Dante Alighieri: De goddelijke komedie. Vertaling (uit het Italiaans) in terzinen door Albert Verwey. Haarlem: Tjeenk Willink, 1923.
  • Shakespeares Sonnetten, nagedicht door Albert Verwey. Santpoort: Mees, 1933.
  • Vondel: Volledige dichtwerken en oorspronkelijk proza. Verzorgd en ingeleid door Albert Verwey. Amsterdam: Becht, 1937.
  • Frederik van Eeden. Santpoort: Mees, 1939.

Literatuur[bewerken]

  • Pen en penseel. Bijzonder nummer van Critisch Bulletin. 's-Gravenhage: Daamen, 1947.
  • De briefwisseling tussen Lodewijk van Deyssel en Albert Verwey. Met een woord vooraf en voorzien van aantekeningen, bezorgd door Harry G.M. Prick. [Reeks:] Achter Het Boek. 3 dln. 's-Gravenhage: Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, 1981-86.
  • Vestdijk, Simon: Albert Verwey en de Idee. Rijswijk, 1940.
  • Annette van Dijk, Welk een ketter is die vrouw geweest. De plaats van Albert Verwey in de Hadewichreceptie. 2009

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Het Parool 6 okt. 2011