Hendrik Marsman

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hendrik Marsman
Marsman2.jpg
Algemene informatie
Geboren 30 september 1899
Overleden 21 juni 1940
Land Nederland
Werk
Genre Vitalisme, Expressionisme
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur
Jeugdfoto van Marsman (1914)
Handschrift van het gedicht Invocatio

Hendrik Marsman (Zeist, 30 september 1899 - Het Kanaal, 21 juni 1940) was een Nederlands dichter, vertaler en literair criticus.

Biografie[bewerken]

De vader van Hendrik Marsman was boekhandelaar te Zeist (hij bezat daar in die tijd de belangrijkste zaak), zijn moeder was voor haar huwelijk onderwijzeres. Op zijn zesde jaar bezocht Marsman de lagere school van de Broedergemeente (Hernhutters, nederzetting sinds de 18e eeuw in Zeist), maar hij werd conform de familietraditie Nederlands Hervormd opgevoed. Zijn zwakke gezondheid (hij leed aan de longen en was ook in geringe mate epileptisch) deed hem gedurende zijn studietijd drie jaar verliezen en verhinderde hem bovendien een stuurmansopleiding te volgen.

Hij was graag zee-officier geworden, zoals een van zijn twee jongere broers. Na zijn middelbare opleiding en aanvullend staatsexamen ving hij de rechtsstudie aan te Leiden en te Utrecht rechten. Marsman was van 1929 tot 1933 in Utrecht gevestigd als advocaat. Reeds in zijn studentenjaren debuteerde Marsman als dichter. Na 1935 gaf hij zijn praktijk op om zich geheel aan de letterkunde te wijden.

In 1929 huwde hij de Rotterdamse onderwijzeres Rina Louise Barendregt, die een bijzondere belangstelling had voor de Nederlandse letterkunde.

Hij reisde veel en woonde veelal in het buitenland (Zwitserland, maar vooral Frankrijk). In 1925 en van 1929 tot en met 1931 was Marsman redacteur van De Vrije Bladen, waarin hij verschillende literaire manifesten publiceerde. Daarna publiceerde hij voornamelijk in het vernieuwende literaire tijdschrift Forum. Nog later werd hij literatuurcriticus van de Nieuwe Rotterdamse Courant. Marsman was bevriend met de schrijvers Menno ter Braak en Edgar du Perron, die hij waardeerde, hoewel hij het niet in alles met hen eens was. Zijn kosmopolitische instelling vond een afspiegeling in de vele reizen die hij ondernam, eerst naar Duitsland, maar later vooral door Zuid-Europa, waar de natuur zijn onrustige karakter een verstilde tegenkracht bood. Al vroeg nam hij afstand van zijn orthodox-protestantse achtergrond en voelde hij zich aangetrokken tot het katholicisme. Hij onderhield goede betrekkingen met de representant van de katholieke literaire jongeren Anton van Duinkerken en publiceerde ook in het katholieke literaire tijdschrift De Gemeenschap. Van 1936 tot 1940 woonde Marsman in Frankrijk.

In het voorjaar van 1939 was Marsman voor de laatste maal in Nederland, waar hij ondertussen als de belangrijkste van de jonge dichters werd gewaardeerd.[bron?] De oorlog verraste hem in Zuid-Frankrijk. Na de Duitse inval in het westen in 1940 vond hij de dood toen de Berenice, het schip waarop hij met zijn vrouw naar Engeland vluchtte, in Het Kanaal verging. Of het schip getorpedeerd werd door een U-boot of dat de ondergang een andere oorzaak heeft is niet zeker. Er waren acht overlevenden: de kapitein, zes bemanningsleden en Rien Marsman, de enigen die op het moment van de explosie op het dek waren geweest.[1]

Toen het bericht van Marsmans dood op de radio werd meegedeeld, was zijn vader zwaar ziek. Men heeft het hem niet meer verteld en hij overleed op 24 juli 1940. Tegen de achtergrond van deze feiten krijgt het gedicht ('De Overtocht' uit 1926) dat over een dergelijk gegeven handelt, wel een huiveringwekkende 'tweede' dimensie.[bron?] Niet alleen de titel maar ook de twee eerste strofen zijn namelijk letterlijk juist gebleken.

Stijl[bewerken]

Marsman behoorde lange tijd tot de stroming van het vitalisme, maar nam daarvan in de jaren 30 afstand. Hij geldt voorts als de belangrijkste Nederlandse vertegenwoordiger van het expressionisme in de vooroorlogse poëzie.[bron?] Marsmans stijl is expressionistisch, maar verraadt ook een zekere invloed van het futurisme.

Marsman verafschuwde de Nederlandse bekrompenheid. Hij zei ooit: "Holland is en blijft een ellende. Wie hier op de grond stampt, zakt weg in de modder". Hij bewonderde de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche en diens boek Also sprach Zarathustra, dat hij samen met Pieter Endt in het Nederlands vertaalde. Korte tijd voelde hij zich aangetrokken tot het fascisme, maar toen hij zag waartoe het leidde in Duitsland, werd hij een fel tegenstander en principieel bestrijder ervan.

In de jaren '30 maakte zijn vitalistische werk plaats voor een veel traditioneler en realistischer poëzie, zoals het gedicht 'Herinnering aan Holland' (1936), dat na de oorlog tot de bekendste Nederlandse gedichten is gaan behoren, en aan het eind van de twintigste eeuw verkozen werd tot het Nederlandse Gedicht van de eeuw. Vooral het eerste gedeelte is zeer bekend:

Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,

Dichterschap[bewerken]

Marsmans gedicht Val op een muur in Leiden

Marsmans betekenis als dichter is onbetwist;[bron?] hij geldt als de belangrijkste Nederlandse vertegenwoordiger van het expressionisme en het vitalisme, waarin een intuïtieve en vitale levenshouding wordt uitgedragen. Marsman was ook een van de weinige vooroorlogse Nederlandse dichters, in wier werk het breekpunt van de Eerste Wereldoorlog in volle omvang doorklinkt: persoonlijke vitaliteit diende het antwoord te zijn op de dood en ontreddering, die de 'oude wereld' van de negentiende eeuw, met haar meer en meer gekunstelde vooruitgangsoptimisme, definitief ten grave hadden gedragen. Ook klinkt de invloed van vitalistische filosofen als Nietzsche, en Bergson door in zijn werk.

Marsman onderging in zijn begintijd als dichter invloed van de Vlamingen Wies Moens en Paul van Ostaijen, van vroege Duitse expressionisten als Georg Trakl en vooral van de Nederlandse dichter Herman van den Bergh, die met zijn bundel 'De Boog' uit 1917 bewust afstand had gedaan van de geijkte schoonheidsidealen van de Tachtigers. Ook werd hij in zijn begintijd beïnvloed door de expressionistische en kubistische schilderkunst.

In zijn vroege periode stelde Marsman de directe verbeelding in de plaats van de meer dan eens gekunstelde als-vergelijkingen van de Tachtigers; zijn verzen uit deze tijd vertonen verder een grote afwisseling in ritme, corresponderend met de verschillende dichterlijke gevoelsuitstortingen, getuige bijvoorbeeld zijn gedicht Einde:

Terzij de horde

nooit gleed een bloemsignaal
tegen de steilte van mijn schemernacht,
waar ik, gewelfd over de rand der ruimte,
den geur der eeuwen puur uit de bokaal der lucht

en zelve drijf, een late, smalle bloem,
op den verloomden maatslag van den tijd.

De volgende periode in zijn dichterschap, van ongeveer 1928 tot 1933, kenmerkte Marsman zelf als een periode van zoeken; hierin uitte zich steeds meer teleurstelling over zijn gebrek aan weerklank bij de nieuwe generatie, en vooral, een toenemende angst voor de dood. Dat juist een vitalist zoveel over de dood dichtte, is begrijpelijk: het extreme vitalisme dat zich van geest en ziel heeft losgemaakt, heeft geen antwoord op de dood, die dan als 'het volkomen andere' wel als zinloos ervaren moet worden. Het antwoord van Marsman luidde uiteindelijk: creativiteit en scheppend vermogen, waardoor de geest weer gevitaliseerd raakt en een verbinding ontstaat tussen het geestelijk leven van de mens en zijn bestaan in de wereld. De geest is niet slechts een functie van het leven, maar wordt dankzij het creatieve momentum, zelf de hoogste uitdrukking daarvan.

Verwonderlijk is het niet, dat Marsman met deze instelling aansluiting vond en zocht bij de schrijvers rond het tijdschrift Forum, vooral bij Vestdijk en Ter Braak. Net als zij zag Marsman de subjectieve persoonlijkheid van de scheppende kunstenaar als een belangrijk criterium om de betekenis van diens werk te bevatten. In deze zin schreef Marsman kritieken op hoog niveau over onder anderen Henriëtte Roland Holst, Kafka, Hendrik de Vries, Slauerhoff en Du Perron, en schreef hij een boek over de tachtiger-dichter Herman Gorter. Wel bleven er verschillen bestaan, vooral waar Marsman sterk op zoek was naar de beleving van het 'objectieve' creatieve moment, speciaal in de prosodische vorm van het kunstwerk. Voor de meeste schrijvers van Forum echter was de vorm ondergeschikt aan de persoonlijkheid van de kunstenaar.

Vanaf ongeveer 1933 werd de romantisch-vitalistische levensinstelling van Marsman geleidelijk klassieker: hij begon te streven naar grotere helderheid en algemene geldigheid. Zijn gedichten verkrijgen een grotere symmetrie. De dichter blijft zoeken naar het ultieme vitale moment, maar zijn zware worsteling met de dood lijkt voorbij. Dood en vergankelijkheid blijven belangrijk, maar zij worden opgelost in een zinvol groter geheel, en zijn tegelijk tot 'naakte waarheden' geworden, die gemakkelijker onder het oog kunnen worden gezien, en dus hun plaats hebben gekregen. Welke? Dat is minder gemakkelijk onder woorden te brengen, maar duidelijk is wel, dat de dood verwijst naar een betere werkelijkheid:

laat één ster, een onaanzienlijk teken
flonkren boven de armzaligheid
en opnieuw geloven wij in streken
voorbij ’t moeras van dezen lagen tijd. [2]

De dichter zoekt nu steeds meer naar universele waarden, en gebruikt de (vitale) intensiteit van zijn beleving om tot een hogere orde te komen, waarin dag en nacht, leven en dood (uiteindelijk) worden verenigd na een lange zoektocht met tal van klassieke motieven. Deze odyssee vindt zijn neerslag in Marsmans laatste bundel Tempel en Kruis.

Prijzen[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

Gedicht Berlijn van Marsman als muurgedicht in Berlijn
  • 1923 - Verzen (gedichten)
  • 1925 - Penthesileia (gedichten)
  • 1926 - De anatomische les (essay)
  • 1927 - De vliegende Hollander
  • 1927 - Gerard Bruning. Nagelaten werk
  • 1927 - Nagelaten werk (essay)
  • 1927 - Paradise Regained
  • 1928 - De lamp van Diogenes
  • 1929 - De vijf vingers
  • 1930 - Witte vrouwen (gedichten)
  • 1931 - Kort geding (essay)
  • 1931 - Voorpost (gedichten)
  • 1933 - De dood van Angèle Degroux (roman)
  • 1933 - Tegenonderzoek
  • 1934 - Porta Nigra (gedichten)
  • 1935 - De immoralist (van André Gide) (vertaling)
  • 1936 - Heden ik, morgen gij (met Simon Vestdijk) (roman)
  • 1937 - Herman Gorter (essay)
  • 1938 - Critisch proza
  • 1938-1947 - Verzameld werk
  • 1939 - Menno ter Braak (essay)
  • 1939 - Hieronymus, de dichter der vriendschap (van Teixeira de Pascoaes) (vertaling, samen met Albert Vigoleis Thelen)
  • 1939 - Paulus de dichter Gods (van Teixeira de Pascoaes) (vertaling, samen met Albert Vigoleis Thelen)
  • 1940 - Tempel en kruis (gedichten)
  • 1941 - Aldus sprak Zarathoestra (van Friedrich Nietzsche) (vertaling, samen met Ed. Coenraads (pseudoniem van Pieter Endt (1883-1936), directeur van de Wereldbibliotheek)
  • 1945 - Brieven over literatuur (met Simon Vestdijk)
  • 1946 - Verbum obscurum (van Teixeira de Pascoaes) (vertaling, samen met Albert Vigoleis Thelen)

Biografie[bewerken]

  • In memoriam H. Marsman, speciaal nummer van Criterium, september 1940. Herinneringen van Aafjes, Achterberg, Nijhoff, Roland Holst, Stols, Vestdijk en vele anderen
  • D.A.M. Binnendijk e.a., In memoriam H. Marsman. Den Haag, A.A.M. Stols, 1945. Met bijdragen van o.a. G. Achterberg, Jan Engelman, A. Roland Holst en S. Vestdijk
  • Arthur Lehning, De vriend van mijn jeugd. Herinneringen aan H. Marsman. Den Haag/ Bandung, W. van Hoeve, 1954
  • Arthur Lehning, Marsman en het expressionisme
  • Jaap Goedegebuure, Zee, berg, rivier. Het leven van H. Marsman. Amsterdam/ Antwerpen, De Arbeiderspers, 1999

Voetnoten[bewerken]

  1. Jaap Goedegebuure, Zee, berg, rivier. Het leven van H. Marsman. Amsterdam/ Antwerpen, De Arbeiderspers, 1999, p. 355-357.
  2. Uit: 'Dies irae'.

Externe links[bewerken]